Een leven vol christelijk lijden; Paus Paulus VI (1897-1978)

Peter Hebblethwaite: Paul VI. The first modern pope 749 blz., geïll., Harper Collins 1993, ƒ 110,10

Giovanni Battista Montini werd ruim tachtig jaar, waarvan de laatste vijftien werden vervuld als paus Paulus VI. Een boek van zevenhondervijftig pagina's over de man en zijn tijd zou zich in details kunnen verliezen en een boodschap zou erin kunnen verdwalen. Maar de getrainde Vaticanist Hebblethwaite heeft geen boodschap, anders dan recht te doen aan het pontificaat van Paulus VI, dat van twee kanten onder druk staat. Enerzijds is er de slagschaduw van de aanbeden Johannes XXIII, anderzijds is er Johannes Paulus II, die de erfenis van Paulus voortvarend wegwerkt.

Het zijn geen ideale omstandigheden voor een afgewogen oordeel en het is enigszins teleurstellend dat de schrijver de biografie afsluit met de laatste adem van Paulus VI op 6 augustus 1978 in Castelgandolfo. Op z'n minst had hij nog kunnen analyseren wat er met Paulus' geestelijke erfenis is gebeurd. In de inleiding schrijft Hebblethwaite dat deze voor een groot deel ontmanteld is, maar zonder verdere toelichting. Van de recent in hevigheid toenemende pogingen tot zaligverklaring van deze paus maakt hij slechts zeer terloops melding.

Met deze biografie is het laatste woord nog niet gezegd over Paulus VI, hoewel geen pontificaat zo uitvoerig is gedocumenteerd als juist dit. Daar staat het Istituto Paolo VI te Brescia borg voor. Hebblethwaite is nu met zijn boek gekomen omdat hij diverse betrokkenen nog zelf heeft kunnen spreken. Zijn boek is geen hagiografie, maar wie er acht jaar aan werkt vat vanzelf sympathie op voor de hoofdpersoon. Waarom Paulus in de ondertitel 'the first modern pope' heet, is niet duidelijk: in het hele boek komt de 'moderniteit' van de paus maar amper en dan nog betwistbaar ter sprake.

Montini werd op 26 september 1897 in Brescia geboren. In 1916 besluit hij naar het seminarie te gaan, maar door de oorlogsomstandigheden blijft hij thuis wonen. Overigens vonden zijn oversten de opleiding in het seminarie ook te zwaar voor de fragiele jongen; nog op latere leeftijd werd er van hem gezegd: 'Hij was nooit echt ziek, maar ook nooit echt gezond.' Na zijn priesterwijding op 29 mei 1920 studeerde hij kerkgeschiedenis aan de Sapienza in Rome. Anderhalf jaar later zag de kerkleiding aanleiding hem over te plaatsen naar de Kerkelijke Academie, het 'diplomatenklasje'.

In 1923 werd hij zonder officiële aanstelling naar de nunciatuur in Warschau gestuurd. Ook de eerste taken in Rome daarna legden geen al te zwaar beslag op de boekenwurm: op het staatssecretariaat kreeg hij een nutteloos baantje op de onderste sport en de pastorale zorg voor de studenten toebedeeld. De betekenis van het laatste nam pas toe, toen hij landelijk kapelaan was van de Federazione degli Universitari Cattolici Italiani (FUCI) en Mussolini alle andere oppositiegroepen al onmogelijk had gemaakt. Na het verbod ook op de FUCI gingen de leden door onder de onschuldige benaming Movimento Laureati, waar Montini mensen leerde kennen als Andreotti en Aldo Moro.

Inmiddels draaide Mussolini de duimschroeven aan: het Vaticaan betaalde een hoge prijs voor de Lateraanse verdragen en het Concordaat van 1929. Montini vond dat ze werden afgesloten met de verkeerde regering, op het verkeerde moment en zonder instemming van de bevolking. Artikel 24 had het Vaticaan monddood gemaakt waar het ging om Italiaanse aangelegenheden, zoals de inval in Abessinië. Als bemiddelaar in conflicten had de Volkenbond de prerogatieven overgenomen, en daar was de Heilige Stoel niet eens lid van. De bezorgdheid over de ontwikkelingen in Duitsland was echter onomwonden in de kanselbrief Mit Brennender Sorge, die op Palmzondag 1937 in alle Duitse katholieke kerken werd voorgedragen.

Later dat jaar maakte Montini promotie tot tweede man van het staatssecretariaat, direct ondergeschikt aan staatssecretaris Eugenio Pacelli en ambtshalve raadsheer van het H. Officie en van de Congregatie voor de Bisschoppen, lid van de Apostolische Signatuur, het opperste gerecht, en secretaris van de Rekenkamer. Het betekende zijn verhuizing naar het pauselijk paleis en bracht het dagelijks contact met buitenlandse ambassadeurs met zich mee. De dood van paus Pius XI op 10 februari 1939 en de verkiezing van Pacelli tot Pius XII veranderde Montini's situatie niet: hij zag Pacelli toch al dagelijks.

De oorlog veranderde het leven wel ingrijpend: alle ambassadeurs bij de H. Stoel moesten Rome verlaten en in het Vaticaan komen wonen, dat daardoor “een claustrofobisch eiland van neutraliteit in een land in oorlog” werd. Er was de voortdurende vrees voor overrompeling en gijzeling van de paus en zorg voor de gelovigen. “De oorlogsomstandigheden noopten het Vaticaan tot taalgebruik waar dat van het orakel van Delphi glashelder bij lijkt.” Inmiddels hadden de diplomaten Montini leren kennen en waarderen en zij hielden hem op de paus na voor de belangrijkste persoon in het Vaticaan. Het einde van de oorlog stelde de Kerk onmiddellijk voor de zorg te voorkomen dat het IJzeren Gordijn ook werkelijk zou worden dichtgetrokken.

Na zijn lange verblijf in Rome werd Montini eind oktober 1954 benoemd tot aartsbisschop van Milaan. Na de wijding in de Sint Pieter applaudisseerden de Milanezen, een eer die enkel de paus toekomt. Montini was nog niet eens pastoor geweest en kreeg nu de leiding over duizend kerken, vijfentwintighonderd priesters en 3,5 miljoen zielen in de 'Italiaanse microkosmos'. In Milaan was de secularisering begonnen, maar Montini wist daar wel raad mee. Hij bouwde, restaureerde en heropende kerken, ging met zijn reisaltaartje naar de arbeiders en hield zijn priesters voor: 'Je moet ze leren hoe je moet bidden'. De ter plaatse geldende Ambrosiaanse rite hield hij in stand en in Milaan onderhield hij veelvuldig contact met andere religieuze stromingen, binnen en buiten Italië.

Pius XII overleed op 9 oktober 1958, op 28 oktober was paus Johannes XXIII Roncalli uitverkoren. De eerste kardinaal die hij aanstelde was Montini, die daarmee lid werd van de Romeinse Curie. De paus zat er nog geen drie maanden of hij kondigde een oecumenisch concilie aan. Vaticanum I was dan wel door de Italiaanse eenwording voortijdig afgelopen, maar het enige overgebleven agendapunt van toen (1870) rechtvaardigde amper een compleet Concilie. Een 'overall plan' ontbrak en in het nodige leiderschap kon Johannes XXIII niet voorzien. Hij zou er ook niet meer in voorzien: een maand voor het begin van Vaticanum II bleek hij kanker te hebben; negen maanden later was hij overleden, na een pontificaat van nog geen vijf jaar dat hem grote populariteit had gebracht, grote lof en veel verwachtingen.

Uit het conclaaf kwam Montini naar voren als nieuwe paus. Hij koos de naam Paulus, om aan te geven alle mensen te willen bereiken. Daartoe ondernam hij reizen naar Jeruzalem, India, Afrika, Azië, de Verenigde Naties en de Wereldraad van Kerken in Genève. Eerst echter moest hij op een nette manier het concilie zien te beëindigen. Het minste dat daarover gezegd kan worden is dat het hem lukte, zonder de Kerk te splijten, de Curie te hervormen zonder deze van zich te vervreemden en dat hij collegialiteit introduceerde zonder het pausschap te ondermijnen. Waar Johannes XXIII een 'actualisering' voor ogen stond, daar wilde Paulus VI een 'toenadering'.

Bewustwording, vernieuwing en dialoog zijn de kenmerken van het pontificaat van Paulus VI, en van deze de laatste het meest. Vandaar zijn reizen en zijn instelling van het Secretariaat voor de Eenheid van de Christenen en van het Secretariaat voor de niet-christelijke Godsdiensten (dit richtte zich vooral op de islamitische staten, die tien miljoen Arabische christenen huisvestten, wat ook de dialoog met Israel zeer bemoeilijkte), en zelfs een Secretariaat voor de Ongelovigen.

Tijdens de reis naar Israel bezocht hij niet alleen de heilige plaatsen maar ontmoette hij ook Athenagoras, de patriarch van Constantinopel, de eerste ontmoeting tussen leiders van de Oosterse en Westerse kerk sinds het schisma van 1054. Tijdens de ontmoeting met Michael Ramsey, de anglicaanse aartsbisschop, in 1966 komt hij de intercommunie overeen, wat gezien wordt als zijn meest persoonlijke en belangrijkste bijdrage tot de oecumene. “De paus is het grootste obstakel tot de oecumene”, zei hij zelf, maar zonder paus is er geen christelijke kerk. Die bevestiging van Vaticanum I had hij al neergelegd in Ecclesiam Suam van 1964.

Tijdens een bijeenkomst van de Wereldraad van Kerken in Genève opende hij zijn toespraak met: “Mijn naam is Paulus maar ook Petrus.” In die hoedanigheid was hij de grootste autoriteit, en hier vergunt Hebblethwaite zich de onthulling van een klein geheim. De Amerikaanse president Johnson wendde zich tot de paus met de vraag of deze de Noordvietnamezen tot de onderhandelingstafel kon bewegen. Dat kon de paus, al verkozen de Vietnamezen Parijs boven Vaticaanstad, maar door de pauselijke bemiddeling zijn de vredesonderhandelingne op gang gekomen.

Dat was in 1968, het jaar waarin zijn belangrijkste besluit viel, dat tot de 'Ordo Missae', waarmee een einde kwam aan 'de Mis van St Pius V', die al vanaf 1570 had standgehouden. Zware oppositie van de 'rechterflank' was zijn deel, met de uitsluiting van mgr Marcel Lefèbvre als ongewilde consequentie. En nog uit 1968 is de encycliek, uitdrukkelijk niet onfeilbaar, Humanae Vitae, die hem - in de sterk verkorte versie 'paus bant pil' - zeer is nagedragen. De paus vreesde dat het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank bij hun leningen aan Derde-Wereldlanden wel eens eisen konden stellen op het gebied van de bevolkingspolitiek, en hij wilde hen de pas afsnijden.

Het lag in de naam Paulus besloten dat hij een rol zou spelen in het internationale forum: de vertegenwoordiger bij de VN in Genève werd ook aan het werk gezet in de ILO, de status van de vertegenwoordiger bij de VN in New York werd opgewaardeerd en bij de Unesco werd de vacature vervuld. Al eerder had de H. Stoel een eigen Ostpolitik ontwikkeld, en toen het Warschau-pact in 1969 alle Europese landen opriep tot een Conferentie over veiligheid en vreedzame samenwerking werd ook het Vaticaan uitgenodigd. 'Helsinki' liet nog tot 1973 op zich wachten, maar het was wel voor het eerst sinds het Congres van Wenen (1815) dat de H. Stoel weer meedeed op het grote toneel. De rol in de internationale politiek wordt door Johannes Paulus II met glans vervuld, en het is verleidelijk achteraf te zeggen dat Paulus VI de weg heeft gebaand. Zeker is echter dat Paulus VI met zijn hervorming van de Curie de last die hij meekreeg afschudde voor zijn opvolger. Johannes Paulus II kon zo met een verse ploeg aan de start.

Paulus VI trof een overhoop gehaalde kerk aan. Hij heeft volgens de kroniekschrijvers zijn ambt aanvaard 'in naam van de Heer en met het Kruis van de Heer'. Hebblethwaite schetst het beeld van een beminnelijk man, attent en zeer academisch (“Hoe makkelijk het is te bestuderen, hoe moeilijk om tot besluiten te komen”) en dus secundair reagerend. Paus Paulus VI komt uit deze biografie naar voren als een weldenkend mens, zich zeer bewust van zijn taak en opdracht. Voorzichtig en afwegend, drie keer nadenkend alvorens één keer te spreken, maar geen slapjanus. Hij was opgezadeld met een erfenis in de vorm van een ondankbaar Concilie, met hoge verwachtingen jegens zijn voorganger. Het is zijns ondanks dat zijn vijftienjarig pontificaat al weer in de schaduw staat van de geweldenaar Johannes Paulus II.

Paulus VI zag zichzelf, voor God en de Geschiedenis, verantwoordelijk voor het welslagen van het Concilie, dat hij niet uitriep maar wel voorzat. Hij was ervan overtuigd dat de oecumene de wonden moest helen in het Lichaam van Christus, opdat de wereld vrede zou kennen. Zo'n boodschap, zo'n last op je schouders, en dan toch gewoon van ouderdom en aan een hartstilstand dood gaan in je eigen bed, met het 'grazie' op de lippen voor degeen die het laatste gebed zegt, daar moet je toch op zijn minst een beetje heilig voor zijn.