De historicus als held

Marc Bloch, met Lucien Febvre oprichter en animator van 'Annales d'Histoire Economique et Sociale', verzette zich tegen een te beperkte traditionele geschiedschrijving. Maar hij zou niet tot intellectuele held zijn uitgegroeid als hij niet als lid van het Franse verzet door de Duitsers was doodgeschoten.

Vijftig jaar geleden sloeg de Gestapo in Lyon een grote slag. In enkele dagen tijds werden drieënzestig leden van de MUR (Mouvements Unis de la Résistance) gearresteerd. Een heel netwerk van de Résistance was hiermee in één klap opgerold. Eén van die drieënzestig gearresteerden was een man die de verzetsnaam 'Narbonne' voerde. 'Narbonne' werd overgebracht naar het hoofdkwartier van de Gestapo in Lyon dat toen gevestigd was in de vroegere Ecole de Santé Militaire in de avenue Bethelot. Het hoofd van de Gestapo in Lyon was Klaus Barbie. 'Narbonne' werd verhoord en gemarteld en daarna overgebracht naar de ziekenafdeling van de gevangenis Montluc, waar het verhoor werd voortgezet. Hij liet echter niets anders los dan zijn ware naam: Marc Bloch.

Op 6 juni 1944 vielen de Geallieerden Normandië binnen en de Duitsers begonnen de aanwezigheid van gevangenen lastig te vinden. Vandaar dat op 16 juni achtentwintig gevangenen uit de gevangenis Montluc werden overgebracht naar een grasveld bij het dorp St. Didier-de-Formans, even ten noorden van Lyon. Ze werden in groepjes van vier uitgeladen en door andere groepjes van vier, Duitse soldaten in dit geval, doodgeschoten. Marc Bloch werd met de andere geëxecuteerde gevangenen begraven in Saint-Didier.

Marc Bloch was een van de meest vooraanstaande Franse historici van zijn tijd. Een halve eeuw na zijn dood is zijn roem nog steeds springlevend. In feite is Bloch zelfs na zijn dood beroemder geworden dan hij tijdens zijn leven was. Daar heeft die dood natuurlijk mede toe bijgedragen. Door zijn verzetswerk, zijn lijden en zijn dood werd hij iets dat weinig andere historici zijn geweest: een intellectuele held. Het is daarom vijftig jaar na zijn dood passend bij dit merkwaardige leven stil te staan. De belangrijkste bron voor de kennis van zijn leven en werk is de biografie door Carole Fink: Marc Bloch, A Life in History, die in 1989 in Cambridge verscheen en thans ook in Canto-paperback beschikbaar is.

Marc Bloch was een typische representant van de joods-Franse of Frans-joodse intellectuele en sociale bovenlaag die in de Derde Republiek een zo belangrijke plaats innam. De familie Bloch was volstrekt geassimileerd. Hijzelf was een agnost die met de joodse religie alleen culturele affiniteit voelde. Zoals de andere assimilés zou ook hij echter op gezette tijden op brute wijze geconfronteerd worden met het feit dat zij in eigen ogen weliswaar volledig Frans, maar in sommige andere ogen eerst en vooral joods waren.

Zoals de meeste Franse joodse families waren ook de Blochs afkomstig uit Oost-Frankrijk, uit de Elzas, om precies te zijn uit Wintzenheim. Deze joodse familie ging niet zoals zovele andere in de handel, maar in onderwijs en wetenschap. De eerste die beroemd zou worden was Marc Blochs vader, Gustave Bloch. Deze historicus van de oudheid behoorde met generatiegenoten als Emile Durkheim en Henri Bergson tot de invloedrijke joodse intellectuelen van zijn tijd.

Marc Bloch werd geboren in 1886, hetzelfde jaar waarin Edouard Drumonts La France juive verscheen, het meest vermaarde en volumineuze anti-joodse geschrift uit die tijd. Hij was twaalf jaar toen de Dreyfus-affaire uitbarstte, de grootste antisemitische affaire uit de moderne Franse geschiedenis. Marc Bloch werd op jeugdige leeftijd toegelaten tot de Ecole Normale Supérieure in de rue d'Ulm, de kweekvijver van Frankrijks wetenschappelijke en literaire intellect en slaagde vervolgens als nr. 2 voor het moeilijkste en belangrijkste concours, de agrégation. Zoals zijn vader werd ook deze Bloch historicus. Daarom ging hij in 1908 naar het toenmalige Mekka der historische wetenschappen, Duitsland, om in Berlijn en Leipzig verder te studeren. Daarna werd hij geschiedenisleraar, eerst in Montpellier, later in Amiens, een wat grotere stad en, belangrijk voordeel, dichter bij Parijs. Dat was in 1913.

Een jaar later brak de Eerste Wereldoorlog uit en op 4 augustus 1914 meldde Marc Bloch zich bij zijn mobilisatiebestemming in Amiens. De komende vier jaar bracht de veelbelovende historicus door aan het front, dat wil zeggen in de loopgraven en af en toe in ziekenhuizen, dit laatste vooral als gevolg van de zware tyfus-epidemie die het Franse leger in het begin van de oorlog teisterde. Bloch overleefde de ziekte en de offensieven, werd in de zomer van 1918 voor de vierde keer gedecoreerd en bevorderd tot kapitein, om op 24 november 1918, twee weken na de Duitse nederlaag, als bevrijder de Elzas binnen te trekken, de Franse provincie die zijn familie in 1870 na de Duitse annexatie had verlaten. Hij zou daar voorlopig blijven, eerst als officier bij de inlichtingendienst, later, vanaf 1 oktober 1919, als docent aan de universiteit van Straatsburg.

Zo begon voor Marc Bloch tamelijk laat een rustig bestaan en een universitaire carrière. De nieuwe universiteit van Straatsburg zou uitgroeien tot een van de grootste en beste universiteiten van Frankrijk, speciaal op het toen nog tamelijk nieuwe gebied van de menswetenschappen. Meer dan de traditionele universiteiten stond ze open voor vernieuwing en interdisciplinaire samenwerking en meer dan elders heerste er een geest van maatschappelijke en politieke betrokkenheid. Die kenmerken vindt men ook terug in het nieuwe soort geschiedenis dat Marc Bloch wilde beoefenen en dat vooral bekend zou worden door het tijdschrift dat hij en een collega uit Straatsburg, Lucien Febvre, in 1929 zouden oprichten, de Annales d'Histoire Economique et Sociale, ook wel eenvoudigweg de Annales genoemd (de titel zou nog een paar keer worden veranderd).

Lucien Febvre een collega van Marc Bloch te noemen is weliswaar juist, maar geeft toch de verhoudingen niet helemaal goed weer. Febvre was acht jaar ouder dan Bloch. Hij was al vóór de oorlog gepromoveerd en bezette in Straatsburg een van de weinige leerstoelen. Bloch moest nog promoveren toen hij in Straatsburg begon en kreeg daar slechts de functie van chargé de cours, later van lector. Febvre was dus duidelijk de senior partner binnen dit tweemanschap. Beiden waren echter nauw verenigd in hun streven naar een nieuw soort geschiedwetenschap.

Die vernieuwing kwam vooral tot uiting in het verzet tegen de traditionele geschiedenis die zij als te beperkt van de hand wezen: te beperkt in thematiek (vooral politieke geschiedenis), te beperkt in sociale zin (te veel aandacht voor de grote en te weinig voor de kleine man), te beperkt in nationale zin, omdat zelden het kader van de Franse geschiedenis werd overschreden. Bloch en Febvre pleitten daarom voor een breder soort geschiedenis waarin men aandacht zou geven aan economische, sociale en psychologische aspecten, gebruik zou maken van de methoden en concepten van de andere menswetenschappen en de nationale grenzen zou overschrijden door middel van comparatieve benaderingen.

Het historisch werk van Bloch en Febvre biedt verschillende voorbeelden van deze nieuwe benadering. Zo is het boek van Marc Bloch, Les Rois thaumaturges, over de koningen die door handoplegging ziekten zouden kunnen genezen, een voorbeeld van wat men later histoire des mentalités zou gaan noemen. Ook Lucien Febvres boek over Rabelais en het probleem van het ongeloof in de zestiende eeuw behoort tot dit genre. Blochs grote boek over La Société féodale is een ander voorbeeld van vernieuwing: een poging sociale en politieke geschiedenis te integreren en een comparatieve benadering van het verschijnsel te geven. Les Caractères originaux de l'histoire rurale française, een ander beroemd boek van Bloch, getuigt van zijn pionierswerk op het gebied van de agrarische geschiedenis.

Zoals uit deze voorbeelden blijkt, bleven beide historici bij al hun pogingen tot vernieuwing trouw aan hun specialisaties, respectievelijk de middeleeuwen en de vroeg-moderne tijd. Ook moet gezegd worden dat zij in hun streven naar een nieuwer soort geschiedenis noch de eersten noch de enigen waren. Anderen waren hen voorgegaan, in Duitsland met name, maar ook de grote Belgische historicus Henri Pirenne die door de beide Straatsburgse historici dan ook als hun maître werd beschouwd. Toen Bloch en Febvre het plan bedachten voor de oprichting van een nieuw tijdschrift boden zij het hoofdredacteurschap daarom eerst aan Pirenne aan. Toen deze weigerde, deden zij het toch maar zelf en zo ontstond in 1929 het tijdschrift Annales. De Annales werd uiteindelijk een succes, maar dat succes kwam pas na de oorlog.

Febvre was van de twee de meest succesvolle. In 1933 werd hij na een eerdere mislukte poging benoemd aan het Collège de France, Frankrijks meest prestigieuze onderwijsinstelling. Bloch had het daar ook al eens geprobeerd maar tevergeefs. In 1934 probeerde hij het opnieuw, weer tevergeefs. Hij bleef solliciteren en gaf zijn pogingen pas op toen hij in 1936 de kans kreeg aan de Sorbonne benoemd te worden. Zo waren de Annales-redacteuren ten slotte dan toch beiden in Parijs terecht gekomen.

Deze nabijheid nam overigens de onderlinge spanningen niet geheel weg. Bloch was weinig gelukkig met de wel zeer afstandelijke rol die Febvre had gespeeld bij zijn pogingen aan het Collège de France benoemd te worden. Hij had ook moeite met de manier waarop Febvre bij de Annales zijn zin doordrukte. Ook het steeds sterker opkomende antisemitisme begon een probleem te worden. Dat was het al geweest bij Blochs pogingen te worden benoemd aan het Collège de France, waaraan relatief veel joodse hoogleraren verbonden waren. Toen Bloch later overwoog te solliciteren naar het directeurschap van de Ecole Normale Supérieure ontraadde Febvre hem dat mede om deze reden: het zou aanleiding kunnen geven tot antisemitische campagnes. Bloch vond dit een verkeerde houding. De enige goede reactie op zulke gevaren, zo vond hij, was moed: courage. Deze problemen zouden tijdens de oorlog alleen maar sterker worden.

De oorlog begon zoals bekend in september 1939 en Bloch, inmiddels drieënvijftig, trok terstond weer het legeruniform aan. Aanvankelijk gebeurde er echter niet veel, want pas op 10 mei 1940 begon de oorlog echt, althans in het Westen. Kapitein Bloch werd ditmaal na enige andere functies belast met de verdeling van de benzine van het Eerste Franse Leger. Na de doorbraak van Guderian was het Eerste Leger afgesneden van de terugtocht. Bloch en zijn onderdeel ontsnapten door over te steken naar Engeland, vanwaar zij zich nog dezelfde dag, na een lange treinreis van Dover naar Plymouth, weer inscheepten om naar Frankrijk, in casu Cherbourg, terug te keren en daar de strijd voort te zetten. Het was echter inmiddels 2 juni geworden en er viel niet veel meer te strijden. Op 17 juni vroeg Pétain een wapenstilstand aan.

Het eerste wat Bloch hierna deed, was een boek schrijver over de gebeurtenissen die hij zojuist had meegemaakt. In L'étrange défaite analyseerde hij de oorzaken van de Franse nederlaag, niet alleen de militaire oorzaken, de fouten van de Franse legerleiding, maar ook de diepere oorzaken, het onvermogen van de Republiek om haar burgers te mobiliseren tegen het gevaar van de nazi's.

Inmiddels moest echter ook over de toekomst van hemzelf en zijn familie worden nagedacht. Na de wapenstilstand was Frankrijk verdeeld in een bezet en een onbezet deel. In dat laatste, Vichy-Frankrijk, bestond aanvankelijk meer bewegingsvrijheid. Bloch zocht en vond daar werk, eerst aan de Universiteit van Straatsburg in ballingschap, die in Clermont-Ferrand was gevestigd, later in Montpellier. Lucien Febvre bleef in Parijs en zette van daaruit de Annales voort. Dit zou al spoedig aanleiding geven tot een groot conflict.

Bloch en Febvre waren, sinds zij hun contract met de uitgever Armand Colin hadden opgezegd, eigenaars van de Annales geworden. Dat betekende, in termen van de Duitse bezetters, dat het tijdschrift voor een deel eigendom was van een niet-Ariër. Daarmee liep het gevaar te worden geconfisqueerd of geliquideerd. Vanwege dit gevaar vroeg Febvre aan Bloch hun contract op te zeggen en de volledige eigendom aan hem, Febvre, over te dragen. Bloch weigerde verontwaardigd. Hij voelde er niets voor de Annales onder toezicht van de Duitse bezetter voort te zetten en zijn naam uit het blad te laten verwijderen. Maar Febvre wilde van geen wijken weten. Hij beschuldigde Bloch van desertie en verraad: een wat eigenaardige interpretatie van hun beider rollen. Bloch moest echter wel toegeven, want hij had geen keus. Zo verschenen de Annales tijdens de oorlog met in de kop de woorden: Directeur responsable: Lucien Febvre. Blochs bijdragen werden voortaan onder pseudoniem gepubliceerd.

Ook in andere opzichten verslechterde de situatie voor Bloch nu snel. De Vichy-regering ging steeds krachtiger collaboreren en liep in anti-joodse maatregelen zelfs op de Duitsers vooruit. De Duitse bezetters van hun kant legden beslag op alle joodse bezittingen in Parijs waarvan de eigenaar afwezig was. Zo verdwenen in april 1942 Blochs bezittingen, waaronder zijn belangrijke bibliotheek, uit zijn Parijse appartement. Op 11 november 1942, direct na de geallieerde landingen in Noord-Afrika, trokken Duitse troepen de onbezette zone binnen. Daarmee kwam de facto een einde aan Vichy-Frankrijk.

In diezelfde novembermaand arriveerde Obersturmführer Barbie in Lyon als hoofd van de Gestapo. In deze tijd besloot Bloch zich aan te sluiten bij het verzet. Dat was nog niet zo eenvoudig. Maar via een oude vriend uit de Straatburgse faculteit in ballingschap kwam hij in contact met de groep Franc-Tireur. Onder de code-naam 'Narbonne' werd hij coördinator van een aantal verzetsgroepen. Na ruim een jaar ging het fout. Op 8 maart 1944 werd Marc Bloch gearresteerd.

Marc Bloch was bij zijn leven een belangrijk en gezaghebbend historicus. Na de oorlog zou hij vooral bekend worden als een van de grondleggers van de Annales-school. De ster van de Annales steeg immers na de oorlog tot grote hoogte. De naam van het tijdschrift werd veranderd in Annales. Economies, Sociétés, Civilisations. Daarmee verdween het woord geschiedenis uit de titel, maar niet uit de inhoud. Integendeel, de Annales werd al snel een van de meest prestigieuze historische tijdschriften ter wereld. In 1947 werd de VIe Section van de Ecole Pratique des Hautes Etudes opgericht en Lucien Febvre werd tot de eerste president hiervan benoemd. Hiermee werd de 'Annales-school' ook echt een school.

De VIe Section, zoals ze kortweg genoemd werd, groeide uit tot Frankrijks belangrijkste centrum van onderwijs en onderzoek in de sociale wetenschappen. Dat gebeurde onder Febvres opvolger Fernand Braudel. Braudel had Bloch zelf nooit gekend, maar hij hield zijn nagedachtenis in hoge ere. Er kwam een Marc Bloch Lezing en een Marc Bloch Stichting en zo nog meer. Blochs nagelaten werk werd posthuum uitgegeven, ander werk van hem geregeld herdrukt. De beginjaren van de Annales werden door Braudel altijd met eerbied herdacht. De grote tijd van de Annales, zo placht hij te zeggen, waren de eerste tien jaren, van 1929 tot 1939, toen alles nog nieuw was en vernieuwend, de jaren van Bloch en Febvre samen dus. Misschien had hij daarin gelijk.