Dikke formatiebijbel

G. Puchinger: Colijn en het einde van de coalitie. De geschiedenis van de kabinetsformaties 1933-1939; 1134 blz., geïll., J.J. Groen en Zoon Leiden 1993, ƒ 250.-

Bij elke kabinetsformatie staan over en weer verkiezingsbeloften op het spel die in de onderhandelingen het loodje moeten leggen en na de beëdiging van de ministers niet zelden verfrommeld in de prullenbak van de formateur teruggevonden worden. De onderhandelaars kunnen daar niet altijd onmiddellijk mee voor den dag komen. Als ze bij hun dagelijkse ommegang langs de Hofvijver aan de wachtende pers zouden meedelen dat ze zojuist hun favoriete mini-stelsel hadden laten vallen of hun referendum hadden ingeleverd, zouden ze nog voor het eind van de dag door hun woedende achterban worden onthoofd. Ze moeten er dus nog enige tijd over zwijgen of zich hullen in cryptische woorden waarin de nieuwe feiten nog verborgen zitten en die nog even moeten rijpen voordat ze aan het licht komen.

In de deuropening van de Eerste Kamer (tegenwoordig domein van kabinetsformaties, daarvóór bij de formateurs thuis) doen de onderhandelaars zich desgevraagd natuurlijk groter voor dan ze zijn, want ze moeten hun onderhandelingsresultaten eerst nog thuis aan de man brengen. Daardoor zoeken ze vaak hun toevlucht tot de pasmunt van het parlementaire jargon of tot nietszeggende algemeenheden, die ze de volgende dagen in variaties dan opnieuw gebruiken. Nederlandse kabinetsformaties plegen daardoor in ondoorzichtigheid tot stand te komen, op grond van een sinds vele generaties gevolgde procedure, waarin zelfs de meeste Kamerleden van de 'beoogde' parlementaire meerderheid maar een beperkt inzicht hebben.

Maar hoe ondoorzichtig het proces van kabinetsvorming in Nederland soms ook is, er is lang geleden een zekerheid ingebouwd, die te allen tijde een constitutioneel zuivere procesgang waarborgt. Elke kabinetsformateur, of hij nu Kok heet of Lubbers, bij de verkiezingen een beetje of buitengewoon veel gewonnen heeft, hij moet zijn handelen bij de koningin verantwoorden. Zij is de garantie dat de onderhandelaars zich niet aan machtsmisbruik te buiten gaan en zich aan de gangbare regels van fair play houden.

Dat is vandaag zo, en dat was onder Juliana en Wilhelmina zo. In Puchingers geschiedenis van de kabinetsformaties uit de jaren 1933-1939 (de jaren van Colijns politieke dominantie) komen tal van voorbeelden van de werking van die waarborg voor, die aantonen dat hier van een constante in het constitutionele leven sprake is. De stukken die Puchinger in dit lijvige boek, het laatste van drie delen waarvan het eerste 25 jaar geleden als dissertatie verscheen, bijeen heeft gebracht vormen dienaangaande een hele geruststelling. Ze wijzen onder meer uit dat Wilhelmina - het grote constitutionele voorbeeld van koningin Beatrix - zich in de beschreven periode (dat was een andere dan de daarop volgende periode van de Londense ballingschap) altijd bewoog binnen de grenzen van haar constitutionele domein, nooit erbuiten. Wilhelmina beheerste in tijden van spanning niet altijd haar parti pri's, maar haar constitionele besef verliet haar nooit. Ook in kabinetsformaties praktizeerde zij de regel dat elke handeling van het staatshoofd gedekt moet zijn door constitutionele adviezen en, wat wel zo belangrijk is, narekenbaar.

Puchinger documenteert niet alleen de parlementaire geschiedenis van de jaren tussen de beide wereldoorlogen (die overigens heel veel bondiger en toegankelijker te vinden is in P.J. Ouds nog altijd niet overtroffen Jongste Verleden) maar vooral de constitionele mores van ons politieke bestel. Zo behandelt hij het geval van prof.mr. P.J.M. Aalberse, de voorzitter van de katholieke kamerfractie, die de liberale vrijheidsbond buiten Colijns 'crisiskabinet' wilde houden en het geval van Colijn die een kansloze formatie-opdracht aan Aalberse meteen wilde overslaan. In beide gevallen werden de heren krachtig aan de regels gehouden. Aalberse moest eraan geloven dat alle partijen die bereid waren tot een kabinet van de 'brede basis' toe te treden, ook de kans moesten krijgen aan de formatie-onderhandelingen mee te doen. En Colijn moest erin berusten dat Aalberse, die zijn kabinet ten val had gebracht uit protest tegen de rigide bezuinigingsmaatregelen en de passieve werkgelegenheidspolitiek, een formatie-opdracht kreeg. Hoewel bij voorbaat vaststond dat Aalberse tot mislukken gedoemd was (omdat hij Colijns antirevolutionairen niet meekreeg), gaf de koningin hem de opdracht, omdat de katholieken in staat gesteld moesten worden de mogelijkheden voor een alternatief voor het kabinet-Colijn te onderzoeken. Dat het mislukken van Aalberse, die haar held een spaak in het wiel had gestoken, haar niet onaangenaam was was slechts bijzaak, hoofdzaak was dat de mogelijkheid van een 'smalle basis' moest worden onderzocht.

Dat gold even goed voor de socialisten, die na hun begripvolle verklaringen over de muiterij op de Zeven Provinciën (waartegen de 'gezagshersteller' Colijn met onevenredig krachtige middelen was opgetreden) de gebeten hond bij de 'burgerlijke' partijen waren. Als ze zichzelf bij voorbaat uitsloten, liet zij hen buiten de formatie, maar als ze in de regering wilden, dan moesten ze voor de formatie worden uitgenodigd. Dat gebeurde ook in 1935, toen Albarda c.s. de katholieken het aanbod deden een kabinet van 'democratisch herstel' te vormen en daarvoor bereid waren, zoals bij Puchinger zwart op wit blijkt, een zeer groot deel van hun eisen te laten vallen.

Puchingers formatiebijbel zal gezien zijn prijs en zijn omvang niet veel aftrek vinden. Het vraagt lezers met een gereformeerde hartstocht voor politiek die niet opzien tegen een boek dat aan een groteske overmaat lijdt. Het is doodzonde van al die bomen die ervoor gekapt zijn en het zou meer leesplezier hebben opgeleverd als de uitgever de auteur meer zelfbeheersing had bijgebracht. Er is niemand gediend met integrale weergave van brieven over de futielste onderwerpen en documenten van minuscuul belang. Interne fractiediscussies kunnen soms verhelderend zijn, maar als ze een grote intellectuele armoede weerspiegelen, wil geen lezer ermee lastig gevallen geworden. Dit boek zou gediend zijn geweest met een draconische bekorting. Als de helft ervan niet was geschreven, was er niemand mee tekort gedaan.

Wie zich echter door dit alles heenworstelt, wordt om de tien bladzijden beloond met interessante bijzonderheden over de politieke cultuur uit het vooroorlogse Nederland, dat nog verbazingwekkend veel overeenkomsten vertoont met het tegenwoordige Nederland. Het is in elk geval een onmisbaar boek voor formateurs en informateurs en de directeur van het kabinet der koningin, die listen moet bedenken wanneer een formatie in een impasse belandt en het in het bijzonder aankomt op kennis van precedenten.