Hop Holland hop

En steeds de hop. Zijn roep, oepoep, wordt tot vervelens toe herhaald. Hij fladdert als een vlinder met een dikke buik. Hij vouwt zijn kuifje als een waaier open en weer dicht.

Toen hij nog algemeen bekend was werd hij schijthop genoemd, of drekhaan. Iets kon stinken als een hop. Want hoppen maken hun nesten niet schoon. Bij vochtig weer begint het in die viezigheid te wemelen van de parasieten, fataal voor hun jongen.

De hop is niet geschikt voor Nederland. En Nederland niet voor de hop. Steeds minder zelfs. De ondergang van de veenmol heeft hem van een voedselbron beroofd.

Maar als je hier, nog steeds in Frankrijk, ziet hoe een hop zich aan de uitwerpselen van een koe kan wijden, als een letterkundige die zich over een kostbaar handschrift buigt, ontkom je niet aan de indruk dat ook de kwaliteit van de vlaai een rol speelt.

Onder het regime van Engels raaigras is de ontlasting van de koe verworden tot een dunne groene flots, een natte veeg op het aangezicht der aarde, die van haar huid de poriën verstopt.

De originele Hollandse koeievlaai werd door Potter op de voorgrond bij zijn Stier gelegd. Had vorm en stevigheid, het was een vlaai met korst. Er zaten vliegen op en gaatjes in, de gangetjes van larven, kevertjes. Te eten voor een hop.

Dat weet je zelf toch ook nog wel. Het weiland aan de dijk. Een koeievlaai, daar zakte je doorheen.