Een baaierd van revoluties

Charles Tilly: Europese revoluties, 1492-1992, (European Revolutions 1993, vert. Pieter de Smit), 304 blz., Agon 1993, ƒ 45,-

Evenmin als het pleidooi van de narrativisten tot dusver veel mooie verhalen over vroeger heeft opgeleverd, zomin heeft de postmodernistische aanval op de grote historische theorieën dat genre uit de wereld geholpen. Ze zijn er namelijk nog steeds, de systeembouwers, die niet terugdeinzen voor verre sprongen en gedurfde constructies. Een van hen is de Amerikaanse socioloog-historicus Charles Tilly (1929). De laatste jaren heeft hij zich vooral beziggehouden met zo'n typisch onderwerp voor hoogvliegers: de totstandkoming van de Europese 'nationale staten'. Een voorlopig hoogtepunt in dat onderzoek was zijn in 1990 verschenen en ook hier veelbesproken Coercion, Capital and European States A.D. 990-1990, drie jaar later gevolgd door het nu ook in het Nederlands verschenen European Revolutions 1492-1992. Omdat het laatste boek in veel opzichten op het eerste voortborduurt, is het dienstig de inhoud kort samen te vatten.

Zo'n 1000 jaar geleden telde Europa nog zo'n 1000 politieke eenheden met min of meer 'staat-achtige' kenmerken. Vijf eeuwen later was dat aantal gehalveerd, en na 1945 waren er nog maar 27 over. Tilly houdt van ronde getallen, en hij moet het wel betreuren dat er niet meer schot in de Europese eenwording zit. Als er in het jaar 2000 nog maar één Euro-superstaat over zou zijn, zou dat rekenkundig een stuk bevredigender zijn.

Hoe is die spectaculaire reductie verlopen? Tilly verklaart dat proces met een theorie van bekoorlijke eenvoud. Er waren, zegt hij, drie routes langs welke in Europa staten zich vormden. Aan de ene kant was daar de 'dwang-intensieve' weg, die bijvoorbeeld bewandeld werd in Rusland en andere grote territoriale monarchieën. In die landen slaagde de overheid (meestal de monarch door middel van de adel) erin om de bevolking (voornamelijk boeren) met een royale toepassing van dwangmiddelen zoveel van hun inkomsten afhandig te maken, dat daarmee een duurzaam staatachtig verband overeind kon worden gehouden. Heel anders verliep de staatvorming volgens het 'kapitaal-intensieve' model, zoals dat bijvoorbeeld in de Nederlanden en in Italiaanse stadstaten gewerkt heeft. Daar hoefde de overheden geen overdaad aan dwang toe te passen, omdat zij konden putten uit de welgevulde geldkisten van stedelijke handelaars, nijveraars en financiers. Een overheid die zich verbond met dergelijke kapitaalbezitters, kon zich zo in zijn eigen staat en tegenover vreemde staten doorgaans handhaven - totdat hij vroeg of laat aanbotste tegen een staat van het derde soort.

Die derde weg noemt Tilly de route van de 'gekapitaliseerde dwang', via welke ondermeer de Engelse, Franse en Pruisische staat zich ontwikkeld hebben. In dit model werden de sterke kanten van de beide andere gecombineerd: de centrale overheden konden zowel beschikken over een omvangrijke bevolking als over het in hun steden opgehoopte kapitaal. Daarmee is meteen verklaard waarom deze soort in de evolutie van de Europese staten uiteindelijk gewonnen heeft. Door het voorhanden zijn van ruime voorraden mensen èn geld waren die staten op den duur superieur aan de twee andere soorten, die dan ook ofwel te gronde gingen (Polen, Litouwen), ofwel zich aanpasten en zo overleefden (Rusland, Nederland).

Blinde vlek

Dat riekt naar Darwin, en inderdaad: de strijd is een essentieel element in Tilly's betoog. 'The state made war, and war made the state', stelt hij puntig. Dat lijkt me een schoolvoorbeeld van een kip-of-ei-kwestie, maar afgezien daarvan mankeert het Tilly zeker niet aan overtuigingskracht. Een van zijn sterke kanten is zijn afkeer van teleologie. Anders dan andere systeembouwers (de Marxisten voorop), heeft Tilly een kien oog voor het onvoorspelbare verloop van de geschiedenis, voor de onbedoelde gevolgen van schijnbaar doelgerichte handelingen. Welbeschouwd is zijn 'geconsolideerde staat', inclusief het moderne staatsburgerschap, niet meer dan een bijprodukt van het streven van staten om oorlogen te overleven.

Met de marxisten heeft hij wèl een materialistische inslag gemeen, en daarop mikken ook veel critici. Zo wees Siep Stuurman er in een lucide bespreking in het Amsterdams Sociologisch Tijdschrift (20ste jg. no. 2, oktober 1993) op, dat Tilly geen oog heeft voor de verschillen tussen staten waar wèl, en die waar geen krachtige vertegenwoordigende instellingen van de grond kwamen, terwijl die verschillen voor de lotgevallen van individuele staten toch zo veel kunnen uitmaken. Meer in het algemeen heeft Tilly een blinde vlek voor de ideële factoren in het staatsvormingsproces. Aan de politieke cultuur, aan politieke theorieën en ideologieën besteedt hij weinig aandacht, laat staan aan de religieuze dimensie. Ook met zo'n lastig fenomeen als het nationalisme weet bij niet goed raad. Tilly's actoren maken exclusief deel uit van een door hem ontdekte en door Stuurman benoemde mensensoort: de homo economico-militaris tilliensis.

Ook zijn laatste boek wordt bevolkt door dit nogal eenzijdig ontwikkelde mensenslag. In Europese Revoluties 1492-1992 wil Tilly een overzicht geven van de revoluties in Europa, hun oorzaken en hun gevolgen, en zich daarbij speciaal richten op “de verbanden tussen wijzigingen in de staatsmacht en veranderingen in de aard, plaats en het resultaat van revoluties”. Dat is niet niks, zeker omdat Tilly zich niet beperkt tot de grote revoluties (zoals de Franse van 1789 en de Russische van 1917), maar ook talloze minder wereldschokkende 'revolutionaire situaties' in zijn relaas betrekt.

Van een revolutionaire situatie is volgens hem sprake, als in een staat twee of meer partijen onverzoenlijke aanspraken op de zeggenschap over de staat maken, en een belangrijk deel van de bevolking zich achter de aanspraak van elk van de strijdende partijen schaart. Als de overdracht van de staatsmacht werkelijk en voor enige tijd afgedwongen wordt, is er sprake van een 'revolutionair resultaat'. Je zou ook kunnen zeggen: van een geslaagde revolutie.

Heraclitisch

Revolutionaire situaties (en revolutionaire resultaten) zijn door de eeuwen heen steeds veranderd, en die veranderingen zijn volgens Tilly te herleiden tot de in zijn vorige boek uiteengezette genese van de moderne geconsolideerde staat, en dus tot de drie routes tot staatvorming. Revolutionaire situaties in 'dwang-intensieve' staten zijn anders dan die in 'kapitaal-intensieve', en beide verschillen ze weer van dergelijke situaties in staten van het 'gekapitaliseerde dwang'-type. In het bijzonder het succes van die laatste soort en de daarmee samenhangende snelle verandering van Europa in de periode 1750-1850 heeft het karakter van de revoluties ingrijpend veranderd. In die fase zien we niet alleen een versnelling van het staatvormingsproces, maar ook de overgang van indirecte naar directe staatsbemoeienis, en het ontstaan van het brede staatsburgerschap. De oorzaken van deze aardverschuivingen moeten we zoeken in de grote militaire veranderingen culminerend in de 'eerste grote Europese oorlog': die van de Franse Revolutie en de Napoleontische tijd. Ook hier huldigt Tilly het Heraclitische beginsel: patèr polemos pantoon, de oorlog als de vader van alles.

Vóór die grote verandering waren de revoluties in Europa doorgaans van het 'communale' type, waarbij de overzichtelijke gemeenschappen van stad of streek, patroon-cliënt-verhoudingen en dynastieke wederwaardigheden aard en verloop bepaalden. Daarna, in de moderne Europses staten, krijgen de revoluties een nationaal karakter en gaat de vorming van de strijdende partijen middels klassencoalities. De maatschappelijke schaalvergroting maakt het mobiliseren van revolutionaire krachten enerzijds moeilijker, anderzijds makkelijker door het ontstaan van massa-organisaties.

Zo lopen er verschillende lijnen door elkaar, en Tilly's ogenschijnlijk eenvoudige patronen worden tot een kaleidoscopische warboel geschud als hij in het centrale deel van het boek in adembenemend tempo over het werelddeel en door de eeuwen heen rent. Achtereenvolgens behandelt hij 'revoluties, opstanden en burgeroorlogen in de Lage Landen en elders' (dat wil zeggen: op de Balkan en het Iberische schiereiland, met het Huis Habsburg als trait d'union), op de Britse eilanden, in Frankrijk en in Rusland en aanpalende landen, om te eindigen met een slothoofdstuk waarin de lijn van gisteren naar vandaag voorzichtig naar de toekomst wordt doorgetrokken.

In elk van die regio's doorloopt Tilly de hele vijf eeuwen lange periode, elke regio wordt steeds met alle andere vergeleken, en overal blijken de talrijke revolutionaire situaties te passen in een lange traditie van oproer en rebellie. Zelfs onze lage landen, toch al zo lang toonbeelden van rust en stabiliteit, geven bij nadere beschouwing een 'overvloed van oorlogen, opstanden en revoluties' te zien. Tilly ontwaart maar lieft 16 revolutionaire situaties tussen 1487 en 1833. Dat is nog maar niets in vergelijking met Spanje en Portugal, waar hij er 58 telt van de Moorse oorlog van 1499 tot de coup-pleging van Tejero in 1981, laat staan met de Balkan en Hongarije, waar de lijst van 66 nog dagelijks voor uitbreiding vatbaar blijkt.

Dat maakt 140 revolutionaire situaties in een hoofdstuk van 55 pagina's, en zo gaat het door. Het hele boek maakt dan ook een nogal overladen indruk. Van het begin tot het eind is het volgestouwd met op staccato-toon en met handboekachtige stelligheid gedicteerde feiten, verbanden en gevolgtrekkingen, zodat het moeite kost om het spoor niet bijster te raken.

Doodsverachting

Het mag tegenstrijdig klinken, maar in deze compacte massa vallen toch leemtes op. Tilly ontmythologiseert de Europese revoluties door ze tot tamelijk normale verschijnselen te reduceren. Hij gebruikt in dat verband de vergelijking met de verkeersopstopping, en dat klinkt overtuigend. Maar de metafoor is veelzeggend: zomin als in de ochtendspits de opvattingen en bedoelingen van de vastgeraakte automobilisten direct relevant zijn voor de verkeersituatie, zo weinig doen zulke geestesgesteldheden er blijkbaar toe in de revolutionaire situaties van Tilly. Wie bij revoluties wil denken aan bevlogen volksmenners en bezielde massa's die vol doodsverachting de kogels van de gevestigde orde trotseren, komt niet aan zijn trekken. Tilly betoont zich in dit boek niet minder materialistisch ingesteld dan in het vorige, en het revolutionaire evenement komt maar een heel enkele keer - en dan nog onverwacht - aan de orde.

Dat is natuurlijk een kwestie van opvatting; anders wordt het, waar Tilly soms wel erg vrijmoedig omspringt met op goede gronden gevestigde voorstellingen. Maarten Prak heeft er in het eerder vermelde nummer van het Amsterdams Sociologisch Tijdschrift op gewezen dat Tilly niet veel begrepen lijkt te hebben van de politieke tegenstellingen in de 18de-eeuwse Nederlandse Republiek. Over de Nederlandse Opstand doet hij ook nogal wonderlijke uitspraken. Nu, zal men zeggen, dat zijn les défauts de ses qualités: wie zoveel hooi op zijn vork neemt, mag wel een paar sprietjes morsen. Jammer genoeg heeft deze massa geleerdheid niet de substantie van geurig hooi, maar eerder die van ingekuild gras.