Dragen

Vanmiddag heb ik een goede vriend ten grave gedragen.

Je voelde het wel. Er zit een hele moet in mijn schouder. Hoewel we met z'n achten waren, en het slechts zo'n honderd meter ver was, bleek het veel zwaarder dan ik dacht. Mijn andere beste vriend, die rechts voorop liep wegens matige lichaamslengte, zei me na afloop dat hij af en toe het gevoel had gehad niets te dragen, en dan weer het gevoel dat hij hem alléén droeg.

Zwaar. Je moet natuurlijk de kist erbij rekenen en de zware houten baar met het kleed erover.

We hadden instructie gekregen van een flinke kraai die wist waar het over ging. “Heren,” had hij gezegd, “de kleineren lopen voorop en de langste achteraan, in oplopende volgorde. U neemt de baar op de schouders en u blijft staan. Als ik zeg 'Heren, alstublieft' begint u met de linkervoet opdat u elkaar niet op de hakken trapt.”

Terwijl ik met die zware baar op de schouders stond, dacht ik na over de mooie dag, het bos waarin we stonden. ''De vinken sloegen en omhoog orgelde de leeuwerik'' zegt de dichter. Ik weet niet welke.

Rechts boven mij ligt nu het overschot van de man die ik in de jaren vijftig leerde kennen, van huisuit katholiek, medicijnen studerend, in een katholiek dispuut, maar voor ons, de wereldse vrienden uit de grote stad - hij zelf kwam van een brabantse kostschool, sedert zijn zesde jaar - had hij een aparte roepnaam bedacht, die beter bij protestanten paste.

Zoals ik wel meer had opgemerkt bij kostschoolkinderen wilde hij graag aardig gevonden worden en ging hij conflicten uit de weg. Wat hij daarbij over het hoofd zag was dat hij zelf zeer innemend was. Van huisuit. Ik ken niemand die hem niet aardig vond.

Hij was, vonden wij zelfs, een zondagskind. Je weet wel, zo iemand die als hij zonder benzine komt te staan merkt dat er honderd meter verderop een pomp is.

Al vroeg maakten we korte reisjes, immer tripjes genoemd, naar het buitenland, meestal Frankrijk. Daar werd wijn gedronken en zo mogelijk getafeld, al naar gelang de financiële situatie, die immer wankel was, dat toestond. Omdat we op die tripjes wel eens vergezeld waren van Lon Vié, dezelfde die later voor deze krant de rubriek 'Jij Bent' zou verzorgen, werden we door Lon opgevoed in het genieten. “Jongetjes,” sprak Lon, die ouder was dan wij, met een verlekkerde stem, “waar hèbben we 't aan te danken.”

Die levenswijsheid had onze vriend snel overgenomen. Hij vond alles leuk en wist te genieten op het moment zelf - een kunst die weinigen gegeven is.

Samen met mijn andere vriend die nu rechts voor staat had hij artsen bezocht, om hen de voordelen van bepaalde medicijnen te melden. Beiden werkten echter voor concurrerende firma's, die met lede ogen aanzagen dat hun vertegenwoordigers uit een en de zelfde auto stapten en tegelijkertijd bij Oom Dok aanbelden.

Hij deed uiterst lang over zijn studie, waar hij zelfs een specialisatie aan vastknoopte, zó lang dat hij, toen hij al lang en breed specialist was, 's nachts ongerust opstond, zo vertelde hij mij eens, om in de kast naar zijn bul te kijken. Ja het was waar. Hij was arts.

En een goede.

Hij bestond het bijvoorbeeld om een keer 's avonds laat te besluiten de operatie van de volgende ochtend niet door te laten gaan. Hij voelde intuïtief dat er iets niet goed zat. Dit is een wel zeer wazige grond voor een specialist om de boel af te blazen, maar hij hield voet bij stuk en raadpleegde zijn vroegere leermeester, die na verder onderzoek met hem samen vaststelde dat de operatie levensgevaarlijk zou zijn geweest en er een geheel andere methode gevolgd meest worden.

Zijn innemende houding en zijn keurige verschijning boezemde patiënten vertrouwen in. Toen ik een keer bij hem op spreekuur was viel het me op dat hij een uiterst keurig overhemd aanhad met een prachtige das, haast te gekleed voor onder de witte jas. “Waarom is dat?” vroeg ik. Hij keek me even aan, al in de doktersrol. “Ik moet het Lagerhuis nog toespreken,” zei hij.

De verpleegster keek niet eens op. Die kende zijn gevoel voor humor al, maar ze droegen hem op handen, tot aan de portier toe. Hij had een eigenschap die mijn vader ook had: hij kende geen klasseverschil.

Hoewel hij specialist was, deed hij niets uit geldzucht. Hij ergerde zich aan collega's die onnutte handelingen voor gewin uitvoerden. Omdat hij zo aardig was, meende hij dat iedereen aardig was, en hij was gekwetst en uit het veld geslagen als dat niet zo bleek te zijn.

Week in, week uit, liepen we, de man voor mij en de man rechts voor, met hem door de duinen, door weer en wind, door regen en sneeuw. Na afloop ontbeten we bij zijn vrouw, die dan met vier van die hijgende kerels en hun kinderachtige grappen aan tafel zat.

Mijn rechterschoen knelt een beetje, maar ik heb dit paar aan, omdat ik het een keer met hem samen op Portobello Road kocht. De man rechts voor heeft een afwijkend overhemd aan, gekregen van de specialist. Het zou me niets verbazen als de man voor me ook wat bijzonders meedraagt.

Een deel van mijn leven bestaat nu nog alleen uit herinnering. Je kunt het je niet voorstellen. Ik voel alleen de moet in mij schouder.

“Heren, alstublieft.”

Daar gingen we.