Handleiding uit Parijs

DE BODEM van de Nederlandse arbeidsmarkt ligt tussen tien en vijftien gulden per uur. Voor dat bedrag zijn volwassenen bereid eenvoudige huishoudelijke, ambachtelijke of dienstverlenende werkzaamheden te verrichten. Per maand komt dat uit op pakweg 1.800 gulden, ongeveer het netto-minimumloon. 'Schoon', wel te verstaan, en dat wil in veel gevallen zeggen: 'zwart'. Want met de premie- en lastendruk voor de werkgever en voor de werknemer kost een netto-inkomen van een tientje per uur maar liefst zestien gulden bruto. Dat maakt arbeid aan de onderkant duur. Zodat werkloosheid ontstaat, vrijwel niemand in Nederland officieel voor het minimumloon werkt en er tegelijkertijd een bloeiend circuit bestaat van alle mogelijke werkzaamheden die schoon worden afgerekend.

Het probleem is niet typisch Nederlands, het speelt in alle industrielanden die een omvangrijke overheid en een stelsel van sociale zekerheid onderhouden. Het vormt wel een van de structurele oorzaken van de hoge werkloosheid in de industrielanden. In de 24 landen die lid zijn van de OESO, de club van 'rijke landen' (onlangs aangevuld met Mexico als 25ste lid) loopt de werkloosheid naar de 35 miljoen mensen, in de Europese Unie naar 18 miljoen.

Een baanbrekende studie naar de wortels van de werkloosheid in het OESO-gebied wordt volgende week gepresenteerd in Parijs op de jaarlijkse ministersbijeenkomst van de lidstaten. Uit die studie komen drie verschillende modellen naar voren. De Verenigde Staten scheppen goedkope banen, met als neveneffect omvangrijke armoede. Europa biedt een vangnet van sociale zekerheid, met als prijs een hoge werkloosheid. Japan verbergt de werkloosheid in kleine familiebedrijfjes, de toeleveranciers van grote ondernemingen. Hoewel de OESO beklemtoont dat geen van die modellen een blauwdruk voor algemene toepassing biedt, heeft de Parijse organisatie niettemin aanbevelingen geformuleerd voor het beleid van alle lidstaten om de structurele werkloosheid te verminderen en de welvaartsstaat te hervormen. Dat alles moet leiden tot meer werkgelegenheid, lagere lastendruk en minder afhankelijkheid van uitkeringen.

HET RESULTAAT is een pakket aanbevelingen, waarvan onderdelen ook al in de Nederlandse discussie naar voren zijn gekomen. Het gaat om een gezonde macro-economische omgeving én een goed klimaat voor ondernemerschap, om investeringen in technologische vernieuwing én om scholing van laag-opgeleide arbeidskrachten, om flexibelere arbeidstijden én grotere prikkels tot werken, om hervormingen van het stelsel van sociale zekerheid én versoepeling van de arbeidsmarkt. Daarbij gaat de OESO zorgvuldig te werk. Hoewel de aanbevelingen sterk in de richting van grotere marktwerking en meer prikkels gaan, verliest de organisatie de samenhang tussen economische en maatschappelijke overwegingen niet uit het oog. Omzichtig geformuleerde voorstellen tot afschaffing van het wettelijk minimumloon of versoepeling van het ontslagrecht te overwegen, zodat meer banen aan de onderkant van de arbeidsmarkt kunnen ontstaan, gaan gepaard met aanbevelingen voor meer deeltijdbanen, voor grotere concurrentie tussen arbeidsbureaus en voor minder belasting op arbeid. De 'wig', het verschil tussen bruto en netto, moet vooral in Europa drastisch worden verkleind.

HET OESO-RAPPORT geeft de richting aan voor de hervormingen van de geïndustrialiseerde welvaartsstaten. Duidelijk is dat over de aanpak van de structurele werkloosheid steeds meer overeenstemming ontstaat. Eerder deze week kwamen Frankrijk en Duitsland met soortgelijke aanbevelingen en in Nederland zijn onlangs rapporten (van de commissie-Andriessen en van de Centraal-Economische Commissie, komende week volgt een rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid) met dezelfde strekking uitgebracht. Dat is goed nieuws voor Den Haag. Voor de informateurs en onderhandelaars die zich bezighouden met de sociaal-economische paragraaf van het toekomstige regeerakkoord, komt het OESO-rapport op een uitgelezen moment. Alles wijst in dezelfde richting - nu het (paarse?) regeerakkoord nog.