D-Day door Duitse ogen

Overmorgen wordt de invasie van Normandië herdacht. Maar wat wordt er nu precies herdacht: alléén West-Europa's bevrijding van het nazisme, of ook de vestiging van de Duitse democratie? Een portret van drie Duitsers die in juni 1944 als militair in Frankrijk dienden. 'Als Duitsland gewonnen had, hadden we heel Europa moeten controleren, dat was toch zeker niks geworden.'

Der Tommy ist gelandet, nördlich von Caen! Dat schrijft pionier Walter Hofmann 's ochtends om zes uur haastig in zijn dagboek. Hij ligt in het plaatsje Vernon aan de Seine, vlak bij het hoofdkwartier van veldmaarschalk Erwin Rommels Legergroep B in La Roche-Guyot, waar de alarmmelding vandaag gekomen is. Walter Hofmann is 22 en in zijn vierde oorlogsjaar. Hij hoort tot de 21ste tankdivisie van het zevende leger van Generaloberst Friedrich Dollmann en moet met zijn pioniereenheid (50 man) zo snel mogelijk via het al brandende dorp Falaise zien te komen naar een knooppunt van de wegen naar Bayeux en St.-Lô, bezuiden Caen. Dat lukt, maar voor het einde van de dag zullen tien van zijn Kameraden gesneuveld zijn.

Het is 6 juni 1944, Hofmann beleeft D-Day. De geallieerde invasie, de operatie Overlord, is begonnen, over een breedte van 50 km tussen Caen en Cherbourg, met landingen op strandjes met codenamen als Utah (23.000 Amerikanen), Omaha (34.000) en - wat noordelijker - Gold (25.000 Britten), Sword (29.000) en Juno (21.500 Canadezen). Met 12.000 vliegtuigen en 6.500 schepen (4.000 landingsvaartuigen). 's Nachts zijn langs de monding van de rivieren Vire (St.-Lô) en Orne (Caen) alvast 25.000 parachutisten gedropt terwijl enorme luchteskaders bommentapijten hebben gelegd. De invasie komt op een onverwachte plaats en tijd. Hitler heeft haar bij Calais verwacht. En in Rommels calculaties is rekening gehouden met het verloop van de waterstanden en dus met intervallen van twee weken voor een waarschijnlijke invasiedag. Zo'n dag, van 4 op 5 juni, is net voorbij, nogal wat Duitse officieren hebben zichzelf al een verlofje in Parijs toegedacht.

De verwarring in Rommels Legergroep B is groot, vooral in het zevende leger dat met drie qua bewapening, bemanning en ervaring middelmatige divisies de eerste klap moet opvangen. Die divisies zijn: Hofmanns 21ste tankdivisie (16.000 man), de 716de infanteriedivisie (8.000) alsook - iets daarachter - de SS-tankdivisie 'Hitlerjugend' (20.000). Wat verder naar het westen liggen de 352ste infanteriedivisie (12.000) en het zesde parachutistenregiment bij St.-Lô. Oostelijk van de Orne ligt de 711de infanteriedivisie (13.000). In die divisies komen nogal wat overgelopen Oosteuropeanen voor, die eigenlijk vinden dat ze in Frankrijk weinig te zoeken hebben, laat staan te vechten. Of fanatieke maar onervaren 16- en 17-jarigen, zoals in de Hitlerjugend-divisie.

De Kriegsmarine, voor zover die nog bestaat, is nauwelijks aanwezig, en de door Hitler en Göring aan Rommel beloofde vliegtuigen zijn niet gekomen. Bovendien blijven Rommel en zijn chef, veldmaarschalk Gerd von Rundstedt, commandant legergroep West, verdeeld over de vraag of de invasiemacht direct aan de kust aangevallen moet worden, zoals Rommel wil, of liever meer landinwaarts. De Amerikaanse opperbevelhebber, Eisenhower, noemde naderhand zulke Duitse fouten en tegenstellingen “mijn beste wapen”.

Het landmaterieel is vaak slecht. In een binnenkort verschijnend boek van de Franse historicus F.A. James zegt de destijds tot de 21ste tankdivisie behorende jonge kapitein Arnold Herr dat de in 1940 buitgemaakte Franse Hotschkiss- en Somua-tanks van zijn eskadron in feite 'rijdende doodskisten' waren. Zijn schoonvader generaal Dollmann, de divisiecommandant, pleegde overigens op bevel van de Führer na de val van Cherbourg zelfmoord. De GröFaz (Grösster Feldherr aller Zeiten), zoals officieren hem al dan niet spottend noemen, was immers van mening was dat het Duitse volk niet verdiende voort te leven als het zijn oorlog niet kon winnen.

I llustratief voor het ongeloof en de verwarring in de Duitse legertop op 6 juni is het verhaal van de destijds 34-jarige majoor Werner Pluskat van de 352ste divisie, een hoofdpersoon in Cornelius Ryans The Longest Day 1). Pluskat is 's nachts wakker geworden van het ongewoon zware gedreun boven zijn hoofdkwartier in Etreham, 7 km van de kust. Hij vertrouwt de geruststellende verklaringen van zijn collega-officieren niet en gaat kort na middernacht naar een van de betonnen artillerie-observatieposten in de duinen. Urenlang kijkt hij wantrouwend met zijn verrekijker door een waarnemingssleuf, tot een mistige dag aanbreekt. Dan begint een bulderend kanonvuur uit zee, die Pluskat plotseling - als op een ansichtkaart - adembenemend vol ziet liggen met een geallieerde armada. De ervaren frontofficier pakt de veldtelefoon en belt zijn collega majoor Block in het divisiehoofdkwartier. “Block, dit is de invasie, er liggen hier 10.000 schepen voor de kust.”

“Houd je hersens bij elkaar, Pluskat!”, roept Block terug, “de Amerikanen en Britten hebben samen niet eens zoveel schepen, niemand heeft zoveel schepen.” Pluskat: “Kom dan hier, als je me niet gelooft en kijk zelf. Het is fantastisch, ongelooflijk!” Block zwijgt even en vraagt dan: “Waar varen die schepen heen?” Pluskat: “Recht op me af.”

In een speciale aan D-Day gewijde editie van het Amerikaanse legerblad Stars and Stripes, vertelt de nu 84-jarige Pluskat, ondanks zijn leeftijd nog actief als zakenman in Heilbronn, hoe Rommel, die veel betere vermoedens over het geallieerde invasiedoel had dan Hitler en het militaire opperbevel in Berlijn, al weken van te voren het artillerie-schootsveld pal op het strand heeft laten leggen. Pluskat vertelt ook hoe hij later die juni-ochtend uit het alternatieve Führerhauptkwartier in Berchtesgaden wordt gebeld door veldmaarschalk Wilhelm Keitel, die Hitler nog niet heeft durven wekken. Door een krakende telefoonlijn vraagt Keitel, die na de oorlog in Neurenberg ter dood werd veroordeeld: “Wat is er daar precies aan de hand, Pluskat?” Als hij antwoord heeft gekregen hoort Pluskat hem opzij zeggen: “We móeten nu de Führer wekken.”

Even later belt kolonel-generaal Alfred Jodl, Keitels plaatsvervanger met, naar Pluskat vermoedt, de gewekte Hitler aan zijn zijde. Nog steeds overheerst het ongeloof, Hitler zal trouwens vier weken later nog steeds denken dat de 'echte' invasie bij Calais zal volgen. Jodl vraagt of Pluskat nóg eens wil rapporteren. “Op dat moment werd mijn bunker door een voltreffer van een geallieerd schip geraakt, de lijn viel weg.”

Die zesde juni '44 is niet alleen het begin van de bevrijding van West-Europa, maar ook het begin van een bloedbad. Nog één keer Pluskat in dat Amerikaanse legerblad, over de landing op Omaha-Beach: “Het was verschrikkelijk. Ze gingen als lammeren naar de slachtbank. Ik zag er alleen al honderden in zee sterven. We hadden geen kogel meer over, ik droom er 's nachts nog van.” En: “Mijn bunker kreeg twee directe voltreffers, ik vloog bloedend tegen de muur. Het was een gevecht van muggen tegen een olifant. We werden uitgerookt. Het Duitse leger was opgebrand. (...) We hadden niets meer, we waren verlaten, we waren kanonnenvoer.”

Aan geallieerde kant sneuvelden 6 juni 2500 man, tot eind augustus '44 verloor de geallieerde invasiemacht 37.000 man. Aan Duitse kant vielen circa 150.000 man, van wie er 60.000 in Normandië begraven liggen.

D ie junimaand van 1944 maakte volstrekt duidelijk dat de oorlog voor het Derde Rijk verloren was. De Duitse troepen waren uit Afrika verdreven, op de Balkan en in Rusland waren ze op de terugtocht. Een Brits-Amerikaans invasiecorps had begin juni Rome veroverd, de invasie in Normandië was een feit. Het Rode Leger zou 22 juni aan het langverwachte grootscheepse zomeroffensief beginnen. Duitsland stond nu niet voor een twee-frontenoorlog, zijn 'traditionele' angst, maar moest - leeggebloed als het al was - zelfs aan vier fronten vechten. Zijn geallieerde tegenstanders hadden bovendien als extra stimulans dat zij, anders dan in de Eerste Wereldoorlog, tegen een crimineel, moorddadig en racistisch regime vochten.

Churchill en Roosevelt hadden niet voor niets in 1943 in Casablanca de onvoorwaardelijke capitulatie van Duitsland als doelstelling afgesproken. Hun afspraak zorgde voor een enorm dilemma onder die Duitsers die tegen Hitler waren maar tegelijkertijd hun land op enige manier wilden laten overleven. Zoals Peter Pechel, de latere hoofdredacteur van de zender Freies Berlin, die destijds in Frankrijk kapitein was en wiens vader als anti-NSDAP-man sinds 1942 in het concentratiekamp Oranienburg zat. Tegen de Frankfurter Allgemeine Zeitung zei Pechel vorige week (28 mei): “Aan de ene kant wilde ik geen duitse overwinning, maar een eervolle vrede. Aan de andere kant wilde ik het Hitlerregime zo snel mogelijk zien verdwijnen.”

U it het Duitsland dat Und morgen die ganze Welt zong, is door de geallieerde inspanning de in Europa geïntegreerde, eerder klagerige dan krijgshaftige Bondsrepubliek van vandaag ontstaan. Dat is een 'ander Duitsland', maar hoe anders is het? En was het er misschien al een beetje in 1944? Wat te denken bijvoorbeeld van de Pruisische, veelal militaire 'vaderlanders' die toen met zeer grote moed en gevaar voor eigen leven van Hitler probeerden af te komen, zoals op 20 juli 1944 met de Stauffenberg-aanslag? Wat te denken van de zogenoemde 'Kreisauer Kreis' rondom James Graf von Moltke, Stauffenberg, en de 'Hotel-Majesticgroep', zo genoemd naar de anti-Hitler officieren en intellectuelen die in 1943/'44 in dat Parijse hotel aanslagen op de Führer hielpen voorbereiden.

Wilden zij destijds een Duitse democratie, wilden zij mét Hitler het boosaardige Derde Rijk liquideren? Of wilden zij slechts het kansloos-omsingelde vaderland redden uit de militaire noodsituatie waarin de Böhmische Gefreite, Hitler, het had gebracht? Feit is dat de aanslag van 20 juli 1944 in het hedendaagse officiële Duitsland meer aandacht krijgt dan de 'principiële' moordaanslag op Hitler door Georg Elsner in de Münchense Bürgerbräukeller (november 1939) of het uit 1942 daterende verzet van de Münchense studenten-Scholl (Die Weisse Rose).

In Bonn, in het hooggelegen stadsdeel dat als de 'Venusberg' bekend staat, woont de nu 84-jarige Walter Bargatzky. Hij behoorde als bestuursambtenaar in de oorlog in hotel Majestic tot de anti-Hitlergroep rond de Pruissische generaal Karl Heinrich von Stülpnagel, diens chef-staf kolonel Hans Speidel en de destijds nog onomstreden 'nationalistische' dichter/schrijver/filosoof Ernst Jünger. Bargatzky stelde destijds in Parijs de juridisch-ambtelijke documenten op die nodig waren voor het geval de Stauffenberg-aanslag zou slagen. Op verzoek van veldmaarschalk Rommel maakte hij in 1944 het geheime ontwerp voor een eenzijdige wapenstilstand met de geallieerden. Hij doet daarvan verslag in zijn boek Hotel Majestic. 11) Het is een boek uit 1987, dat weliswaar snel uitverkocht was, maar waarvan - hij zegt het met een ironisch lachje - de uitgever toch geen tweede druk heeft gemaakt.

Bargatzky, die na de oorlog staatssecretaris en voorzitter van het Duitse Rode Kruis was, is héél beslist. “De Stauffenberg-aanslag was véél te laat. Hitler had al ten val gebracht moeten worden bij zijn bezetting van het Rijnland, midden jaren dertig.” Bargatzky verwijt mislukte putschisten als Stauffenberg en Rommel opportunistisch gedrag. “Als ze de invasie maar half hadden kunnen afwenden, hadden ze doorgevochten om groot-Duitsland te laten voortbestaan”, zegt hij. Veelzeggende anekdote uit zijn boek: als Rommels latere opvolger veldmaarschalk Hans von Kluge namens de aspirant-putschisten vlak voor Stauffenbergs aanslag wordt gevraagd of hij ook van de partij is, antwoordt deze: “Ja, als het lukt, anders zijn jullie allemaal dood.” Wat niet verhindert dat Kluge op 19 augustus wegens zijn voorkennis tot zelfmoord wordt gedwongen, net als Rommel een paar weken daarvoor.

H et was voorspelbaar dat er veel te doen zou zijn over de vraag of het 'officiële' verenigde en democratische Duitsland mee kon doen aan de viering van het gouden jubileum van D-Day. Die vraag is al negatief beantwoord. Dat moest ook wel nadat Mitterrands Parijs de herdenking een zwaar politiek-diplomatiek cachet en daarmee ook een gevoelig historisch accent had gegeven. Wat kanselier Kohl weer dwong om met nadruk te zeggen dat hij nooit een uitnodiging had gevraagd of had gewenst om met Mitterrand en andere staatshoofden op Omaha-Beach te verschijnen voor een herdenking van de geallieerde invasie.

Voor dit enigszins 'hype' probleem volgen nog nadere oplossingen. De diplomatieke plamuurmeesters zijn al aan het werk met Frans-Duitse studentenontmoetingen, waar later volgende week Helmut Kohl en François Mitterrand aan zullen deelnemen. Voor 1995 zijn mooie verzoenende programma's in voorbereiding voor de gouden viering van de Duitse capitulatie. Bovendien doet de Frans-Duitse as het redelijk, die uitvinding van Adenauer en De Gaulle, die de 125 jaar van 'Metz, Sedan en Compiègne' (1870-'71), 'Verdun' en 'Versailles' (1914-'19), 'Vichy' en 'Normandië' ('40 -'45) tot aan de Duitse eenwording (1990) en de daarop gevolgde Europese-Unie-akkoorden van Maastricht moet overspannen. Ja, de Duitsers maken zich nu zelfs meer zorgen over de Fransen dan omgekeerd.

Toch blijft het de vraag: Wat wordt er overmorgen herdacht, alléén de bevrijding van West-Europa of (ook) de bevrijding van het nazisme en de vestiging van democratie in Duitsland? Een land dat gezien zijn gewicht, geschiedenis en geografie altijd moet waken voor politiek isolement in Europa, en daarbij wat (meer) begrip en hulp van buren goed kan gebruiken. Wat denken (oudere) Duitsers daar zelf over? Zien zij de invasie in Normandië als opmaat voor Duitslands 'nederlaag' of vinden zij dat die geallieerde soldaten óók gesneuveld zijn om de 'Europese' Bondsrepubliek anno 1994 mogelijk te maken?

Ik heb die schijnbaar retorische vraag voorgelegd aan drie oudere heren met oerduitse namen, die in juni '44 als militair in Frankrijk dienden. Zo rond hun twintigste gingen zij niet naar de universiteit of naar hun eerste baas, maar met Hitlers legers naar Leningrad, het kanaal van Korinthe of Rostov. Een drieluik van heel verschillende senioren, gerekend naar afkomst, opleiding en loopbaan in het na-oorlogse Duitsland. Drie keer viel het antwoord niet mee.

1) Cornelius Ryan, The Longest Day, June 6th 1944. D-Day, Coronet Books, Londen, ISBN 0 340 411880.

11) Walter Bargatzky, Hotel Majestic, Ein Deutscher im besetzten Frankreich, Herder Verlag, 1987, ISBN 3-451-08388-4.