Feministisch advocate mr. Gabi van Driem: Mannen worden nooit helemaal volwassen

Deze week begon het gerechtshof in Arnhem aan het hoger beroep in de Eper incestzaak. De advocate mr. Gabi van Driem behartigt de belangen van het slachtoffer. Zij pleit uitsluitend voor vrouwen, mits dat niet ten koste gaat van andere vrouwen. Portret van de feministisch advocate die het straatverbod uitvond.

Sinds Gabi van Driem (42) in 1981 als eerste in Nederland een feministische advocatenpraktijk begon, maakte ze furore als een jurist die zich exclusief voor vrouwen inzette, voor bedreigde en mishandelde echtgenotes, slachtoffers van seksueel geweld, onderbetaalde of ontslagen werkneemsters, kortom: voor de vrouwelijke 'underdog'. Ze bedacht in 1982 het 'straatverbod' voor mannen die hun ex-vrouw lastig vallen - een verbod dat nu, evenals het contact-, het telefoon- en schrijfverbod op grote schaal in de rechtspraak wordt toegepast - en ze voerde verschillende geruchtmakende proefprocessen, bijvoorbeeld tegen een werkgever die een sollicitante niet aannam omdat ze zwanger was.

Niet àlle vrouwen konden op haar juridische bijstand rekenen. Als het even kon vermeed Van Driem vrouwen te verdedigen die verwikkeld waren in een proces tegen een andere vrouw. Haar uitgangspunt was het verbeteren van de positie van de vrouw in de maatschappij en dat mocht niet ten koste gaan van andere vrouwen. Maar ze heeft haar uitgangspunten in de afgelopen jaren een beetje moeten bijstellen: “Ik heb nu te maken met een hulpverleenster die wordt geterroriseerd door een patiënte en daar treed ik wel tegen op. Vroeger had ik een idealistisch beeld van vrouwen. Ik dacht altijd - en daar geloof ik nog steeds in - dat mannen nooit helemaal volwassen worden. Ik verwachtte meer van vrouwen, maar ik ben er wel achter gekomen dat niet alle vrouwen even sympathiek en aardig zijn.”

In een artikel klaagde u dat het feminisme alleen nog aanhangers heeft onder veertig-plussers en dat jonge vrouwen, verblind door hun carrièremogelijkheden, zich er nauwelijks meer voor interesseren.

“Zelfs onder veertig-plussers zijn de feministen dun gezaaid. Natuurlijk betreur ik dat, maar vergis je niet: het feministische gedachtengoed is in alle lagen van de maatschappij doorgedrongen. Vrouwen van mijn generatie werden nog opgevoed met het idee dat het belangrijk was om een rijke man te trouwen, voor meisjes van nu is het vanzelfsprekend dat ze hun eigen boterham verdienen.”

Later in het gesprek, als het feminisme opnieuw aan de orde komt, roept ze vertwijfeld: “Ik ben een beetje bang dat dit zo'n stuk wordt van: ach, die arme feministische advocate, wat moet ze met haar idealen nu de vrouwenbeweging zo goed als dood is. Maar ik heb in mijn praktijk allerlei vrouwen bediend, of het nu feministen waren of niet. Een feministisch advocate is iets anders dan een feministisch schrijfster. Ik ben niet voortdurend bezig een boodschap uit te dragen. Bij rechtzittingen sta ik heus geen exposé's te houden over de vrouwenonderdrukking in Nederland. Wat ik in mijn pleidooien vertel, heeft natuurlijk wel te maken met mijn feministische wortels en mijn achtergrond in de sociale rechtshulp.”

Toen ze in 1973 haar rechtenstudie had voltooid, werkte Gabi van Driem eerst bij het Jongeren Advies Centrum in Amsterdam en vervolgens bij 'Eva bijt door', waar ze vormingswerksters in de vrouwenbeweging begeleidde. Ze was betrokken bij de oprichting van de eerste Rechtswinkel, van de actiegroepen Vrouwen tegen verkrachting en Blijf van mijn lijf en van het Amsterdamse Vrouwengezondheidscentrum. Terugkijkend op de jaren zeventig, waarin ze geheel door de vrouwenbeweging werd geabsorbeerd, zegt ze: “Ik heb nooit geaarzeld over het belang van die beweging. In sommige groepjes heerste wel een sektarische sfeer en ik heb mezelf toen ook weleens de onzinnige vraag gesteld of ik niet lesbisch moest worden - een echte feministe vrijde niet met mannen - maar ik hoorde duidelijk niet tot de meest fanatieke stroming.”

U heeft zich in uw praktijk vaak ingespannen voor vrouwen die het slachtoffer waren van seksueel geweld. Zou een moeder die haar zoon misbruikt heeft een beroep op u kunnen doen?

“Nee, die moeder zouden we niet helpen.”

En de zoon dus ook niet, want dat is een man.

“In uitzonderingsgevallen treden we ook op voor mannen. Dus de zoon zou hier wel kunnen aankloppen.” Ze zegt het aarzelend en ze voegt eraan toe dat ze onlangs een man adviseerde die slachtoffer was van ontucht in een tehuis. “Dit kantoor is opgezet als een sociale advocatenpraktijk die zich richt op vrouwen. Maar er is de laatste jaren wel wat veranderd. Ik ben nu bijvoorbeeld opgetreden voor een bedrijf dat een man wilde ontslaan die wegens aanranding was veroordeeld. Tien jaar geleden zou het ondenkbaar zijn dat ik het als advocaat voor een bedrijf opnam. De beweging van de sociale advocatuur was toen nog zo sterk dat je uitsluitend voor werknemers optrad en niet voor werkgevers. Het is nu financieel niet haalbaar meer om je tot de sociale advocatuur te beperken. Niet alleen omdat het uurtarief laag is, maar ook omdat minder mensen een beroep kunnen doen op gratis rechtsbijstand. Sinds de nieuwe regeling van kracht werd, komen alleen mensen die minder dan 2100 gulden netto verdienen daarvoor in aanmerking. Het is opvallend dat ik sindsdien geen enkele gelijke behandelingszaak meer heb gekregen: nu ze zelf de advocaat moeten betalen kunnen veel vrouwen zich niet permitteren om zo'n zaak aanhangig te maken.”

Toch begrijp ik niet dat de moeder die haar zoon seksueel misbruikt heeft bij uw kantoor aan een gesloten deur klopt. Ze is een vrouw en misschien heeft ze wel een incestverleden, zoals veel voorkomt bij seksueel-geweldplegers.

“Als we haar al kenden als een incest-slachtoffer, zou het anders liggen en dan zouden we het wel overwegen. Maar stel dat ik zo'n vrouw verdedigde en ze zou me vragen: 'Zorg dat ik vrijspraak krijg', terwijl ik weet dat ze wel degelijk schuldig is, dan zou ik antwoorden: 'Nee, want u heeft het wel gedaan.' Dan was ik dus geen goede advocaat.”

U heeft gezegd: 'Ik treed alleen op voor zaken waar ik achter kan staan, voor mensen in wier streven naar rechtvaardigheid ik geloof.' In deze krant werd u er van beschuldigd dat u geen advocate bent, maar een actievoerster.

“Dat vind ik wel een compliment, een actievoerster mag ik graag zijn. Maar ik ben ook een advocaat. Ik denk dat ik door mijn wijze van advocatuur bedrijven bij veel rechters de ogen heb geopend voor misstanden in de rechtsgang, vooral als het gaat om de positie van slachtoffers van seksuele misdrijven. En besef wel dat iedere advocaat het recht heeft om zaken te weigeren. Daar hoef ik me niet voor te verantwoorden. Ik kan me persoonlijk niet voorstellen dat er advocaten zijn die zich gespecialiseerd hebben in de verdediging van verkrachters. Maar ze zijn er wel. Ze weten dat ze mensen uit de gevangenis houden die hartstikke schuldig zijn. Door de geloofwaardigheid van het slachtoffer in twijfel te trekken, proberen ze voor de rechter aannemelijk te maken dat het bewijs niet deugt en bepleiten ze vrijspraak voor de verdachte. Als advocaat werk je er dan aan mee dat iemand die gevaarlijk is op vrije voeten blijft.”

Dat vindt u dus moreel verwerpelijk. Toch hebben ook deze mensen recht op verdediging.

“Ja, maar daar zijn genoeg advocaten voor te vinden. Wat ik niet begrijp, is dat deze advocaten nooit verantwoording willen nemen voor wat ze bereiken: ze krijgen een verkrachter vrij en ze weten dat hij zich opnieuw schuldig zal maken, want vaak gaat het om mannen die zelf als kind misbruikt zijn.”

Over de St. Augustinusga-zaak, waarbij een vader onlangs door zijn dochter beschuldigd werd van moord op een door incest verwekte baby, wil Gabi van Driem niets zeggen omdat ze het dossier niet kent. Wel wil ze kwijt dat ze zelf als advocate niet bij deze zaak betrokken zou willen zijn - als de dochter haar vroeg om haar in de strafzaak te ondersteunen, zou ze dit weigeren. Ze vindt de zaak te weerzinwekkend: “Ik heb veel eelt op mijn ziel, maar hier kan ik niet meer tegen. Vroeger, toen ik zelf kleine kinderen had, behartigde mijn compagnon, Karin Spaargaren, de zaken waarbij misbruik van kinderen in het geding was. Nu ze zelf een dochtertje heeft, gaat het haar ook moeilijker af.”

In de Epe-zaak treedt u op als advocate van Evelien. U noemde het boek dat haar zusje Jolanda publiceerde 'walgelijk' en u zei dat u het niet wilde lezen.

“Nee, ik kan het niet lezen. Ik moest al bijna kotsen bij het strafdossier. Ik ken deze cliënt en ik weet wat er waar kan zijn van haar verhaal en wat niet. Ik vind het afschuwelijk dat mensen zo'n boek willen lezen, het heeft iets voyeuristisch om kennis te nemen van al die details.”

De aangifte van Evelien, die haar ouders evenals Jolanda beschuldigde van verkrachting en baby-moord, is door Justitie terzijde gelegd. U heeft namens Evelien bij het Hof geëist dat haar aanklacht alsnog in behandeling wordt genomen.

“De officier van Justitie heeft door alle problemen rondom Jolanda die hele Evelien vergeten, hoewel zij de oudste is en het bij haar allemaal is begonnen. Ik verwacht dat men haar aanklacht alsnog serieus zal bestuderen. Er is in deze zaak tenslotte een hele rits mensen die nog niet is vervolgd.”

De door Evelien afgelegde verklaringen zijn door de getuigen-deskundigen, onder wie prof. dr. W.A. Wagenaar 'niet betrouwbaar' genoemd. U heeft zich erg opgewonden over de rol die Wagenaar bij dit proces speelde.

“Wagenaar had nooit als deskundige mogen optreden. Hij heeft zelf een ochtend lang de politie geïnstrueerd hoe ze deze zaak moest aanpakken. Je kunt niet van twee wallen eten: eerst de politie instrueren en dan de politierapporten als een onafhankelijk deskundige gaan bekritiseren. Ik neem hem ook kwalijk dat hij insinuerende vragen stelde: of het slachtoffer een ziekelijke zucht heeft een ander te beschuldigen. Dat gaat me te ver.”

U heeft er vaak voor gepleit om bij strafzaken over seksueel geweld de bewijslast om te draaien: het slachtoffer hoeft dan niet te bewijzen dat iets gebeurd is, maar de verdachte moet aantonen dat iets niet is gebeurd.

“Vaak is er genoeg reden voor een rechter om aan de verdachte te vragen: Ik vind dit ongeloofwaardig, toont u het maar aan. Hij kan bijvoorbeeld tegen de verdachte zeggen: 'Deze mevrouw beweert dat ze verkracht is, er zijn zaadsporen gevonden en ze vertelt dat u een vreemde voor haar bent. U beweert daarentegen dat u al lang een relatie met haar had en dat er sprake was van vrijwillig seksueel contact. Toont u dat maar aan.' Het is helaas nooit voorgekomen dat een rechter dit vroeg, hoewel het in dit soort gevallen redelijk zou zijn, temeer daar het wél hebben van een relatie makkelijker te bewijzen valt dan het niet hebben. Het slachtoffer van seksuele misdrijven zit altijd met het probleem dat het bewijs moeilijk te leveren is, omdat het zich meestal in het verborgene afspeelde, binnenshuis of in de bosjes. Naarmate de rechterlijke macht meer kennis heeft van de geestelijke schade die slachtoffers van seksueel geweld oplopen, denk ik wel dat men meer begrip voor hen krijgt en dus eerder geneigd zal zijn tot het omkeren van de bewijslast. Vergeet niet, dat het aantal valse aangiftes op dit gebied bijzonder klein is.”

In de Verenigde Staten is veel te doen over het FMS: het False Memory Syndrome. In therapieën zouden mensen gestimuleerd worden om zich dingen te herinneren - ook verkrachtingen en aanrandingen - die nooit zijn gebeurd.

“In Amerika wordt alles wat met seksualiteit te maken heeft altijd zo raar uitvergroot. Natuurlijk zal dit weleens zijn voorgekomen en het is ook bekend dat het geheugen maar beperkt functioneert, dus dat je het kunt manipuleren. Maar als het zo was dat je mensen zich alles kon laten inbeelden, dan kon je ze zich ook laten inbeelden dat ze helemaal niks mankeren. Dat zou wel handig zijn, dan had je de hele psycho-therapie niet meer nodig. Ik heb nog nooit gemerkt dat een slachtoffer van seksueel geweld iets was aangepraat. Sterker: ik heb juist de indruk dat therapeuten er goed doorheen weten te prikken wanneer iets verzonnen is.”

Als ik de affaire van Paula Jones versus Bill Clinton ter sprake breng - Jones eist een schadevergoeding van 700.000 dollar omdat Clinton haar drie jaar geleden op zijn hotelkamer riep, avances maakte en alvast zijn broek liet zakken - begint Gabi van Driem te lachen: “Ik verbaas me nergens meer over. Men dacht dat Jacky Kennedy een droomhuwelijk had, maar ook die meneer ging vreemd. Het aantal mannen dat nooit volwassen wordt, is bijzonder groot. Het verhaal van Jones zou waar kunnen zijn. Clinton is nu eenmaal een man. Als morgen in de krant staat dat Van Agt of Van Mierlo een secretaresse in de billen heeft geknepen, zou me dat ook niet verbazen. Als ik het goed begrijp, is er bij Jones en Clinton verder niets gebeurd. Het gaat wel ver om er geld voor te eisen, hoewel ik niet meteen kan zeggen dat deze zaak belachelijk is.

“Ik heb hier ook wel cliënten gehad met een verhaal waarvan ik dacht: dat kan niet waar zijn. Er was bijvoorbeeld een meisje dat haar psychiater beschuldigde van verkrachting. Ik dacht: het kan niet. Er was ook te weinig bewijs. Maar een paar jaar later kwam een ander meisje, dat mijn cliënte niet kende, met een klacht over diezelfde psychiater. Toen bleek het toch waar te zijn.” Ze vertelt dat de psychiater in kwestie alleen een schadevergoeding betaalde, nooit gestraft is en nog steeds zijn praktijk uitoefent: “Toen dit speelde bestond het wetsartikel nog niet waarin gesteld wordt dat een arts ontucht pleegt als hij met een patiënte naar bed gaat. Dat is er pas in 1991 doorgekomen.”

De kamer waarin Gabi van Driem mij te woord staat, is te knus voor een kantoor en te kantoorderig voor een woonkamer. Het is een werk-, spreek-, annex televisie-kamer. Op een plank in de boekenkast staat een foto van een imposante dame wier lichaam schuilgaat achter een uitwaaierende bos witte struisvogelveren. Het blijkt haar grootmoeder te zijn, over wie ze, zoals ze vertelt, bezig is een roman te schrijven. “Ze stierf in 1985 tijdens de strafzaak tegen de aanrander-met-de-hond. De foto is in 1925 genomen in Berlijn, waar ze toen een bekende operazangeres was. Ze heette Trude Koch, ze was de moeder van mijn moeder. Ze kwam uit een eenvoudig Pools milieu en trouwde met een rijke joodse arts. In 1937 zijn ze naar Nederland gevlucht, ze heeft mijn grootvader de oorlog doorgeloodst en werd toen, na de oorlog, door hem gedropt, hij liet haar in de steek. Ze verkeerde in een groep van joodse emigrantenvrouwen van wie de mannen vermoord, vergast, dood waren. Die grootmoeder heeft mij voor een groot deel opgevoed. Ze was een bron van warmte en ze was bijzonder origineel, een eenling. Zo zie ik mezelf ook, als een eenling: ik heb me altijd weinig aangetrokken van de groepen waarin ik verkeerde en ik vond het heerlijk toen ik een eigen kantoor kon beginnen.”

Tijdens haar middelbare schooltijd aarzelde Van Driem tussen het conservatorium , waar ze piano wilde studeren, of de kleinkunstacademie. De rechtenstudie werd haar min of meer door haar ouders opgedrongen. “De eerste jaren dat ik advocaat was, had ik nog weleens spijt dat ik niet naar het conservatorium was gegaan. Mijn zusje had dat wel gedaan, ze geeft viool- en zangles en daar benijdde ik haar om. Als jurist ben je altijd rationeel bezig en ik kom uit een irrationeel muziek-gezin. Mijn moeder had meegemaakt hoe mijn vader, die tweede concertmeester was in het Concertgebouw Orkest, niet altijd naar waarde werd geschat. Hij zat altijd achter Jo Juda, terwijl hij ook wereldberoemd had willen zijn. Misschien dat ze me dat wilden besparen. Mijn vader vond ook dat ik niet fanatiek genoeg was voor een muziek-carrière.”

Als advocate lijkt het u niet aan fanatisme te ontbreken.

“Nee, niet als ik voor iets moet vechten. Maar ik ben niet rechtlijnig, ik heb veel interesses. Alle weekends trek ik me met mijn gezin terug op het platteland, ik neem dan geen dossiers mee, maar werk in de tuin, speel piano, schilder en ets. Ik moet altijd iets creëren. Ik schilder portretten. In de rechtzaal sta ik, als het lang duurt, altijd de rechters na te tekenen.”

Ze vertelt dat toen ze in 1981 haar feministische kantoor had geopend, er al snel een enorme toeloop was. “Na drie weken was het ook meteen raak: de Stichting Ombudsvrouw deed een beroep op me voor het kort geding tegen de Haagse keuringsarts die vrouwen in billen en borsten kneep.” In 1982 wist ze het eerste straatverbod te bewerkstelligen. Tien jaar later, in 1992, zei ze in haar Aletta Jacobs-lezing over 'Vrouw en recht' dat de “gigantische stroom van bedreigde vrouwen” die in kort geding een straat- of contactverbod eisen “nog steeds niet teneinde is”. Op mijn vraag hoe vaak dergelijke verboden worden opgelegd, zegt ze: 'Het loopt als een trein. Het is een maatregel die zijn nut heeft bewezen. Het gaat vaak om lovers die hun speelgoed kwijt zijn, mannen die niet kunnen verwerken dat hun vriendin het heeft uitgemaakt. Maar er zijn ook andere omstandigheden waarin zo'n verbod zin heeft, denk aan het museumverbod voor de man die het doek van Barnett Newman vernielde. Het is vreemd dat een dergelijke ordemaatregel in de omringende landen niet bestaat. Ik hield onlangs in Zwitserland een lezing waarin het straat- en contactverbod ter sprake kwam. De advocaten zaten me met open mond aan te staren: daar had men nog nooit van gehoord.”

In een beschouwing over 'gefeminiseerd recht' schreef u dat het slachtoffer van een misdrijf zich bij een strafzaak vaak in een abominabele positie bevindt en de verdachte juist in de watten wordt gelegd. U voegde daaraan toe: 'Dit geeft overduidelijk aan hoezeer juridische normen verknocht zijn met de positie van de machtigste in de samenleving.' U bedoelt: met de positie van de man. Onder de slachtoffers bevinden zich ook mannen.

“Waar het om gaat is dat verreweg de meeste verdachten mannen zijn. Vrouwen plegen nu eenmaal minder misdrijven. Maar los daarvan is het een feit dat het wetboek door mannen werd gemaakt in een tijd dat vrouwen nog niet als gelijkwaardige wezens golden. De bepaling over de handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw werd pas eind jaren vijftig opgeheven. In het bijzonder bij zedendelicten is de wetgeving niet geëquipeerd om slachtoffers het gevoel te geven dat hun belangen door de officier van justitie goed worden behartigd. Vaak komen ze op de rechtzitting nauwelijks aan bod, hun beeld vervaagt en dan kan de indruk ontstaan dat niet het slachtoffer maar de verdachte de zielepiet is.”

Is dat de reden dat u deze slachtoffers aanraadt een civiele procedure te starten, waarin ze een schadevergoeding kunnen eisen?

“Ja. Bij zo'n procedure heeft het slachtoffer een gelijkwaardige positie : zij stelt eisen, ze kan bepalen welk bewijsmateriaal ze hanteert, wie als getuigen of deskundigen worden opgeroepen en ze is niet afhankelijk van de politie en de officier van justitie.”

U heeft veel gepubliceerd in het tijdschrift Nemesis. Nemesis was de godin van de wraak. Is dit wel een passende titel voor een tijdschrift over 'vrouw en recht'?

“Nee, die titel deugt niet. Wraakgevoelens horen bij de rechtspraak geen rol te spelen, evenmin als het principe oog om oog, tand om tand.”

Toch heeft u vaak begrip getoond voor die gevoelens en er zelfs argumenten aan ontleend. In een pleidooi voor een gedwongen Aids-test bij verkrachters schreef u dat deze test tegemoet komt 'aan de behoefte een daad te stellen die de dader diep in zijn psyche/integriteit treft.'

“Ik had dit argument inderdaad niet nodig, er waren ook betere argumenten. Maar vrouwen die verkracht zijn, ondervinden daar jarenlang de gevolgen van, ze hebben een wraakgevoel, dat valt niet te ontkennen. Mijn ervaring is dat hun wraakzucht afneemt wanneer hun zaak zorgvuldig wordt onderzocht en behandeld, wanneer ze niet meteen in de hoek van de leugenaarster worden gedreven.”

Kort geleden voorspelde u dat er nog veel incestzaken boven tafel zullen komen, zoals het misbruik van jonge kinderen door oudere zoons in grote katholieke gezinnen.

“De laatste jaren heb ik veel te maken gekregen met incest in gezinnen waarin oudere zoons een machtspositie hadden. In die gezinnen werd weinig over gevoelens gepraat en er bestond een duidelijke hiërarchie tussen broers en zusjes. Maar incest komt werkelijk in alle lagen van de samenleving voor. Overal waar mensen macht hebben kan ook seksualiteit een rol spelen, of het nu binnen het gezin is of op het werk. Ik heb altijd geprobeerd me open te stellen voor de meest ongelooflijke gebeurtenissen, waarvan je hoopt dat ze niet waar zijn.”

Ze vertelt dat ze zich de laatste tijd minder bezighoudt met zaken die een zwaar emotioneel beroep op haar doen, zich meer richt op het arbeidsrecht en op het adviseren van vrouwen in management-functies: “Ik ben meegeëvolueerd met vrouwen die opgeklommen zijn naar hogere posities. Ik werk nu meer voor betalende dames. Op een goed moment kun je je niet meer tot de underdog beperken.”

Als ik haar aan het eind van het gesprek vraag of ze, met haar ervaringen, 's avonds alleen over straat durft, kijkt ze verrast op. “Ik heb een hond die heel discriminerend is en blaft tegen alles wat er anders uitziet. Ik ben een keer door twee jongens aangevallen in het Vondelpark toen ik daar 's avonds om een uur of negen met een vriendin liep. Ik was zo woedend, dat ik een van die knullen in zijn gezicht mepte nog voordat ik zag dat hij een mes had getrokken. We wisten te ontkomen en deden aangifte. Toen bleek dat een van die jongens kort daarvoor een andere vrouw had verkracht. Zes jaar later dacht ik over die gebeurtenis heen te zijn. Ik was in de provincie en ik liep met de hond het bos in. Daar kwam ik weer twee kerels tegen, die smerige opmerkingen maakten. Ik was verlamd van angst, maar er gebeurde niets.”