Cornell Rochester eert de dondergod

Concert: Cornell Rochester & The N.P. Boys met o.a. Black Snow (rap en voordracht) en Uri Caine (toetsen). Gehoord: 3/6 BIMhuis, Amsterdam.

“Ik heb geluk gehad, in het getto wonen en dan al die tournees doen,” zei Cornell Rochester in het februarinummer van het maandblad Jazz Nu. Geluk? Als iemand er keihard voor heeft gewerkt dan is het deze formidabele slagwerker wel. Hij werd geboren met een zwak gestel, kreeg nooit echt les maar werkte zich met ijzeren volharding naar boven. Bij zijn eerste optreden in Nederland in 1980, als lid van het trio van saxofonist Odean Pope, stond het publiek perplex van zijn tomeloze inzet. Voor Rochester was muziek duidelijk niet zomaar een baantje, eerder een intense ode aan Donar, de luidruchtige dondergod. Hij werd sindsdien steeds weer teruggevraagd, vaak in een tandem met een basgitarist, eerst Gerald Veasly, de laatste jaren Jamaladeen Tacuma.

En gisteren trad Rochester, inmiddels 36 jaar, dan eindelijk aan met een eigen groep, de N.P. Boys, met als opvallendste lid rapper/voordrachtkunstenaar Black Snow: 'I'm Snow, I'm Black, it's a Miracle'. Dat deze zwarte Snow met zijn naam een buiginkje maakt in de richting van de bekende wit-Canadese rapper Snow is waarschijnlijk, maar dat hij net als deze een hit gaat scoren is onwaarschijnlijk. Zijn podium-act lijkt daarvoor niet hitsig genoeg, zijn teksten zijn grotendeels onverstaanbaar. Mooi voorlezen kan hij wel, zo blijkt in een stuk waarin toetsenspeler Uri Caine in Randy Newman-stijl voor begeleiding zorgt. En duidelijke boodschappen heeft Black Snow ook: 'I hope our brothers in South Africa study our history... and don't make the same mistakes. Get away from that black and white stuff; the black man creates his own image and destiny.'

Het is een rustig intermezzo in een show waarin het drumspel van Rochester overduidelijk de toon bepaalt. Saxofonist Willie Williams mag soms een melodie-lijn aandragen net als de wat agressiever spelende Caine, maar meer dan versiering wordt het zelden. Zodat het tegen het einde van de eerste set nauwelijks opvalt dat iedereen behalve Rochester naar de kleedkamer is. De drummer begint rustig, bijna laconiek, onderbreekt een duidelijke rockbeat met korte 'hagelbuien' en lijkt het dit keer bescheiden te gaan houden. Dan wendt hij echter de blik ten hemel, neemt hij een ander stel stokken ter hand en begint hij een geseling die het BIM-publiek nog lang zal heugen. Zit daar echt maar één strenge god op het podium, het lijken er soms wel vier te zijn. En auw, auw, auw, wat raken die klappen, en oh, oh, oh, wat voelen ze goed.

Dat de N.P. Boys van slagwerker Cornell Rochester misschien nooit een mooi uitgewogen groep zullen worden kan daarna niemand meer schelen.