Gilles de Rais is grof, maar ook poëtisch

Voorstelling: Gilles en de nacht van Hugo Claus door De PaardenKathedraal. Spel: Eric Schneider. Regie: Aram Adriaanse; vormgeving: Tom Schenk; muziek: Lodewijk de Boer. Gezien: 3/6 De Manege, Utrecht. T/m 11/6 aldaar; 30/8 t/m 3/9 Frascati, Amsterdam; 7/9 t/m 17/9 Appeltheater, Den Haag.

Creativiteit en vernietigingsdrang liggen heel dicht bij elkaar: beide activiteiten gaan gepaard met sterke lustgevoelens. In die zin lijken kunstenaars wel wat op moordenaars. De PaardenKathedraal toont dat de komende weken aan in drie toneelvoorstellingen over het Kwaad in het algemeen en Satan in het bijzonder. Een demonisch drieluik sluit aan bij de tentoonstelling Duivels en demonen in museum het Catharijneconvent in Utrecht, maar de voorstellingen kunnen ook los van deze expositie bekeken worden.

Gilles en de nacht van Hugo Claus, het eerste deel van het drieluik, biedt geen gemakkelijk vertier. De regisseur, Aram Adriaanse, vermijdt elke vorm van effectbejag, misschien omdat het onderwerp al sensationeel genoeg is.

In deze monoloog laat schrijver Hugo Claus immers de lustmoordenaar Gilles de Rais aan het woord, een middeleeuwse Blauwbaard. De Rais bewaarde op zijn kasteel in Bretagne zakken vol hoofden van eigenhandig gedode kinderen. De harten, handen en ogen offerde hij aan de duivel Barron, met wie hij een pact had gesloten. Jarenlang kon hij ongestoord zijn gang gaan - totdat de Inquisitie hem in 1440 tot de brandstapel veroordeelde.

Hugo Claus baseerde zijn stuk op de notulen van het proces, maar hij verving het ambtelijke jargon door een muzikaal en persoonlijk taalgebruik. Deze Gilles de Rais, maarschalk van Frankrijk en een kunstminnend edelman, is grof gebekt maar ook poëtisch.

Zijn vertolker Eric Schneider schakelt soepel van het ene niveau naar het andere. Zo ontstaat het genuanceerde portret van een man die bang en opstandig, naïef en cynisch, vals en oprecht, beschaafd en beestachtig, bijgelovig en goddeloos, wreed en teder is. Met zijn alpinopet en sluwe oogjes lijkt hij op een Franse boer, maar hij gedraagt zich als een heer die eraan gewend is op zijn wenken bediend te worden. Zelfs in de rechtszaal vraagt de moordenaar nog op hoge toon om een glas kwaliteitswijn.

Maar zit Gilles de Rais wel in een rechtszaal? De immense ruimte, met zand op de vloer en een aarden wal in het midden, heeft iets onbestemds. Ze is aards en surrealistisch tegelijk en daarmee weerspiegelt ze Gilles' gemoedsgesteldheid. Platvloerse beschuldigingen aan het adres van de kerk en destaat worden afgewisseld met diep uit het onderbewuste geviste herinneringen. Steeds opnieuw smeekt Gilles om een teken van God, of van de duivel, maar daarboven blijft het stil.

Hoeveel Gilles ook praat, de motieven voor zijn moordlust blijven onopgehelderd. Gek genoeg blijkt dat achteraf juist het grote pluspunt van een voorstelling die lang nawerkt zonder opdringerig te worden.