Euro-dualisme moet Major in het zadel houden

LONDEN, 4 JUNI. “Backing Britain in Europe.” Het brein dat die leus op het campagnehoofdkwartier van de Britse Conservatieve Partij heeft uitgedacht, is duivels slim. John Major laat zich graag fotograferen onder posters met deze tekst. De tweeslachtigheid ervan staat, al naar gelang de Europese gezindheid van zijn toehoorders, een wisselende uitleg toe. Hij verenigt én de idee van “Britse soevereiniteit” én die van “Groot-Brittannië in het hart van Europa”.

De campagne voor de Europese verkiezingen gaat hier om de vraag hoe lang het de Conservatieve Partij nog zal lukken als regeringspartij in het zadel te blijven. De vraag naar de politieke toekomst van John Major als Conservatief leider, en daarmee als premier, hangt daarmee ten nauwste samen.

Na de vernederingen van de afgelopen tijd - vooral die in de uitslag van de lokale verkiezingen afgelopen maand - konden de Tories zich vrijdagmorgen verbijten over het resultaat van een opiniepeiling, die hun een positie van derde partij toeschreef: 33 punten achter Labour en een half procent achter de Liberale Democraten. Dat was, na het verlies van 400 zetels in de lokale verkiezingen, alweer een historisch dieptepunt. Het lijkt of de Britse kiezers vast van plan zijn de regerende partij te laten voelen dat het háár beleid is, dat ze niet langer pruimen. Voor zover ze bereid zijn in de Europese verkiezingen hun stem uit te brengen - en tweederde van het electoraat is dat hier bij traditie niet - beschouwen ze 9 juni als de dag van een referendum over nationale bekommernissen en daarmee over Majors prestaties. Om precies die reden doet de premier alle moeite de campagne op Europees niveau te houden - een enkele onhandige uitglijer over het groeiend leger bedelaars die een “aanstoot voor het oog” zijn, daargelaten.

De afgelopen week liet zien hoe Major tot de conclusie is gekomen dat er stemmen te winnen zijn door tegemoet te komen aan het groeiend Euroscepticisme bij de Britse bevolking. Toevallig tegelijk met een opiniepeiling in de Financial Times, die uitwees dat Britten, Denen en een groeiend aantal Duitsers tot de grootste Eurosceptici onder de Europese bevolking gerekend kunnen worden, hintte Major in navolging van de Franse minister Lamassoure welbewust naar de mogelijkheid van een Europa-op-twee-snelheden, waarbij Groot-Brittannië zich niet zou schamen haar eigen vorm en tijdstip van samenwerking met de Europese partners te kiezen. Het is het soort dreigtaal dat uiteindelijk in Europa zelf nooit - zie de hoog opgespeelde rel over de verdunning van het vetorecht - met daden kracht wordt bijgezet, maar op korte termijn kan het Eurofobe kiezers verleiden dan toch maar te stemmen op de Conservatieven, omdat zowel Labour als de Liberalen een pro-Europees standpunt innemen.

Dr. John Barnes, lector politicologie aan de London School of Economics, wijst erop dat de Conservatieven (32 zetels in het Europese Parlement, met Labour 45 en de Liberale Democraten geen) “zéér kwetsbaar” zijn in hun gevecht om het behoud van hun traditionele kerngebied: het zuiden van Engeland. “Een gele vloedgolf” (geel is de kleur van de Liberale Democraten) heeft daar nu al op lokaal en regionaal niveau het Tory-blauw vervangen, terwijl Labour in Londen en het gebied ten noorden daarvan de belangrijkste belager is. Omdat Britse kiezers - met uitzondering van die in Noord-Ierland - ook in de Europese verkiezingen volgens het districtenstelsel stemmen (de kandidaat met de meeste stemmen wint, alle andere stemmen gaan verloren) spant het er in de zuidelijke kiesdistricten om of de Conservatieve MEP's hun zetels net zullen kunnen behouden. Elk behoud zal, na de sombere voorspellingen over een zetelverlies van misschien wel vijftig procent voor de Tories, door de Conservatieve partij-machine om propagandistische redenen als een massale overwinning worden afgeschilderd. Dat zal de onmiddellijke pressie van John Major afnemen: bij een redelijke uitslag wordt de kans op een algemene gooi naar zijn positie als leider iets minder waarschijnlijk. Barnes taxeert de kans op een leiderschapswedloop in november, het eerst mogelijke moment, overigens nog steeds op zestig tegen veertig procent.

Waar een zorgvuldig vlak gehouden Conservatief verkiezingsmanifest de vertegenwoordigers van pro- en anti-Europeanen in de partij in staat stelt elk op grond van tegengestelde interpretaties over de komst van één Europese munt of van een nog federaler Europa campagne te voeren, zijn de Liberale Democraten de meest pro-Europese partij van allemaal. In 1989, bij de laatste Europese verkiezingen, was de partij bezig te fuseren met alle bijbehorende ruzies vandien. Mede daardoor haalde zij niet meer dan vier procent van de stemmen en eindigde ze vierde, achter de Groenen, die met een verrassende vijftien procent gingen strijken. Sindsdien zijn de Groenen intern gespleten: ze spelen nu geen rol van betekenis meer. Door het eerste-over-de-streep-kiesstelsel had hun aanhang zich toch al niet vertaald in zetels: de vijftien procent aanhang vertaalde zich in één zetel. De Liberale Democraten, die met de afgang van de Groenen hun voordeel zullen doen, kunnen volgens professor Patrick Dunleavy, een andere politicoloog van de LSE “al in hun handen knijpen als ze dit keer een of twee zetels binnenhalen”.

De Labour Party poogt hard zich te concentreren op de Europese verkiezingen, maar is in feite bezig met de vraag wie haar nieuwe leider wordt, nu John Smith zo onverwachts is overleden. Elke uitlating van één van de veronderstelde kandidaten voor de post in het kader van de Europese verkiezingen wordt daarom vooral doorgelicht op dat aspect - en leidt daarmee de aandacht af van het onderwerp “Europees parlement”.

John Major heeft de beide oppositiepartijen ervan beschuldigd dat ze het Britse belang zouden “uitverkopen” in Europa door elke keer blindelings met de meerderheid mee te gaan, alleen om niet uit de boot te vallen. Labour pareert die aanval door zijn kruit droog te houden over de wenselijkheid van één Europese munt of over handhaving van het bestaande vetorecht. In plaats daarvan vormen Labour en de Liberale Democraten één front waar ze de premier verwijten dat hij de Britse invloed in Europa verspeelt, door thuis steeds de flinke jongen uit te hangen en “Brussel” de schuld te geven, terwijl hij de collega-staatshoofden in Brussel verzekert dat hij “in het hart van Europa” mee wil beslissen over de toekomst van de Unie.