Hup, Marcus!

Quintus Cicero: Verkiezingshandleiding

66 blz., Ambo 1994, Vert. J.A. van Rossum en H.C. Teitler, ƒ 14,90

'Doe tijdens de campagne geen politieke uitspraken.' 'Lijk spontaan in dingen die je uit jezelf niet zou doen of zeggen.' 'Stem je gelaatsuitdrukking en manier van spreken af op de gevoelens en opvattingen van degene die je ontmoet.' Deze citaten zijn niet afkomstig uit de handleidingen van de souffleurs van de vaderlandse politiek. Ze zijn meer dan tweeduizend jaar oud en afkomstig uit het Commentariolum petitionis, de onlangs vertaalde verkiezingshandleiding die Quintus Cicero schreef voor zijn drie jaar oudere broer Marcus Tullius Cicero, de Romeinse redenaar en politicus uit de eerste eeuw voor Christus. Voor het gemak nemen we met de vertalers (J.A. van Rossum en H.C. Teitler, docenten oude geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam en die van Utrecht) aan dat er geen zwaarwegende redenen zijn om te twijfelen aan de echtheid van de handleiding.

Dit jaar met drie verkiezingen is zeer geschikt om een vertaling van het korte geschrift uit te brengen, maar ook in een verkiezingsvrije periode is het boekje het lezen waard. Niet omdat het briljant is geschreven. Helaas voor Quintus, die altijd in de schaduw van Marcus heeft gestaan, gaat het om niet meer dan een degelijk werkje in de vorm van een brief aan Marcus. Geheel volgens de regels van de retorica wordt puntsgewijs een aantal zaken waarop iemand tijdens een politieke campagne moet letten, op een rijtje gezet. Quintus' uiteenzetting verschaft een blik achter de schermen van de Romeinse politiek in de republikeinse tijd. Hij schreef de handleiding in 64 voor Christus, aan de vooravond van de consulverkiezingen voor het jaar 63 waaraan Marcus meedeed. Het consultaat was het hoogste politieke ambt, dat pas kon worden bereikt na het vervullen van lagere functies. Consul kon je pas worden als je eerder quaestor en praetor was geweest en tenminste 43 jaar oud was.

Marcus had tot de consulverkiezingen ieder ambt op de toegestane minimumleeftijd vervuld. Dit was bijzonder, omdat hij een homo novus was, een nieuwkomer, de eerste van zijn familie die politieke ambten in Rome bekleedde. De Romeinse politiek werd beheerst door een beperkt aantal aristocratische families, die hun positie mede handhaafden door onderling politieke huwelijken te sluiten. Enkele geleerden achten de macht van de nobiles zo groot dat verkiezingen in feite schertsvertoningen waren. Van Rossum en Teitler willen in hun beknopte inleiding zo ver niet gaan. Volgens hen was er wel sprake van vrije verkiezingen, maar was het Romeinse verkiezingssysteem zodanig georganiseerd dat succes grotendeels afhankelijk was van relaties.

Marcus en Quintus waren afkomstig uit Arpinum, ongeveer honderd kilometer ten zuidoosten van Rome; hun familie, die overigens wel tot de plaatselijke adel behoorde, beschikte niet over de zo belangrijke connecties in Rome. Marcus was echter begiftigd met een uitzonderlijk redenaarstalent en door zijn succesvolle juridische verdediging van leden van vooraanstaande families verplichtte hij hen aan zich. Maar succes was niet bij voorbaat verzekerd, omdat hij als homo novus nog geen gevestigde macht had. Vandaar dat Quintus, die in het kielzog van zijn broer carrière maakte en zelf ook voordeel bij een verkiezingsoverwinning had, 'werkelijk dag en nacht' aan Marcus' campagne moest denken. Hij achtte het 'aan zijn broederliefde verplicht' een en ander op schrift te stellen, zonder het idee te hebben dat hij iets zou noteren dat zijn oudere broer niet al wist.

Quintus raadt Marcus aan goed voor ogen te houden dat hij een 'nieuwkomer' is en zich des te meer in te spannen om de juiste relaties op te bouwen. Daarbij is veel geoorloofd. Marcus moet niet aarzelen de mensen die door zijn inspanningen zijn vrijgesproken, te benaderen. Het beeld van Marlon Brando in The Godfather dringt zich op bij Quintus' advies mensen ervan te doordringen dat zij nu de gelegenheid hebben hun schuld bij Marcus in te lossen. Zij moeten hun vrienden van zijn kwaliteiten zien te overtuigen en de kandidaat-consul moet zelf ook nieuwe vrienden maken, waarbij iedereen die iets voor hem kan betekenen een potentiële vriend is.

Marcus moet vooral veel beloven. “In een campagne is stroop smeren van vitaal belang, ook al is dit in het gewone leven een minderwaardige en vernederende bezigheid.” Alles is beter dan een verzoek weigeren, want meestal vergeet men die belofte toch. Verder is het van belang in het openbaar de waardigheid van een staatsman aan te nemen en tegelijkertijd de tegenstanders in een kwaad daglicht te stellen. Waar mogelijk moeten onthullingen worden gedaan over hun misdaden, seksleven en corruptie. Zo zal hij uiteindelijk op iedereen een goede indruk maken: de nobilitas in de Senaat zal op grond van zijn levenswandel denken dat hij het adellijk gezag zal verdedigen; de gegoede burgerij ziet in hem een voorvechter van rust en orde en de massa acht haar belangen in goede handen, omdat hij zich meer dan eens heeft uitgelaten als een vriend van het volk.

De verkiezingscampagne betekent balanceren. “Denk eraan: dit is Rome”, schrijft Quintus, “een slangenkuil vol intriges en misstanden van elke soort.” De twee broers zouden het na Marcus' verkiezingswinst aan den lijve ondervinden. In de laatste eeuw voor Christus maakte een harde machtsstrijd een einde aan de Romeinse Republiek. Voor Marcus was slechts een bijrol weggelegd. Hij bleek als homo novus slechts een pion die in de strijd werd geofferd. Ook Quintus ging ten onder, in het kielzog van zijn broer.