De Prinses Irene-brigade op veldtocht

Morgen viert het Normandische Pont Audemer de bevrijding door de Nederlandse Prinses-Irene brigade. 1200 Nederlandse militairen hebben nog twee maanden na D-day moeten wachten, voordat zij in actie mochten komen. Nog altijd voelen de veteranen zich miskend. De opbouw van een vestzakleger-Nederlandse geallieerden in Normandië.

Voor de 75-jarige Theo van Besouw, generaal-majoor der fuseliers 'Prinses Irene', is zondag 5 juni wel een zeer bijzondere dag. Hij is organisator van de plechtigheden ter herinnering aan de bevrijding op 26 augustus 1944 van het Normandische stadje Pont-Audemer. Hoogtepunten vormen het defilé van de oud-strijders, aangevoerd door Van Besouw, de kranslegging door koningin Beatrix bij het monument van de Irene Brigade en aansluitend de receptie op het gemeentehuis waar de koningin zich informeel met het vijftigtal Brigade-veteranen zal onderhouden.

Hoe nietig ook het aandeel van de 1200 manschappen tellende Nederlandse landmacht is geweest bij de immense militaire operatie ter bevrijding van Europa, de oud-strijders willen niet dat hun veldtocht, die pas twee maanden na D-Day een aanvang nam, geheel uit de herinnering verdwijnt. Nee, op de borst slaan willen ze zich niet, maar ze verzetten zich wel tegen de wijze waarop dr. L. de Jong het belang van de Irene Brigade in zijn standaardwerk bagatelliseert. Hun bijdrage kon niet groot zijn, zo stelde de geschiedschrijver van de Tweede Wereldoorlog onlangs in een tv-uitzending, omdat er van de Brigade immers 'slechts 45 man sneuvelden'.

Dat het aantal doden beperkt bleef, meent Rudi Hemmes (70), voorzitter van zowel de vereniging van oud-Irene-Brigade-strijders als van de vereniging van voormalig Engelandvaarders, zegt juist iets over hun voortreffelijke staat van dienst. “Wat De Jong over ons heeft geschreven is een gróve schande”, zegt Hemmes, bijna stikkend van woede. “En wat hij dorst te zeggen is een on-ge-hoord schandaal. Er zitten nu in Bosnië ongeveer evenveel Nederlandse soldaten als destijds de brigade sterk was. Als morgen iemand zegt: 'Ach, er zijn er maar 45 gesneuveld', bedoelend 'die eenheid heeft eigenlijk niks gepresteerd', dan steigert Nederland! Terwijl koningin Wilhelmina juist zo blij was dat er ook een Nederlandse eenheid mee deed, naast de luchtmacht en de marine. Daar zijn mensen gesneuveld en gewond geraakt en er zijn nu nog steeds overlevenden die dat met zich mee dragen.”

Een andere smet op het Brigade-blazoen vormt een recente weekbladpublikatie, waarin gewag wordt gemaakt van de 'mythe' van Pont-Audemer, dat in werkelijkheid niet door Nederlandse maar door Belgische troepen zou zijn bevrijd. Theo van Besouw, gedecoreerd met de Bronzen Leeuw, het Bronzen Kruis, het Kruis der Verdiensten èn het Verzetsherdenkingskruis, moet daar hartelijk om lachen. Toevallig zat hij als sergeant bovenop de Canadese tank die als eerste het stadje naderde. “We kwamen onder artillerie- en mortiervuur, waarop we ons terugtrokken en aan de zuidzijde van de Risle ingroeven”, vertelt de gepensioneerde generaal. “De Duitsers zaten aan de noordkant op een heuvelrug en straften aanvankelijk al onze bewegingen met zwaar vuur af.”

Het onthaal van de Brigade door de bevolking van Pont-Audemer maakte op Van Besouw grote indruk: “We werden ongelofelijk enthousiast toegejuicht en bedolven onder kaas en calvados. Mijn motorfiets was defect geraakt en ik moest bij een gezin in Pont-Audemer achterblijven. Ik heb daar wel Engelsen gezien, die ons kwamen aflossen. Maar geen Belgen; die waren veel noordelijker opgerukt.”

D e verhalen van de Irene-brigadisten zijn gepolijst en beproefd, want in de bijna vijftig jaar na de gebeurtenissen zijn ze talloze malen verteld; in familiekring of op een reünie - of aan de psychiater waar een enkele oud-strijder belandde die het met zijn herinneringen te kwaad kreeg. Bij allen ging aan de veldtocht een lange, avontuurlijke en vaak ijzingwekkend spannende episode vooraf. Want wie tot het legertje toetrad moest tenslotte op een of andere wijze - vaak vanuit bezet gebied - in Engeland zien te geraken. Neem de 70-jarige Mike van Lienden, die als zoon van een werkloze arbeider nèt als ketelbinkie op een vrachtvaarder van de Rotterdamse Lloyd had aangemonsterd, toen de oorlog uitbrak. Al snel bevoer hij - door het 'vaarplichtbesluit' gedwongen - de wereldzeeën op een troepenschip, dat vrijwel permanent onder dreiging van Duitse onderzeeërs lag.

“Als er duikbootgevaar was”, herinnert Van Lienden zich, “sliep je met je kleding aan en je zwemvest bij de hand. Ik was zo jong, dat ik het beschouwde als een groot padvindersavontuur.” De jongens met wie hij destijds als tiener bij de koopvaardij aanmonsterde, zijn vrijwel allemaal omgekomen. Eén oud scheepsmaatje van troepenschip de Tempo ontmoette Van Lienden na 50 jaar bijtoeval: “Hij zegt: 'Ik heb altijd lopen stèrven van angst. Als we van wacht af waren kon ik niet slapen.' Ik zeg: 'Dat heb ik nooit gehad.' Hij is later in handen gevallen van allerlei hulpverleners, waaronder professor Bastiaans. Toen heb ik me laten ontvallen: 'Joh, je moet je door al die zieleknijpers godvergeme niks laten aanleunen! Want ze lullen je 't gewoon áán!' ”

Herman van den Bergh (75), fabrikantenzoon en bij het uitbreken van de oorlog op stage in Mexico-City, meldde zich bij het Nederlands gezantschap toen in 1941 de Nederlandse regering te Londen de in het buitenland verblijvende onderdanen opriep in militaire dienst te gaan. Van den Bergh reisde via New York naar een opleidingskamp in Canada, waar mensen met een Nederlandse achtergrond uit de gehele wereld bijeenkwamen. “Ze kwamen uit Shanghai, Japan, Canadese boeren, Zuidafrikanen, noem maar op.” De Irene Brigade zou uiteindelijk 26 nationaliteiten in haar gelederen herbergen. Zijn detachement ging aan boord van het troepenschip Louis Pasteur, waarop 5000 geallieerde soldaten zaten. Richting Engeland, waar Van den Bergh zich voegde bij de Irene Brigade in Wolverhampton om een opleiding als seiner te volgen. Men kon ook bij de luchtmacht of de marine belanden - ouderen verkozen een bureaubaan te Londen. Anderen kwamen terecht bij de koopvaardij, waar ze als kanonnier de schepen moesten beveiligen.

Vele wegen leidden naar Londen, maar zo spectaculair als oud-Irene-Brigade-officier Jan Beelaerts van Blokland naar Engeland voer is zonder weerga: hij kaapte met twee maats in de Amsterdamse Minervahaven een Duits watervliegtuig en koos na enig navigatiemalheur het luchtruim in westelijke richting. De route die de officierszoon Rudi Hemmes in 1943 volgde om in Engeland te komen, zijn velen van de Irene Brigade gegaan: via België en Frankrijk naar Spanje en Portugal, om uiteindelijk - vaak via Gibraltar - de oversteek te wagen. Ook in Hemmes' geval was de weg geplaveid met gevaren en ontberingen, tot en met een kortstondig dienstverband bij de Organisation Todt om verder te kunnen reizen. Met veel bluf en zonder een cent op zak avonturierde hij zich te voet over de Pyreneeën om in 1943 in Engeland aan te komen. Daar werden de Engelandvaarders vaak persoonlijk door koningin Wilhelmina ontvangen om verslag uit te brengen van de toestand in het vaderland.

De omstandigheden waaronder de eerste lichtingen Irene-brigadisten zich op hun taak moesten voorbereiden, waren uiterst primitief. In het kamp Congleton werd overnacht op de zolder van een oude fabriek. 's Ochtends konden de manschappen door de kieren in de vloer de naaisters aan het werk zien. In de winter hielpen ze bij het sneeuwruimen, 's zomers werd de boer op het land bijgestaan en voor de sporadische oefeningen was slechts één geweer op de vijftig man beschikbaar. Aan deze 'slappe hap', zoals het eenheidje-van-het-eerste-uur door oud-brigadist A.J. Weerheym wordt genoemd, wenste prins Bernhard aanvankelijk niet de naam van zijn dochter te verlenen. Oud-luitenant Ben ter Haar (82) voegde zich in januari '41 (“Ik was een ouwe lul van 27 toen ik overstak”) bij de Nederlandse landmacht in Congleton.

“We hebben daar wat geëxerceerd, maar d'r was geen materiaal, d'r was niks”, vertelt Ter Haar. “Toen ben ik in maart naar een officiersopleiding gestuurd ten zuiden van Edinburgh. Daar ben ik weggehaald om mee te doen aan het Englandspiel. Dat was zó onzorgvuldig voorbereid, dat ik na een paar maanden tegen die Engelsen moest zeggen dat ik me niet in Nederland liet droppen. Er was op dat moment helemaal geen plan. We moesten wat bruggen opblazen en dat soort domme dingen, uitsluitend om de Duitsers te hinderen. Ik was te bekend in Nederland als oud-hockey-international om daar maar zo naar beneden te springen. Ik heb toen een paar maanden kolen moeten scheppen in Schotland, omdat ze dachten dat ik wat wist.”

T oen Ter Haar terugkwam bleek er veel ten goede te zijn veranderd. “Er had een sanering plaats gevonden onder de officieren”, zegt hij. “Mede door opstandige jongelui, officieren waartoe ik ook behoorde, zijn de oudere gardes verdwenen. Dat was nodig om welwillende mensen uit de landmacht, die in '40 waren meegekomen maar al over de 40 waren en niet meer de capaciteit en de vechtlust hadden, weg te krijgen. Toen kwam De Ruyter van Steveninck als commandant en is ook de spirit beter geworden. Met de Engelsen samen hebben we vaak zware oefeningen gehad. We waren goed voorbereid voor de invasie. Degenen die niet gemotiveerd waren, verdwenen allemaal op een of andere slimme manier in de coderingsdienst of de diplomatie.”

Rudi Hemmes, begonnen als soldaat onder luitenant Ter Haar en op diens voorspraak in '44 naar een officiersopleiding gestuurd, bracht het uiteindelijk tot generaal. “De officieren die naar Engeland overkwamen waren van een generatie militairen die bewonderend naar Duitsland keek. Vóór de oorlog waren er in het leger heel veel mensen erg pro-Duits. En heel veel officieren waren NSB'er. In Engeland vroegen veel officieren zich af wat zij daar moesten doen. Er was geen materieel, het moreel was niet goed. Die 'defaitistische' officieren - aldus de prins - konden gaan. De omwenteling in de Brigade is gebracht door vrijwilligers die er later bij kwamen.”

Dat er in Londen heel lang over 'dat zootje' werd gesproken, kwam volgens Hemmes mede doordat de officieren van het oude stempel werden overgeplaatst naar de Engelse hoofdstad: “Waar meneer De Jong zat, die óók geen lid was van de Brigade”, stelt hij fijntjes vast. “En in Londen liet iedereen triomfantelijk weten dat hij zich had gedrukt. Zo bleven er lang hele slechte berichten in Londen hangen. Maar de prins zag dat de zaak werd gesaneerd. En al op 27 augustus '41 kreeg de Brigade de naam Irene in het vaandel.”

Een andere steen des aanstoots in het werk van De Jong vormt voor de oud-strijders de passage waarin de geschiedschrijver gewag maakt van anti-semitisme bij de Brigade. “De Brigade bestond voor ongeveer een vijfde uit joden”, schrijft De Jong, “onder wie zich, als onder de niet-joden, minder goede en uitstekende elementen bevonden; de minder goede, hoogst vernuftige lijntrekkers, wekten aanstoot en dat leidde ertoe dat op kamerdeuren in de kazerne geschreven werd: 'We vechten niet alleen tegen Hitler maar ook tegen de joden'.” Volgens Ad Raaijmakers was er geen sprake van discriminatie van welke minderheid dan ook: “We maakten wel grapjes, zoals: mijn carrier is een rijdende synagoge en ik ben de enige christenhond.” Van den Bergh bevestigt: “Natuurlijk werd er wel eens iets opgemerkt over mijn joodse achtergrond, zoals er ook wel werd gesproken over 'die van het houtje' of 'die rotkatholiek'. Maar ik had aan alle kanten vrienden.”

De Nederlandse regering in ballingschap richtte zich aanvankelijk op een Brigade van 4000 man. Door een niet erg succesvolle wervingscampagne is daar uiteindelijk een eenheid ter grootte van een bataljon (1200 man) uit voort gekomen - een derde gedeelte van een Brigade. De naam is gebleven en bij de invasie hebben Engelse commandanten zich daardoor wel eens laten misleiden: er werd een Brigade aan hen toegevoegd, ze rekenenden op 4000 man en gaven het onderdeel een 'brigadevak' van navenante grootte. “Dus moesten wij drie keer zoveel werk verzetten”, zegt Hemmes. “Het was een Nederlandse eenheid; die moet je nooit op een paradeterrein neerzetten, dan verliezen ze het van elke andere eenheid. Maar geef ze een opdracht, en het gebeurt. De Brigade heeft zich bui-ten-ge-woon goed van haar taak gekweten, en kreeg na afloop de hoogste militaire dapperheidsonderscheiding.”

Kenmerkend voor de Irene Brigade, zo betogen zij die het kunnen weten zonder uitzondering, was het grote gevoel van camaraderie onder het uitzonderlijk heterogene gezelschap. De baron trok zij-aan-zij op met de arbeidersjongens, bajesklanten en avonturiers. “Een soldaat en een officier die samen de pub ingingen”, zegt oud-carrier-chauffeur Ad Raaijmakers (74), “dat was voor die Engelsen ondenkbaar. Die saamhorigheid ging door alle rangen en standen heen.”

D e eerste tekenen van een naderende invasie ontleende Herman van den Bergh, inmiddels seiner bij de derde gevechtseenheid, aan een bezoek dat fieldmarshall Montgomery in april '44 aan de Brigade bracht. “Hij kwam op een jeep aangereden, we stonden allemaal in een carré, op een groot veld, hij ging op die jeep staan en hield een peptalk aan het eind waarvan een van de officieren 'Break ranks!' riep. Toen moesten we allemaal op die jeep afrennen. Het verhaal ging dat hij zo kon zien hoe goed getraind de eenheid was. Dus we renden allemaal als gekken naar hem toe. Dat vond ik nogal indrukwekkend.” Na D-Day brak voor de brigade het grote wachten aan. Ter Haar: “Dat vonden we heel erg naar. Maar we wisten dat we eens naar de overkant zouden gaan.”

Strateeg Hemmes zet uiteen dat de manschappen zich hadden neer te leggen bij het 'volgnummer' dat de geallieerde regie kennelijk aan de Brigade had toebedeeld. Ten slotte werd geland op 7 en 8 augustus '44, op de stranden bij Arromanches en Courseuilles. “Wij werden gelijk met de Belgen overgebracht, vóórdat de grote uitbraak naar het noorden een feit was. Niet alleen het materieel ging in het ruim van de landingsvoertuigen, ook het personeel. En dan in hangmatten, wel 20 man hoog.” De zee was vlak, maar bij aankomst viel in de consternatie een carrier uit de takels. “We waren er heel gelukkig mee, dat we in ieder geval niet helemaal achteraan sjokten”, zegt Hemmes.

De brigade kreeg tot taak de stellingen bij Bréville van de zesde airborne-divisie, die zuidwaards trok, in te nemen. Daar, in het van muggen vergeven Normandische kustgebied, noteerden de Nederlanders de eerste drie doden. Hemmes: “Iedereen die met een Nederlandse eenheid deel wilde nemen aan die bevrijding, dacht: nu gaat het eindelijk gebeuren. We gaan weer naar moeders toe. We lagen in die loopgraven regelmatig onder vuur. De Duitsers waren daar een meter of 200, 300 vanaf.”

“Als er niet wordt geschoten, is het doodstil aan het front”, zegt Herman van den Bergh. Dat merkte hij toen hij bij Bréville met een collega zijn scoutcar uitlaadde en plotseling door zijn gevechtseenheid geheel verlaten bleek te zijn. Zonder het te weten reden ze vervolgens rechtstreeks op het front af. “Het werd hoe langer hoe stiller. Na 100, 150 meter zei ik: 'Ik verdom het verder.' Nog iets verder, en we waren in de vuurlinie gekomen. Die officiers van ons waren toch wel een beetje groen. Die hadden gezegd: zes uur is etenstijd, ga dan maar met je blikje naar de keuken. Dus al die soldaten kwamen uit de loopgraven. Die moffen zagen dat en begonnen meteen te paffen. Daar zijn de eerste dooien door gevallen.”

I n het voetspoor van Engelsen, Duitsers en Canadezen trok de Brigade in de weken na Pont-Audemer op in noord-oostelijke richting zonder noemenswaardige incidenten, of het zouden de voedselvergiftiging moeten zijn die een deel van de troep voor enkele dagen uitschakelde, de manschappen die op een mijn liepen en de soldaat die zich verwondde bij het schoonmaken van zijn brengun. De troep werd onthaald in een uitzinnig Brussel en Leuven. Het beleid van de bevelvoerders was er kennelijk op gericht de Brigade niet al te gehavend de Nederlandse grens te laten bereiken.

In de Brigade zaten veel jongens die - soms in strijd met een dienstbevel - hun gezond verstand gebruikten, stelt Van den Bergh, wat mede het relatief beperkte aantal gesneuvelden verklaart. Hij illustreert dit met een voorval: “Ik zat bij Diest met commandant Nijkerk en chauffeur Johnny in een open scoutcar direct achter de verkenners. Een aantal doorgebroken Duitse tanks begon ineens van 300 meter op ons te paffen. De sergeant-majoor gaf de order 'All around defense' en wees ons een plaats aan op het open terrein. Johnny en ik zeiden: We zijn niet gek; met een geweertje tegen tanks, dat wordt niks. Wij sprongen de greppel in, bovenop de sergeant-majoor Braak en de groot-majoor Hubert. Daarmee hebben we ons leven gered, want dispatchrijder Bijlsma, die wèl bleef liggen, is daar gesneuveld, Nijkerk is zwaar gewond geraakt en in de scoutcar, die werd getroffen door granaten, zijn de duizenden invasiefrancs die Johnny onderweg met pokeren had gewonnen in de vlammen opgegaan.”

Motorverkenner Van Lienden was er bij Diest van nabij getuige van hoe soldaat De Groot 'dwars door z'n kop geschoten' werd, terwijl de serpentines uit Brussel en Leuven nog aan de voertuigen hingen. Bij Beringen moest de brug over het Albertkanaal worden verdedigd, die zojuist door de Engelse Royal Guards was ingenomen. Verder naar het noorden troffen ze lichamen van gesneuvelde Engelsen en Duitsers in grote hoeveelheden aan, taferelen die de oud-strijders in het geheugen staan gegrift. In de ogen van de overwegend wat oudere Brigadeleden zeer jonge Engelse jongens, die opgebaard lagen in het mijngebouw waar ze kwartiermaakten. Weerheijm: “Voor de poort lag al die dagen dat we daar zaten een dode Duitser. Z'n laarzen waren gepikt en op 't laatst was 'ie net zo groen als z'n pakkie.”

Als de Brigade op 21 september 1944 bij Valkenswaard de Nederlandse grens passeert neemt luitenant Ter Haar, met zijn verkenningsafdeling behorend tot de eerst gearriveerde Nederlandse manschappen, zijn helm af voor een ogenblik van contemplatie. 's Morgens vroeg in Valkenswaard wordt op het plein een rondedans gehouden waaraan behalve leden van de zojuist ontwaakte burgerij ook de aalmoezenier, de veldpredikant, de legerrabbijn en een aantal nonnen deelneemt. Voor Van den Bergh breekt, hoewel 'geen kerks man', in Grave een ontroerend ogenblik aan, als de oude legerrabbijn Rodrigues Perreira er in de leeggeroofde synagoge de eerste joodse dienst in bevrijd Nederland houdt.

B ij Arnhem werd de groep paraat gehouden om na de operatie Market Garden naar Apeldoorn door te stomen, maar die geallieerde doorbraak werd door de Duitsers verijdeld. De groep trok door het land van Maas en Waal en nam vervolgens, na man-tegen-man-gevechten bij Hilvarenbeek, samen met een Schotse eenheid deel aan de bevrijding van Tilburg. Dan wordt de Irene Brigade ingezet op Noord-Beveland en Walcheren. Intussen zijn talloze, vaak wanhopige en toegetakelde tegenstanders krijgsgevangen gemaakt. Generaal b.d. Van Besouw heeft nooit kunnen doorgronden waarom bij Hedel op 26 april 1945 door de Brigade toch nog een bruggehoofd moest worden gevormd, waar geen follow up in de vorm van extra troepen en zwaar materieel op volgde. Luttele dagen vóór de Duitse overgave sneuvelden hierdoor nog twaalf Nederlandse soldaten.

Bij Hedel onderscheidde officier De Roos, een Canadese goudzoeker en ottervanger, zich zodanig dat hij er later de militaire Willemsorde voor zou ontvangen. “Met de mitrailleur heeft hij zo'n vijftien Duitsers om zeep gebracht”, vertelt ter Haar bewonderend. Er zaten kleurrijke figuren bij de Brigade, daarover zijn de veteranen het eens. Vooral degenen die uit het vreemdelingenlegioen afkomstig waren. “Een van hen rookte pijp”, zegt Van Lienden, “en die had een tabakszak, gemaakt van de gelooide borst van een Arabische vrouw.” Een andere legionnair heeft onderweg nog eens een kluis opgeblazen. Van Lienden: “Daar zat dan wel geen flikker in, maar hij wist wel precies hoe het moest.” Hemmes: “Er waren erbij die links en rechts stalen, maar nooit van de maten.” Ter Haar: “Figuren die uitstekend werk deden bij acties, begonnen zodra we het bevrijde noord-Nederland binnen trokken weer stiekem spullen weg te halen.”

Als de Brigade op 8 mei een feestvierend Den Haag binnen trekt, is Van Lienden daar niet bij. Hij was bij een oefening door een granaat gewond geraakt. Toen hij eindelijk bij zijn ouderlijk huis aanbelde, werd er open gedaan door een hem onbekende vrouw van zijn leeftijd. De vader van Mike van Lienden bleek inmiddels te zijn hertrouwd. “Hij had ook weer een aantal koters. Met veel moeite heb ik het adres van mijn moeder opgescharreld, en daar bleek ik er ook nog een klein broertje bij te hebben. Dan sta je als knulletje van 20, die na vijf jaar uit de oorlog komt, verdomd raar te kijken.”

De thuiskomst van Herman van den Bergh, die een week na de Kristallnacht op aandrang van zijn vader naar het buitenland was vertrokken, was na bijna zeven jaar afwezigheid wel buitengewoon wrang. Na de actie bij Hedel wilde hij naar Bergen Belsen, om zijn ouders te zoeken. “Ik mocht daar eerst niet heen van mijn commandant. Toen zei ik: 'Dan deserteer ik, want dit is een van de redenen waarom ik aan deze veldtocht deelneem.' Ik ben twee dagen in Bergen Belsen geweest. Mijn ouders bleken daar in maart '45 te zijn omgekomen, mijn broer en zuster waren gered. Op 4 mei ben ik weer terug gekomen, net op het moment dat korporaal Jansen zijn hoofd uit de commandantswagen stak en riep: 'Gecapituleerd.' Toen dacht ik bij mezelf: Voor mij toch een beetje laat.”