Drie keer de 'wig' rond het Drielandenpunt

Volgende week zijn er verkiezingen voor het Europese parlement. Werkloosheid en de sociale zekerheid behoren tot de belangrijkste problemen in alle EG-landen. Centraal in de discussies over de Europese welvaartsstaat staat de 'wig', het verschil tussen tussen bruto en netto-loon, en tussen arbeidskosten en loonkosten. Tussen naaste buren in de Europese Unie bestaan grote verschillen. Dat blijkt uit onderstaande inventarisatie van het 'bruto-netto traject' van drie automonteurs - in Nederland, België en Duitsland. Een sociale verkenning rond het Drielandenpunt.

Giovanni Cusumano (41) MAASMECHELEN In het Belgische plaatsje Maasmechelen woont de Italiaanse automonteur Giovanni Cusumano (41). Giovanni, die in 1972 vanuit Italië naar België is gekomen om werk te zoeken, is al 22 jaar in dienst bij de Ford-fabriek in Genk. Op dit moment vervult Giovanni, die ook zeer actief is in de vakbond, de functie van 'poolman' - dat betekent dat hij overal in de produktie kan inspringen waar dat nodig is. Hij draait een 40-urige werkweek, maar krijgt betaald voor 38 uur. Het verschil wordt uitgekeerd in de vorm van elf extra vrije dagen per jaar. Zijn basisbruto-uurloon is 469,90 francs (25,70 gulden). Omdat er in de fabriek een ploegensysteem geldt waarbij voor het werken op bepaalde tijden extra uren worden toegerekend, komt Giovanni per maand gemiddeld meestal hoger uit. Werkt hij meer dan acht uur per dag, dan krijgt hij per extra uur 50 procent toeslag. In de maand maart verdiende Giovanni bruto 84.488 francs (4616,80 gulden); daarvan hield hij netto 57.628 francs (3149 gulden) over, wat neerkomt op ruim 68 procent van het bruto loon.

Giovanni is getrouwd en heeft twee dochters, van dertien en zestien jaar, die allebei naar school gaan. Zijn vrouw werkt niet. Aan kinderbijslag ontvangt hij maandelijks voor zijn oudste dochter 2500 francs (137 gulden), voor de jongste 4.626 francs (253 gulden). Per kind krijgt hij iedere maand nog een extra toeslag van 1327 francs (72,50 gulden).

Op basis van in de Belgische metaalsector afgesproken regelingen krijgt Giovanni een dertiende maand, vakantiegeld en een vakantiepremie. Het vakantiegeld bedraagt in België (waar men nog onderscheid maakt tussen 'witte boorden' en 'blauwe boorden') voor arbeiders 14,8 procent van het brutoloon. Dat lijkt hoog, maar anders dan in Nederland krijgen de werknemers tijdens hun vakantieperiode hun normale loon niet uitbetaald. Als extraatje 'omdat de meeste arbeiders hun vakantiegeld al hebben opgemaakt voordat de vakantie begint' krijgen de werknemers jaarlijks eind juni nog een vakantiepremie van 2,57 procent van hun brutosalaris. Alle werknemers van Ford hebben recht op twintig vakantiedagen, waar afhankelijk van anciënniteit maximaal vijf dagen bij kunnen komen.

Vergoeding van de reiskosten is in België nationaal geregeld. Alle werknemers krijgen van het bedrijf de helft van de kosten van een openbaar-vervoersabonnement vergoed, onafhankelijk van het feit of ze per bus, per auto of per fiets komen. Giovanni krijgt 1227 francs (67 gulden) per maand. Als werknemer van de fabriek krijgt hij 17 tot 22 procent korting als een Ford koopt. Dezelfde korting geldt voor alle extra's (van tweede buitenspiegel tot stereo-installatie). Deze regeling geldt ook voor gepensioneerden en sinds twee jaar ook voor directe familieleden van Belgische Ford-medewerkers.

Giovanni kan van zijn maandelijkse inkomen behoorlijk rondkomen, al is het met twee opgroeiende kinderen ook geen vetpot. Omdat vakanties bij familie in Italië worden doorgebracht, is het gezin hieraan weinig geld kwijt. Belangrijker is echter dat de kosten van wonen en leven in de Belgische provincie Limburg relatief laag zijn. Een eigen woning bijvoorbeeld - 'de droom van iedere Belg'' - ligt voor de meeste inwoners van deze regio binnen handbereik.

Wie een huis wil bouwen, betaalt voor de grond een bedrag dat varieert tussen de één en vier miljoen francs (55.000 tot 220.000 gulden). Omdat de meeste Belgen in deze streek familie en vrienden inschakelen om in het weekeinde aan het huis te bouwen, kost de woning vaak nauwelijks meer dan de materiaalkosten. Zelf heeft Giovanni zijn vrijstaande huurhuis, waarvoor hij slechts 3200 francs (175 gulden) per maand betaalde, overgenomen van de bouwmaatschappij voor slechts 800.000 francs (43.715 gulden). “Maar die prijs was zo laag omdat er veel achterstallig onderhoud gepleegd moest worden en er geen badkamer of centrale verwarming aanwezig was”, voegt Giovanni daar snel aan toe.

Giovanni verdiende in de maand maart 84.488 francs. Van dat bedrag is 11.926 francs ingehouden aan premieheffing voor de Rijks Sociale Zekerheid (RSZ) - 13,07 procent van 108 procent van het brutoloon. Na aftrek van dit bedrag resteert voor de (loon)belastingheffing (in België bedrijfsvoorheffing genoemd) een brutomaandinkomen van 72.562 francs. In het Belgische belastingstelsel vallen alleenstaanden en tweeverdieners in schaal 1, kostwinners vallen in schaal 2. Giovanni betaalt op basis van deze schaal 16.645 francs loonbelasting; van dit bedrag wordt 2.275 francs afgetrokken omdat hij twee kinderen heeft.

Van zijn bijdrage voor de RSZ is ruim de helft (7,5 procent) bestemd voor de pensioenopbouw, de premie voor de ziekteverzekering bedraagt 4,7 procent en de werkloosheidspremie komt dit jaar uit op 0,87 procent.

Voor de Belgische werkgever komt de bijdrage aan de RSZ veel hoger uit. In 1994 bedraagt deze minimaal 38,4 procent; bedrijven met meer dan twintig werknemers betalen zelfs 40,89 procent. Voor de ziekteverzekering betaalt de werkgever 6,15 procent van het brutoloon, 7 procent is bestemd voor de kinderbijslag (die in Nederland uit de algemene middelen wordt betaald) en 8,86 procent is de bijdrage aan de pensioenopbouw. De vakantiebijdrage bedraagt 6 procent, de premie voor werkloosheid en beroepsziekten komt uit op respectievelijk 1,47 en 1,1 procent. Verder moeten de werkgevers wegens niet uitgekeerde (automatische) prijscompensatie 7,48 procent van de loonsom overmaken naar de RSZ. Deze automatische prijscompensatie - die in Nederland en Duitsland al lang is afgeschaft - wordt als gevolg van een overheidsbesluit niet langer aan de werknemers uitgekeerd, maar gebruikt voor een fonds om werkgelegenheid te scheppen.

Belgische werkgevers betalen tweemaal voor het risico dat werknemers arbeidsongeschikt worden. Via de RSZ dragen zij 0,3 procent van de loonsom af, terwijl zij daarnaast verplicht zijn bij een verzekeringsmaatschappij het risico van arbeidsongeschiktheid af te dekken. Gemiddeld bedraagt die premie 5,24 procent van het brutomaandsalaris per werknemer.