Dat knagend gevoel van incompleetheid

Werner Muensterberger: Collecting. An Unruly Passion. Psychological Perspectives 295 blz., Princeton University Press 1994, ƒ 65,45

Behalve de mevrouw die al dertig jaar lege boterhamzakjes spaart, is er geen ontroerender verzamelaar dan kardinaal Albrecht van Brandenburg. Deze tijdgenoot van Maarten Luther bracht zoveel heilige relikwieën bijeen dat hij zich voor 39.245.120 jaar van zieleheil verzekerde. Toch stierf hij met het knagende gevoel van incompleetheid dat eigen is aan alle collectioneurs, of ze nu geobsedeerd zijn door onbetaalbaar Chinees porselein of gratis sleutelhangers.

Verzamelen is misschien wel de menselijkste van alle menselijke bezigheden en het is geen toeval dat de tempels van onze cultuur, musea en bibliotheken, bijna allemaal zijn ontstaan uit ziekelijke verzamelzucht of kleptomanie. Dat geldt net zo goed voor de fameuze Bodleian Library in Oxford (die voortkomt uit de boekerij van de excentrieke bibliofiel Sir Thomas Bodley) als voor het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden, dat akelig leeg zou zijn zonder de maniakale collectiedrift van de zeventiende-eeuwse Amsterdamse broers Gerrit en Jan Reijnst.

Vanouds hebben psycho-analytici veel belangstelling voor mensen die op ordentelijke wijze speldjes, middeleeuwse manuscripten, spinnen of plakplaatjes van Toby Rix sparen. Sinds Freud geldt verzamelen als een sleutel tot de geheimen van de ziel, want de obsessie om dingen bijeen te brengen, ze te koesteren en te genieten van je hebzucht, dat alles was volgens hem een duidelijk teken van regressie naar de anale fase, het stadium waarin men als kind geobsedeerd is door de eigen faecaliën.

Of velen deze opvattingen nu nog onderschrijven weet ik niet, maar ik betwijfel of iemand na lezing van het recent verschenen Collecting. An Unruly Passion door Werner Muensterberger geneigd zal zijn dit alsnog te doen. Toch is deze poging de menselijke vergaardrift uit psychoanalytisch perspectief te verklaren nogal onderhoudend. Toegegeven, de lezer moet zich soms een weg kappen door Freudiaanse uitweidingen (zoals over de rol van jeugdtrauma's bij de projectie van affectieve gevoelens, de rituele fixatie op repeterend gedrag en de narcistische overcompensatie van gefrustreerde almachtsfantasieën), maar daarna wachten een paar geestige verhalen over zonderlinge of waanzinnige collectioneurs

Sir Thomas Phillipps

Hoewel Muensterberger helaas erg weinig aandacht schenkt aan de teddyberen-freak Peter Bull, die hij vlak voor diens dood nog uitgebreid interviewde, weet hij bijvoorbeeld mooi te vertellen over de koppensnellers van Borneo, die hun schedelcollecties evenzeer koesterden als wij onze postzegels. Maar het hoogtpunt van het boek bestaat uit drie 'psycho-biografieën' van lieden wier accumulatiedrift danig uit de hand liep. Het gaat om de bekende bibliomaan Sir Thomas Phillipps, de schrijver Honoré de Balzac, een pathologisch verzamelaar van bric-à-brac, en meneer G., een anonieme kennis van de auteur die door zijn hang naar vaatwerk uit de Ming-dynastie in handen viel van de Chinese mafia.

Het verhaal van Sir Thomas Phillipps is het schrijnendst en dus het interessantst. Toen deze buitenechtelijke zoon van een rijke industrieel in 1872 stierf, liet hij zowat de grootste en kostbaarste collectie boeken en manuscripten na die ooit door één individu bijeen is gebracht. Tot op de dag van vandaag heeft Sotheby's ongeveer zestig veilingen georganiseerd om de zo'n 60.000 handschriften en ongeveer 50.000 drukwerken aan de man te brengen, maar na meer dan een eeuw afhameren is de voorraad nog niet uitgeput.

Sir Thomas Phillipps was dan ook niet zomaar een liefhebber van boeken. Hij werd zijn leven lang verteerd door één gedachte: koste wat kost een exemplaar te bezitten van alle druksels ter wereld. En dat kostte hem niet alleen zijn gehele fortuin, maar ook een reeks boekhandelaren en antiquaren hun bestaan omdat hij hun rekeningen niet betaalde. Het kostte ook het leven van zijn eerste vrouw die, aan haar lot overgelaten, op een ellendige wijze wegkwijnde tussen de papierstapels. Phillipps' tweede echtgenote voelde al snel nattigheid. “I'm booked out of one wing and ratted out of the other”, verklaarde zij het besluit haar nieuwe huis te mijden en toevlucht te zoeken in een huurkamertje aan de kust.

Niemand zal beweren dat Sir Thomas een beminnelijk mens was, wel dat hij zijn hobby serieus nam. In feite verzamelde hij alles waarop letters stonden: Babylonische cilinderzegels evenzogoed als notariële aktes, brieven, kaarten, kranten; zelfs van kladbloknotities kon hij geen afscheid nemen. De ramen van zijn enorme huis mochten nooit worden geopend, uit angst dat er een papiertje uit de torenhoge stapels weg zou raken. Behalve rotzooi verzamelde Phillipps wel degelijk ook kostbare manuscripten, zoals een 14de-eeuwse tekst van Valerius Maximus met aantekeningen van Petrarca, een 15de-eeuwse kopie van brieven van de Heilige Hieronymus en Augustinus, en veel tekeningen van Michelangelo, Leonardo en Rubens. Hoewel hij tenslotte door kenners uit de gehele wereld werd geacht en geraadpleegd, beleefde hij zelf weinig genoegen aan zijn bezit. Het ergste was niet dat zijn dochters wegliepen, dat zijn vrouw hem haatte en dat de schuldeisers hem achtervolgden, het ergste was dat zijn collectie incompleet bleef. Hoewel op het laatst nog maar één kamer van zijn immense huis bewoonbaar was, de steunbalken kreunden onder het gewicht van het drukwerk, en gasten bij de bediende moesten eten, werd hij voortdurend opgejaagd door de behoefte aan almaar meer.

Muensterberger ziet in Sir Thomas Phillips een zielige patiënt, die door gebrek aan moederliefde zijn gehele leven op zoek was naar zijn identiteit. Vandaar zijn obsessie met heraldische geschriften, zijn gefingeerde stamboom, zijn ongeremde egocentrisme en zijn manische fixatie op het verkrijgen van objecten. “I wish to have ONE COPY OF EVERY BOOK IN THE WORLD”, schreef Phillipps nog met hoofdletters in een brief drie jaar voor zijn dood. Met die hartekreet vatte hij de tragiek van alle collectioneurs samen.

Toch is het de vraag of de therapeutisering van de verzamelende mens, zoals Muensterberger dat in zijn boek doet, werkelijk inzicht biedt. Beschaving is tenslotte de optelsom van onze geestelijke zwaktes, maar in Collecting blijft het heilzame aspect van verzamelen volkomen onderbelicht. Wie als kind bierviltjes spaart, strip-albums of prentjes van voetballers, leert zo immers wat toewijding is, en ambachtelijkheid, en respect voor materiële objecten. Dat is geen anale regressie, dunkt me, maar de eerste schrede op weg naar een gecultiveerd bestaan.