Conjuncturele verwarring

De onderzoeksbureau's van de drie grote banken en de grootste particuliere belegger in Nederland schroeven hun prognoses voor de groei van de Nederlandse economie op. Nu het Centraal Bureau voor de Statistiek een economische groei meldt van 1,3 procent over het eerste kwartaal van dit jaar, zal ook het Centraal Planbureau niet ontkomen aan een opwaardering van de prognose voor de prestaties van de economie over 1994.

De magere vooruitzichten die eind vorig jaar nog overheersten, hebben plaatsgemaakt voor een gematigd optimisme voor de economie in het lopende jaar. De boodschap is dat werkelijk herstel van de binnenlandse vraag misschien nog onzeker is, maar dat de voornaamste exportmarkten van ons land sterk aantrekken. En dat komt via de exportsector de gehele economie ten goede. De verwachtingen voor de economische groei in geheel 1993 schommelen nu tussen een economische groei van 1,25 en 1,5 procent - met hier en daar al een voorzichtige melding van 1,75 procent.

Eén negatieve factor overschaduwt de economische vooruitzichten. De kapitaalmarktrente, gemeten in het rendement op staatsobligaties, blijft maar oplopen. Van iets meer dan 5,5 procent in januari van dit jaar is de kapitaalmarktrente omhoog geschoten naar boven de zeven procent. De afgelopen week werd afgesloten met een rente van 7,1 procent. Dat is nu al hoger dan in de Verenigde Staten, waar de conjuncturele fase zo'n twee jaar voorloopt.

De rente-ontwikkeling kan het economisch herstelscenario in Europa danig in de wielen rijden. Hypotheeknemers hebben de rente al met rond één procent zien stijgen, het bedrijfsleven, dat steunt op langlopende leningen zal rekening moeten houden met hogere rentekosten dan begroot en ook de grootste debiteur van allemaal, de overheid zal moeten rekenen met hogere financiële lasten dan voorzien.

Omdat het ministerie van financiën heeft besloten om, vanwege de barre tijden op de obligatiemarkt, in het lopende kwartaal geen leningen uit te schrijven, resteert een bedrag van ruim 30 miljard gulden dat in de rest van dit jaar op de kapitaalmarkt moet worden opgehaald. In het alom betwijfelde scenario dat de rentestand op boven de 7 procent stabiliseert is het Rijk, vergeleken met de eigen prognoses, volgend jaar tussen de 300 en 400 miljoen gulden meer kwijt aan rentekosten dan begroot.

Zo erg zal het volgens de meeste economische onderzoekers niet worden. De zelfde banken die hun prognoses voor de economische groei hebben opgeschroefd, gaan tegelijkertijd uit van een daling van de kapitaalmarktrente. De prognoses verschillen - iets onder tot iets boven de zes procent - maar geven allemaal het zelfde signaal: wat er de laatste vier maanden op de obligatiemarkt is gebeurd houdt geen enkel verband met de werkelijke economische verhoudingen. De economische groei is hoopvol, maar zeker niet uitbundig en de inflatie, waarvoor de obligatiekoersen gevoelig horen te zijn, is met 2,8 procent laag en vertoont een dalende lijn. Geen omstandigheden, kortom, waar scherp dalende obligatiekoersen bijhoren.

De hoge rente wordt gezien als een tijdelijk, door marktwerkingen veroorzaakt effect, dat zal moeten wegebben. Aan deze theorie van de 'rentehobbel', waarmee de stijgende kapitaalmarktrente begin dit jaar nog als tijdelijk werd weggewuifd, wordt dus nog hardnekkig vastgehouden.

Belegger Vliegenthart van het obligatiefonds Rorento bleef deze week zelfs bij een terugkeer naar een rente van 5,5 procent, maar gaf aan dat het nog wel enige tijd kan duren voordat dit niveau wordt bereikt. Vliegenthart vergeleek de gebeurtenissen op de obligatiemarkt met de jaren 1983 en 1984, toen bij een oplevende conjunctuur de Amerikaanse obligatiemarkt de Europese ook in zijn val meesleepte. Een jaar later herstelde de markt zich hier alsnog op hetzelfde niveau als waarop was begonnen.

Het is de vraag of dat gewaagde scenario uitkomt. Gecorrigeerd voor inflatie belandde de kapitaalmarktrente gisteren op zo'n 4,4 procent. Dat is misschien even wennen, maar gedurende de afgelopen 14 jaar was de reële rente met gemiddeld 5,3 procent gemiddeld veel hoger. Zelfs in de jaren 1986 en 1987, toen de inflatie zich rond de nul bewoog, stond de nominale kapitaalmarktrente gemiddeld op de 6,3 procent waarnaar zij nu volgens de meeste onderzoekers op zijn minst naar zal moeten terugkeren - maar ditmaal bij een inflatie van 2,8 procent.

Intussen zit de tijd de rente-prognoses op de hielen. Naarmate de kwartalen verstrijken komt de Nederlandse conjunctuur steeds verder in een fase waarin mag worden gesproken van daadwerkelijk economisch herstel. Het is een kwestie van tijd totdat de eerste spookverhalen over het stabiliseren of zelfs opleven van de inflatie in Europa op de financiële markten rondwaren, of ze nu hout snijden of niet. En dan is de kans op een substantiële rentedaling zo goed als verkeken.