Intriges op een seminarie; Een fatale botsing tussen bisschop, conrector en student

Luttele jaren geleden was Rolduc nog het bolwerk van rooms-katholieke orthodoxie. Nu lijdt de priesteropleiding een onopvallend bestaan. De neergang werd in 1990 ingezet met een mislukte wijding van een priester-student. Op Rolduc bleken verhoudingen te bestaan die niet in de katholieke moraal pasten. Uiteindelijk werd de conrector overgeplaatst en trad bisschop Gijsen af. Een zedenschets.

Bisschop Gijsen legde eind januari 1993 plotseling zijn ambt neer. Ziekte- en zelfs uitputtingsverschijnselen maakten het hem onmogelijk in functie te blijven, zo luidde de verklaring van het bisdom Roermond. Wie de omstreden bisschop in de voorafgaande periode had gevolgd, kon het raadselachtige vertrek beter duiden. Gijsen had voortdurend onenigheid met de overige bisschoppen. Zijn poging om het katholieke onderwijs een stringent reglement op te leggen was mislukt. Het chronische gebrek aan contact met de gelovigen had zijn aanzien in Rome afbreuk gedaan. De bisschopszetel viel definitief toen bleek dat zich op het traditionele seminarie Rolduc, een paradepaardje van de bisschop, een relatie had afgespeeld die in strijd was met de katholieke moraal.

Een kerkelijk onderzoek naar de omstandigheden waaronder een jonge Rolducien zijn gelofte had afgelegd zou voor Gijsen wel eens de genadeslag geweest kunnen zijn. Er bleek een conflict tussen een student en het bisdom aan te zijn vooraf gegaan, waarbij chantage, machtsmisbruik en katholieke moraal de ingrediënten waren. Het onderzoek, waarop dit verhaal mede is gebaseerd, bracht ook de dubbele moraal op het seminarie en bij een deel van zijn staf aan het licht. De conrector van Rolduc bleek er een intieme vriendschap met een student op na te houden. De biecht werd gebruikt om dat contact te beschermen. Het was niet de eerste keer dat er een mannenrelatie op Rolduc bloeide, maar een homoseksuele verhouding die zo in strijd was met de katholieke beginselen was er nog niet voorgekomen. Deze verhouding raakte in steeds bredere kring bekend; bisschop Gijsen werd van verscheidene kanten gewaarschuwd maar ondernam geen actie.

Uiteindelijk was het een mislukte priesterwijding die de zaak aan het rollen bracht en Gijsen en het seminarie grote schade toebracht. De priester in kwestie maakte er een principekwestie van en schuwde weinig drukmiddelen. Hij begon een procedure om van zijn wijdingsgeloften te worden ontslagen en dreigde met publiciteit; zo raakte het Vaticaan erbij betrokken. Vlak voordat de resultaten van de kerkelijke procedure officieel bekend werden, trad de omstreden bisschop af en vertrok naar een nonnenklooster in Oostenrijk. Uit de loop van de gebeurtenissen kan worden afgeleid dat de affaire rond priester-student Vincent van Opstal een belangrijke rol heeft gespeeld bij het aftreden van Gijsen. Het bisdom beperkt zich tot het oorspronkelijke communiqué: Gijsen trad af om gezondheidsredenen.

Vaticaan

Bij Vincent van Opstal thuis, eerst in Amsterdam en later in Haarlem, hing een behoorlijk katholieke sfeer, zoals hij zelf zegt. “We gingen veel naar de kerk, ik was misdienaar en later acoliet.” Vincent meldde zich na de MTS aan bij Rolduc, gelegen in de gemeente Kerkrade, waar jonge mannen zich in traditioneel seminarieverband konden voorbereiden op het priesterschap. Het was begin jaren tachtig de trots van Gijsen, die het Vaticaan kon laten zien dat zijn in Nederland omstreden besluit om een traditioneel seminarie te heropenen, succes had. Zijn gebed om priesterroepingen was verhoord: “Heer, geef dat het zaad, geworpen in een reine jongensziel, niet verstikt worde door de wufte geest dezer wereld.”

Het Groot Seminarie telde destijds bijna honderd priesterstudenten. In totaal zijn het er nu nog enige tientallen. Van Opstal: “Roeping? Ach ja, het was zoiets als verliefdheid, die voorafgaat aan de liefde, nog zonder enige reflexie. De vragen die er achteraan hoorden, moesten nog komen. Er was helemaal geen sprake van dwang of pressie. Ik kreeg alle tijd om mijn beslissing te nemen.”

Van Opstal begon op zijn eenentwintigste aan een studie die tenminste zes jaar zou duren; een jaar voorbereiding omdat hij geen gymnasium had gevolgd en vijf jaar voor de priesteropleiding. Vlak voor zijn vertrek naar Zuid-Limburg overleed echter zijn moeder. De jonge priester raakte er door uit zijn evenwicht en boekte slechte studieresultaten. Van de seminarieleiding kreeg hij dan ook een consilium abeundi, een advies om op te stappen als de resultaten niet beter zouden worden.

Toen kwam de conrector van het seminarie, dr. A. Lemmens, in zijn leven. Lemmens, even over de veertig, was een belangrijke figuur op Rolduc. Wie hem tegen zich had, kon het vergeten, zo wisten de studenten. Als specialist in de catechese, schreef hij eind jaren tachtig de Limburgse catechismus. Met dit boek had bisschop Gijsen de schooljeugd in het zuiden willen terugbrengen op het pad van het ware geloof.

De conrector ontfermde zich over de zachtaardige maar zwakke student. Van Opstal: “Hij was een buitengewoon vakman als geestelijk leider. Ik vertrouwde hem voor honderd procent. Door hem leerde ik mezelf zien, maar het schoot door, het bleef niet bij de therapeutische hulp. Hij compenseerde het gemis van mijn moeder door als het ware mijn moeder te worden. We spraken af dat ik telkens als wij samen waren, ik hem als moeder zou aanspreken. Die afspraak hebben we met een kleine plechtigheid voor het beeld van de Heilige Maagd bezegeld. We hebben de geloofsbelijdenis gezegd, kruisjes uitgewisseld en elkaar trouw voor het leven beloofd.” Van Opstal kreeg van zijn beschermer ook een exemplaar van diens proefschrift. Op de titelpagina staat de opdracht: 'Dat we nu, hand in hand, werken mogen aan de opbouw van het Rijk Gods. Moeder.'

In die periode begon de seksuele toenadering. Omdat de student erover in zat dat hij zich zo vaak 'bevlekte', had Lemmens hem 'hulp' aangeboden, zodat hij er 'van af zou komen'. Die hulp werd al gauw wederzijds - de 'zoon' hielp ook de 'moeder'. De 'ontwenningskuur' duurde bijna vijf jaar, de tijd dat Van Opstal als intern student nog op Rolduc verbleef.

Van Opstal ziet achteraf de moeder-zoon-afspraak, die de conrector hem opdrong, als een voorwendsel voor de homoseksuele relatie. “Ik zag het als een soort incest, er werd een familieverband gecreëerd om de relatie een ander motief te geven. Iets dergelijks bestond voordat ik naar Rolduc kwam ook al met een andere student. Het enige verschil was dat die hem papke moest noemen, omdat zijn vader net was overleden.” Ook dat was niet de eerste keer dat er zich rond seksualiteit verwikkelingen voordeden. Kort na de heropening van het Groot Seminarie moest Gijsen een docent verwijderen op aandringen van de vader van een van de seminaristen. Ook deze student had de avances van een docent niet durven weerstaan.

De biecht was geen spelbreker: Van Opstal biechtte bij conrector Lemmens de zonden die hij met hem beging en kreeg vergeving. “Dat was méér dan het sussen van het geweten. De relatie werd erdoor versterkt, er ging een bevestiging van onze band van uit.” De conrector had zelf twee biechtvaders, de vroegere student die hem papke had genoemd en inmiddels priester was geworden, zo vertelde hij Van Opstal. En een goede vriend van het klein seminarie, met wie hij jarenlang intensief was opgetrokken en die nu een hoge functie in het bisdom bekleedde. Beiden vergaven de zonden van hun medepriester. De absolutie en de penitentie, daar bleef het bij.

De relatie tussen de conrector en zijn pupil liep nogal in de gaten, zo bevestigen andere getuigen uit die tijd. Tijdens de maaltijden in de refter zaten ze altijd naast elkaar - het begon anderen op te vallen dat de eigen kamer van Van Opstal iedere nacht leeg bleef. Medestudenten spraken weldra over hem als 'het liefje van de rector'. Homoseksuele relaties werden officieel niet getolereerd. Van Opstal weet van twee studenten die om die reden van het seminarie werden verwijderd. “Dan zag je opeens dat iemand verdwenen was, maar er werd nooit gezegd waarom. Ik wist het wel, omdat meneer Lemmens me dat vertelde.”

Ook hun relatie leidde tot klachten, maar die werden nooit rechtstreeks geuit. “Niemand durfde mij aan te spreken omdat ik werd gezien als een verlengstuk van hem. Er werd wel hogerop geklaagd, bij de rector, dr. H. van der Meer, maar die durfde ook niets te ondernemen. Als je met een probleem zit, wacht dan eerst tot het vanzelf overgaat, hield hij ons vaker voor”. Zelf deed Van der Meer niets, getuige de ervaring van Van Opstal: “Ik weet zeker dat hij is ingelicht. Er zijn twee medestudenten en later een docent naar bisschop Gijsen gelopen. Die is toen met de conrector gaan praten”. Van Opstal kreeg het verslag van dat gesprek via zijn 'moeder' te horen: “Gijsen was er over begonnen maar Lemmens had meteen gezegd dat het zijn persoonlijke zaak was. Toen heeft Gijsen maar gevraagd of Lemmens niet zo opzichtig met me wilde omgaan. Dat hij niet meer in de eetzaal naast mij moest gaan zitten.”

Stage

Met steun van de bemoederende conrector liep de studie een stuk beter. In het laatste jaar ging Van Opstal stage lopen in een parochie. Daar nam zijn leven een nog gecompliceerder wending: de aspirant-priester werd verliefd op een getrouwde vrouw met drie kinderen. Twee maanden voor zijn wijding deed Van Opstal een halfslachtige poging in het reine te komen met zichzelf. Hij stapte naar de nieuwe rector van Rolduc, Th. Willemssen, en vertelde hem iets over zijn relatie met de conrector. “De rector sommeerde me om onmiddellijk voor honderd procent een einde te maken aan die relatie. Dat heb ik de volgende dag ook gedaan. Lemmens heeft zich daar bij neergelegd.”

Van Opstal kwam in zijn andere relatie voor een dilemma te staan: “Ik wilde niet met haar doorgaan, want dat zou betekenen dat zij ging scheiden. En daarvan zouden haar kinderen de dupe worden. Ik kon geen beslissing nemen, ik was helemaal willoos, ik zat in een soort denkcoma, terwijl de trein naar de wijding voortdenderde.”

Op 9 juni 1990 was het moment van de wijding door monseigneur Gijsen aangebroken. Daags daarvoor hoorde hij dat zijn vriendin opnieuw in verwachting was: “Tot in de kathedraal toe hoopte ik nog op een wonder, dat ik op weg naar het priesterkoor mijn been zou breken of flauw zou vallen. Toen ik daar op de grond lag voor de bisschop was ik honderd procent bij mijn positieven. Ik heb nog gedacht: hier blijf ik liggen, ik sta niet meer op”. Van Opstal ging kort na de ceremonie naar Haarlem om daar temidden van familie en kennissen zijn eerste Heilige Mis op te dragen. “Mijn vriendin was meegekomen en hield zich achterin de kerk op. Ze is die avond met me teruggereden en heeft op me ingepraat. Ik móest een beslissing nemen. Die scheiding deed er niet meer toe, omdat ze sowieso bij haar man weg zou gaan, ook als ik onze relatie verbrak. Toen heb ik voor haar gekozen.”

Twee dagen na zijn wijding lichtte Van Opstal zijn deken in. Die informeerde de bisschop. Van Opstal: “Weer twee dagen later zat ik tegenover Gijsen. Ik zei hem dat ik een relatie had met een vrouw die een kind verwachtte en dat ik daarom wilde uittreden. Hij hield mij voor dat er ook een andere oplossing mogelijk was. Ik zou naar een klooster in het buitenland kunnen vertrekken, dan zou het bisdom wel zorgen voor vrouw en kind.” Gijsen schreef de dag na het gesprek een wanhopige brief aan Van Opstal. “Maak je niet wijs dat je niet anders kunt dan je nu doet”, liet de monseigneur weten. “Gods genade is altijd sterker dan de macht van de duivel die je nu over je laat heersen. Geef je relatie dadelijk op en keer terug!”

Toen de bisschop geen gehoor vond klaagde hij in het openbaar over het leed dat hem was aangedaan door Van Opstal en een andere jonge wijdeling, die kort daarvoor eveneens het celibaat had losgelaten. In het bisdomblad De Sleutel werd Van Opstal in bedekte termen vergeleken met de man die Jezus heeft verraden: “Wij allen die vernomen hebben dat een van de wijdelingen zich niet met onverdeeld hart aan de Heer presenteerde en haast onmiddellijk na de wijding moest bekennen zich aan een ander te hebben geschonken, voelen ons bedrogen, zoals de Heer in eerste instantie bedrogen werd.”

Van Opstal weigerde echter in de Judasrol te worden gemanoeuvreerd en ging fel in de tegenaanval. Hij stapte begin augustus naar bisschop Gijsen en vertelde het verhaal van zijn relatie met de conrector. Van Opstal eiste harde maatregelen tegen Lemmens, en dreigde met chantage: hij zou zijn verhaal openbaar maken en had daartoe al een afspraak met de VARA-radio. Van Opstal beschuldigde de conrector en zijn vrienden niet alleen van het opdringen van seksuele contacten maar ook van misbruik van het sacrament van de biecht. De katholieke wetten verbieden immers priesters vergeving te schenken voor zonden waaraan zij zelf hebben meegewerkt.

Gijsen nam vervolgens in de ogen van Van Opstal halve maatregelen:de bisschop onthief Lemmens slechts van een deel van zijn docentschap. Daarop waarschuwde de ex-priester zijn bisschop per brief: “Ik herhaal dat ik van u verwacht dat u dr. A. Lemmens ontslaat uit al zijn functies voor vorming en opleiding in het bisdom Roermond.” Gijsen ging nog diezelfde avond overstag en schreef de verlofbrief aan Lemmens: “Zoals wij vandaag in een diepgaand gesprek vaststelden, eisen de verschillende functies die U momenteel bekleedt, te veel van zowel Uw fysieke als Uw psychische gezondheid”. Lemmens kon met behoud van salaris en dienstauto gaan, en vertrok naar een dorpje diep in het Zwarte Woud, waar hij nog steeds pastoor is.

Nietigheid

Voor Van Opstal was daarmee de zaak nog niet afgedaan. Hij wilde ontslagen worden van de geloften, die hij bij zijn wijding had afgelegd, en dwong de kerk tot een onderzoek op Rolduc. De rooms-katholieke kerk kent twee mogelijkheden voor een priester om onder de wijdinggeloften uit te komen: het inroepen van de nietigheid of de dispensatie van de geloften. Bij nietigheid volgt een onderzoek naar de wijdeling zelf: was hij op het moment van de wijding psychisch in staat een beslissing te nemen? Aan dispensatie gaat een onderzoek vooraf naar de omgeving: welke omstandigheden droegen ertoe bij dat de wijdeling niet uit vrije wil de geloften aflegde.

Tot grote schrik van Gijsen deed Van Opstal een beroep op dispensatie. Vergeefs probeerde de bisschop hem daarvan te weerhouden. Van Opstal schakelde echter de pauselijke gezant in Den Haag, mgr. Backis in en bracht de ontslagprocedure op gang. Gijsen deed een tegenzet. Hij belastte de opperrechter (officiaal) van het bisdom, dr. H. van der Meer, met het onderzoek, nota bene de man die op Rolduc rector was in de tijd dat Van Opstal er studeerde. Van der Meer stuurde (uiteraard) op nietigheid aan; hij wilde aantonen dat Van Opstal bij de wijding geestelijk niet in evenwicht was.

Van Opstal protesteerde opnieuw bij de nuntius en daarop werd Van der Meer vervangen: “Ik veronderstel dat Van der Meer gewraakt is door het Vaticaan. Ik had bij de nuntius geprotesteerd omdat Van der Meer als direct betrokkene nooit een onafhankelijk onderzoek kon leiden.”

Van toen af verliep de procedure wel naar de wens van Van Opstal. De andere betrokkenen moesten lijdzaam toezien hoe de verhoudingen aan het seminarie werden ontleed. Het aantal studenten riep drastisch terug. Op 5 maart vorig jaar kreeg Van Opstal een officieel schrijven van de Heilige Stoel: aan zijn verzoek om dispensatie had de paus na kennisneming van het onderzoeksrapport voldaan. Gijsen was vijf weken daarvoor afgetreden en naar een nonnenklooster in Oostenrijk vertrokken.

“Ik heb een sterk vermoeden dat Gijsen is vertrokken nadat hij kennis heeft genomen van het eindrapport”, zegt Van Opstal. Dat hij nu toch zijn verhaal doet, is het gevolg van een recent boek van de vroegere perschef van de bisschop, J. Spanjaard. Daarin verklaart Spanjaard hoe zeer de bisschop was geschokt toen Van Opstal twee dagen na zijn wijding het priesterambt vaarwel zei. Spanjaard schrijft dat Gijsen bij zijn afscheid, drie jaar na de mislukte wijding, geheimzinnig deed over de werkelijke reden voor zijn vertrek: “Noem het maar die Führung Gottes, zei hij. Die woorden had ik hem een keer eerder horen uitspreken. Dat was enkele dagen nadat een jonge wijdeling in de kathedraal van Roermond de hoogheid van het priesterschap op een gruwelijke manier onderuit had gehaald”.

Volgens Van Opstal slaat Spanjaard de spijker op de kop. Hij werpt het verwijt van verraad verre van zich: “Ik heb er genoeg van steeds als de zondebok te worden afgeschilderd, ook al weet ik dat ik me vijf jaar lang heb gekoesterd in de gunst van de conrector en daar vaak van genoten heb. Ook de instelling Rolduc treft eigenlijk geen schuld. Het is de top van het bisdom die de zaak heeft willen toedekken. Die heeft het instituut willen beschermen, maar op een zodanige manier dat het de doodsteek is toegebracht”.