China

Vaclav Smil: China's environmental crisis. An inquiry into the limits of national development

257 blz., geïll., M.E. Sharpe, 1993, ƒ 52,80

“Het lijdt geen twijfel dat de gemiddelde toestand van het Chinese milieu tegen het jaar 2000 veel slechter zal zijn dan in 1990, en dat deze ongunstige tendens zich de eerste tientallen jaren van de volgende eeuw zal voortzetten.” Alleen al deze zinsnede maakt duidelijk dat het hier niet om een optimistisch boek gaat. Tien jaar na het verschijnen van The Bad Earth, waarin Vaclav Smil als een van de eersten de aandacht vestigde op de ernstige milieuproblematiek van China, geeft de Canadese hoogleraar, gespecialiseerd in energie- en milieuvraagstukken, in deze nieuwe studie een overzicht van de actuele situatie. Die is er niet op vooruitgegaan. Integendeel. Weliswaar is er inmiddels een groot aantal milieuwetten ingevoerd, heeft de bevolking op dit vlak veel voorlichting ontvangen en is het aantal wetenschappelijke onderzoekingen naar de aantasting van het milieu aanmerkelijk gestegen, tegen de gevolgen van de zich snel ontwikkelende economie en de groeiende bevolking blijkt de kwaliteit van het milieu niet bestand. Sinds 1980 nam het totale energieverbruik met ongeveer zeventig procent toe, de staalproduktie steeg met negentig procent en de fabricage van cement verdrievoudigde, met alle nadelige gevolgen voor de omgeving vandien. De toenemende vraag naar voedsel heeft tot gevolg gehad dat de traditionele landbouwmethoden, met afwisselend bodemgebruik, hergebruik van organisch materiaal en gebruik van dierkracht plaats heeft gemaakt voor een intensieve landbouw, waarbij het verbouwen van monoculturen met behulp van kunstmest, pesticiden en een overmatig gebruik van irrigatiewater voorop staat.

Tegen deze ontwikkeling heeft Smil weinig bezwaar. De behoefte aan voedsel, gekoppeld aan het feit dat de hoeveelheid beschikbare landbouwgrond steeds kleiner wordt -onder andere door de urbanisatie- laat weinig andere keuzen toe. Maar dan moet wel een zo zuinig mogelijk gebruik van de middelen voorop staan. Nu gaat door slechte verpakkingen tien tot vijftien procent kunstmest verloren voordat het op het land gebruikt wordt. Een inefficiënt gebruik leidt er vervolgens toe dat zestig procent van de kunstmest ongebruikt de bodem inspoelt.

Smil becijfert dat met een zuiniger gebruik de helft van de hoeveelheid gebruikte kunstmest bespaard kan worden. Eenzelfde redenering volgt hij wat betreft het gebruik van water. In de landbouw gaat minstens de helft van het irrigatiewater verloren door verdamping of wegsijpeling in lekke irrigatiekanalen. Ook de industrie verspilt enorme hoeveelheden water, wat blijkt uit het feit dat een staalfabriek in Beijing twee keer zoveel water per ton staal verbruikt als een vergelijkbare fabriek in Sjanghai, en vier keer zoveel als een gemiddelde westerse fabriek. Het zijn verontrustende gegevens die niet bepaald hoopgevend stemmen, ook al zijn er enige lichtpuntjes. Zo is de prijs van water in Beijing sinds enkele jaren flink omhoog gegaan, krijgt hergebruik van water in sommige delen van het land meer aandacht en hebben veel stedelingen in het droge noorden van het land watermeters gekregen, zodat zij, in tegenstelling tot voorheen, nu belast worden naar gelang hun verbruik. Of dit alles voldoende is om China's milieu te behoeden voor een verdere aftakeling? Smil is uiterst somber: als het in het rijke Westen met haar geringe bevolkingsgroei, haar rationele economie en haar strenge wetgeving al niet wil lukken om een duurzame maatschappij te creëren, hoe kan iemand dan verwachten dat een arm land als China dat wel kan? Vandaar zijn nadruk aan het eind van het boek op het feit dat ook westerse landen het milieuprobleem serieus moeten nemen, en aan oplossingen moeten werken. Als het al niet direct voor de eigen situatie is, dan voor de oplossing van de problematiek in landen in ontwikkeling zoals China.