De mythe van Hendrikus Colijn

J. de Bruijn en H.J. Langeveld (red.): Colijn. Bouwstenen voor een biografie 338 blz., geïll., Kok Kampen 1994, ƒ 44,50

Hendrikus Colijn was een Nederlandse politicus die in de jaren twintig en dertig vijf kabinetten heeft geleid. 'Colijn' is echter vooral een samenvattend begrip voor brute crisispolitiek, streng gezag, strakke autoriteit en een natie die geen antwoord had op de nazi-dreiging. Colijn is een onderwerp dat emoties losmaakt en waarover vaste opinies bestaan. Het is niet gemakkelijk onbevangen over hem te schrijven en al helemaal niet in een bundel die verschijnt om de dood van Colijn vijftig jaar geleden te herdenken op de met diens antirevolutionaire traditie verbonden Vrije Universiteit. De samenstellers van de nieuwe Colijn-bundel, evenals de meeste auteurs aan de Vrije Universiteit werkzame historici, gaan behoedzaam met het probleem om. Zij noemden het boek bescheiden Colijn. Bouwstenen voor een biografie en hopen dat daaruit op den duur 'een meer synthetische visie' zal ontstaan. Daarmee geven ze onwillekeurig voedsel aan de misvatting dat een synthese niets anders is dan het resultaat van geduldige materiaalverzameling. Bovendien karaktiseren ze Colijn met de door een van de auteurs geciteerde dichtregel van Conrad Ferdinand Meyer als 'Ein Mensch mit seinem Widerspruch'. Met deze dooddoener achten ze zich ontslagen van de plicht 'de auteurs op één lijn te krijgen'. Zo kunnen in de bundel auteurs naast elkaar staan met verschillende belangstelling en verschillend uitgangspunt.

Met de tegenstrijdigheden in de bundel zelf valt het mee. De terughoudenheid van de samenstellers heeft er slechts toe geleid dat Colijns jaarsalaris als directeur van de Bataafsche Petroleum Maatschappij op de ene bladzijde op 25.000 gulden wordt gesteld, elders 60.000 bedraagt, terwijl de eraan verbonden tantièmes nu eens 900.000, dan weer een miljoen zijn, maar ook wel eens onvermeld blijven; nu ja, véél was het in ieder geval. Afgezien daarvan houdt bijna iedereen zich op zijn terrein en vermijden de auteurs bovendien heldenverering of verguizing, zodat de toon van de bijdragen niet al te zeer uiteenloopt.

Voorzichtige, niet geheel kritiekloze piëteit treft in de eerste bijdragen. De 'inleiding' van oud-premier Zijlstra is geschreven door iemand die in de antirevolutionaire traditie staat, woorden gebruikt die in het Colijn-vocabulaire een prominente plaats innamen ('gezagscrisis') maar te nuchter is om opnieuw een held van hem te maken. Zijlstra heeft zijn taak zo opgevat dat enige doublures ontstaan met het overzicht van de levensloop door G. Puchinger, de Colijn-kenner bij uitstek. De kracht van de bundel ligt zonder twijfel in de bijdragen over deelonderwerpen. Over Colijns crisispolitiek in de jaren dertig is zeer veel geschreven; wat daaraan voorafging is niet onbekend, maar heeft toch niet vaak zelfstandig onderwerp van studie uitgemaakt.

Pessimistisch

De uit een boerengezin afkomstige antirevolutionair Colijn (1869-1944) is zijn loopbaan in de jaren 1890 begonnen als militair in Nederlands-Indië. Daar zocht hij gevaarlijke missies. Toen hij van Java vertrok naar het oorlogsgebied Atjeh, schreef hij zijn vrouw: 'het is Zijn Wil, dat we gaan van elkander'. Maar het was toch vooral zijn eigen beslissing om via moeilijke opdrachten veel mee te maken en behoorlijk geld te verdienen. G. Zondergeld beschrijft Colijns optreden en opvattingen en laat ook diens vergoelijking van militair geweld tegen de inlanders niet onvermeld. Je proeft dat de auteur nog wel scherpere kwalificaties voor Colijns soldatenwerk heeft bedacht, maar hij laat ook veel van Colijn zelf zien via de brieven die deze op zijn reizen aan zijn vrouw schreef.

Als officier toonde Colijn zijn organisatie- en bestuurstalenten en steeg hij snel in aanzien. De antirevolutionairen haalden hem naar Nederland en in 1911 werd hij, tussentijds, minister van oorlog in een confessioneel kabinet. Toen dat kabinet in 1913 na de verkiezingen verdween, kreeg Colijn het aanbod directeur te worden van de Bataafsche Petroleum Maatschappij, de belangrijkste werkmaatschappij van wat we nu nog als Shell kennen. Colijn, die zich in Indië al enkele jaren op ondernemerspad had begeven, ging graag op het aanbod in. Hij meende financieel onafhankelijk te moeten zijn om zich daarna onbezorgd in een politieke carrière te kunnen storten. Langeveld toont de bedenkelijke verstrengeling van zakelijke en politieke belangen die zijn leven meer dan een decennium kenmerkte.

Het is de moeite waard de Colijn van vóór de crisis te onderzoeken. Zo blijkt welke man de Nederlandse politiek zou gaan domineren. Colijn die voor velen de verpersoonlijking is geworden van de starre, kleinburgerlijke wereld van voor de oorlog, was in veel opzichten juist een uitzondering in de politiek van zijn tijd. Hij was van boerenafkomst, terwijl de andere premiers van het interbellum, de katholiek Ruys de Beerenbrouck en de christelijk-historische De Geer, een adellijke titel voerden en anders dan hij de universiteit bezocht hadden. Colijn had een Indische carrière achter de rug, wat in de top van de Nederlandse politiek niet gebruikelijk was, en hij was militair van origine, wat daar al helemaal weinig voorkwam. Bovendien verdiende hij een fortuin en opende zijn werk voor de oliemaatschappij, dat hij gedeeltelijk te Londen verrichtte, de weg voor politieke arbeid in de internationale sfeer. Vanaf de jaren twintig, toen zijn fortuin was veiliggesteld, beperkte hij zich tot de politiek. Nadat in 1925 het eerste (kortdurende) kabinet dat onder zijn leiding stond gevallen was, speelde hij tot 1933 een grote rol op internationale economische congressen die tevergeefs orde trachtten te scheppen in de chaos van de wereldeconomie.

Colijn kon van 1933 tot 1939 zijn veelzijdige ervaring te gelde maken in de vier achtereenvolgende kabinetten die hij toen formeerde. Hij werd een 'nationale figuur'. Liberalen bejubelden hem en de katholieke Maasbode schreef in 1934: “Iemand, die in Indië actief vocht, zich zwemmend van een schipbreuk redde, in een wereldconcern carrière maakt, en bovendien bijbelvast is, moet een mythe worden voor den gemiddelden Hollander.” En een mythe werd hij. Hij verwierf het imago van de mannetjesputter, die eerst in zijn militaire en economische loopbaan, toen als minister van oorlog, later als minister van financiën en tenslotte als premier orde op zaken wist te stellen. Dit imago heeft zich na de oorlog tegen hem gekeerd: zijn orde had afgedaan. Vooral zijn politiek van sluitende begroting en gave gulden werd als hardvochtig, autoritair en contraproduktief afgewezen. In de bundel wordt soms voorzichtig geprobeerd de negatieve interpretaties bij te stellen (H. de Vries), maar er wordt ook zachtjes getornd aan het beeld in zijn algemeenheid. Was zijn politiek als minister van financiën vanaf 1923 eigenlijk wel wat zij scheen, sloot de begroting misschien alleen omdat kosten creatief getransporteerd werden van rijks- naar gemeentebegroting (Wantje Fritschy)? Was Colijn als ondernemer eigenlijk wel succesvol; ontbrak het de goede bestuurder soms aan fantasie en strategisch ondernemerschap (P.W. Klein)?

Charisma

In dit licht krijgt de typering van Colijn als mens met zijn 'Widerspruch' die Klein introduceert, een nieuwe betekenis. Want werd Colijn niet voor alles gezien, en presenteerde hij zich niet als de man uit één stuk, als de politicus die krachtig en zonder aarzeling één lijn trok, als de man aan wie juist daarom het landsbelang rustig kon worden toevertrouwd? Voor tegenstrijdigheid of onzekerheid was geen plaats: 's lands stuurman, zo werd hij getypeerd. In een belangrijke bijdrage analyseert De Bruijn de wijze waarop Colijns politieke positie zich ontwikkelde en geeft hij inzicht in de politieke mentaliteit van de periode. De Bruijn definieert 'charisma' eenvoudigweg zo dat op voorhand duidelijk is dat Colijn een charismatisch leider was, maar laat mooi zien aan welke sentimenten en behoeften Colijn appelleerde.

Het merkwaardige is dat Colijn groot succes had terwijl hij als politicus zijn publiek toch weinig perspectief bood. Hij ontkende de economische problemen niet, integendeel, hij meende dat ze in een aantal opzichten vrijwel onoplosbaar waren. Hij wordt geschetst als een tamelijk ongecompliceerde, optimistische persoon, maar zijn maatschappijvisie was pessimistisch. Nederland zou moeten wennen aan een wezenlijk lagere levensstandaard en het land moest blij zijn dat de totale chaos vermeden kon worden. Nu kon Colijn voortdurend rekenen op grote tegenstand, in de eerste plaats onder sociaal-democraten, maar later ook onder katholieken die actieve werkloosheidsbestrijding belangrijker begonnen te vinden dan een sluitende begroting. Toch bleef Colijns aanhang groot. Het lijkt me dat we zijn geheim, behalve in zijn imago van mannetjesputter, moeten zoeken in zijn opvatting van orde.

Het is wel vaker opgemerkt dat zijn monetaire politiek ook een moralistisch element bevatte: de gave gulden was in zijn ogen, behalve een zuiver economische kwestie, óók een zaak van vertrouwen en eenvoudig, ordelijk fatsoen. Ondanks al zijn brede, internationale ervaring was Colijns wereld in alle opzichten een wereld van orde, niet van dynamiek. Hij werd ondernemer, niet om te genieten van de stimulans van het snelle zakenleven, maar om zoveel geld te verzamelen dat hij daarna nooit meer behoefde te vrezen voor verandering in zijn status. Stabiele orde wilde hij niet alleen in zijn persoonlijk leven, maar streefde hij ook na in de internationale economische verhoudingen. En ook de Nederlandse maatschappij wilde hij een zo stevige orde bezorgen dat ze was voorbereid op de stormen die gingen komen. Colijn verschilde sterk van veel latere politici: hij streefde naar stabiliteit, niet naar beweging en ging uit van krimp, niet van groei.

Uitermate heftig kon Colijn reageren als 'het gezag' dat de orde moest schragen, werd aangetast. Het thema van orde is zo overheersend dat zijn gereformeerde geloof er soms zelfs in op lijkt te gaan. Uiteindelijk ging Colijns verlangen naar orde terug op zijn pessimisme: alleen bij strakke orde zouden mens en maatschappij gedijen. Het pessimisme speelde hem tenslotte parten in wat steevast wordt beschreven als de vlek op zijn blazoen: de defaitistische brochure Op de grens van twee werelden die hij aan het begin van de Duitse bezetting schreef. De antirevolutionair Colijn moest niets hebben van het totalitaire, atheïstische nazisme. Maar de pessimist Colijn had weinig meer om op terug te vallen. Had de parlementaire democratie wel voldoende aandacht besteed aan 'tucht', moest niet van een 'ouderdomszwakte', een 'verslapping' in de democratie gesproken worden? Met deze ene brochure is natuurlijk het werk van Colijn niet veroordeeld. Wel geeft hij inzicht in een politieke mentaliteit; de democraat is veroordeeld tot meer vertrouwen en optimisme dan Colijn aan het eind van zijn lange leven kon opbrengen.