Bruno Neumann: Die oorlog was onzin'

Overmorgen wordt de invasie van Normandië herdacht. Maar wat wordt er nu precies herdacht: alléén West-Europa's bevrijding van het nazisme, of ook de vestiging van de Duitse democratie? Een portret van drie Duitsers die in juni 1944 als militair in Frankrijk dienden. 'Als Duitsland gewonnen had, hadden we heel Europa moeten controleren, dat was toch zeker niks geworden.'

Bruno Neumann is buitenman geworden. Hij woont in een witgepleisterde verbouwde boerenwoning even ten noorden van Solingen in het dorpje Kohlfurth. Op het erf zijn enkele oude auto's aan het grote roesten begonnen. Katten en kippen lopen er tussendoor, met konijnen als publiek.

Neumann is timmerman in ruste, geboren 24 januari 1917 in de Düsseldorfse arbeiderswijk Oberbilk. Hij is nerveus, na pinksteren moet hij voor de zoveelste operatie het ziekenhuis in. Veel zin om nog eens over de oorlog en de invasie in Normandië te praten heeft hij eigenlijk niet. Maar nu ik er toch ben moet dan ik maar verder komen, naar de woonkamer boven. Schrootjes langs muur en plafond, foto's van bruidsparen en oude mensen van vroeger, géén militaire foto's. Even later wel een schoenendoos met brieven, kaarten, een dagboek, foto's en andere herinneringen aan zijn militaire leven.

“Vader stierf in 1933, toen ik in Düsseldorf de Realschule bezocht. We hadden het arm, uitkeringen bestonden niet, de school werd dus te duur. Ik heb toen een jaar bij boeren in Pommeren gewerkt, maar dat beviel niet. Ik wilde piloot worden en heb me daarom in 1934 bij de Wehrmacht gemeld. Maar eerst moest ik naar Oldenburg, voor een half jaar arbeidsdienst, dat moest iedereen. Daarna bleek ik met mijn 1,63 meter te klein voor de piloten-opleiding. Toch heb ik voor 12 jaar getekend, er waren weinig mogelijkheden voor iemand die te vroeg van school was gegaan, en kreeg een opleiding als hospik (Sanitäter) bij de luchtmacht.

“Dat was een saai bestaan. Daarom heb ik me in 1938 opgegeven voor de parachutisten-opleiding. Zo kwam ik, bevorderd tot korporaal eerste klas, voorjaar 1939 terecht in Tangermünde, bij de medische eenheid van het 2de Fallschirmjägerregiment. Aan oorlog dacht bij ons toen niemand.”

Dat zou veranderen, de schoenendoos wordt omgekeerd. De parachutist-verpleger zal in de volgende jaren bijna heel Europa zien. Dat begint met de inval in Polen (sept. '39), waar zijn eenheid achter de Poolse linies wordt gedropt. In 1940 volgen Nederland, Denemarken en Noorwegen, “dat duurde steeds maar een paar dagen”.

In Nederland komt hij bij Dordrecht naar beneden, hij is er ook nog drie dagen krijgsgevangen. Bij het transport van gewonden naar een Dordts ziekenhuis, en bij hun verpleging, maakt hij zich zó verdienstelijk dat hij tot onderofficier (Feldwebel) wordt bevorderd en het IJzeren Kruis I en II in één keer krijgt. In Noorwegen springt Neuman eerst boven Trondheim, een paar dagen later vliegt zijn eenheid naar de noordelijke haven Narvik, waar hij 48 uur gewonden verzorgt in een uitgehakt hol in een ijsberg. Een nierkwaal is daaraan vandaag nog een herinnering.

Najaar 1940 trouwt de apolitieke Neumann, hij is dan Oberfeldwebel, met zijn jeugdvriendin Anni, die in haar nog jongere jaren een ideologische reuzezwaai volbracht door van de “jonge Spartakisten” naar de nationaal-socialistische Bund Deutscher Mädchen (BDM) over te stappen. Dat was helemaal niet zo'n grote stap, zegt ze bij het koffiebrengen, “je deed bij alletwee aan kamperen, fietsen, zingen en gymnastiek, alleen de vlag was anders”. Neumann kijkt naar mijn gezicht, lacht ietwat schutterig, zegt dat hij 'nooit' ergens lid van is geweest en vervolgt zijn verhaal.

April 1941 wordt hij ingezet boven Bulgarije en het Kanaal van Korinthe, aan de aanval op Kreta doet hij niet mee wegens een longziekte die ruim een half jaar duurt. Maar zomer '42 vertrekt hij naar Rusland, waar hij - 100 kilometer westelijk van Moskou - voor het eerst gewond raakt als hij (Duitse) gewonden verzorgt en getroffen wordt door kogels van een stervende Russische soldaat. Sindsdien heeft hij kogelsplinters in de linkerarm en schouder, opereren kon toen niet en na de oorlog evenmin. Na een half jaar revalidatie, aanvankelijk was de arm verlamd, keert hij voorjaar '43 terug naar Rusland, nu naar de Kaukasus. Net voor 'Stalingrad' en - najaar 1943 - de ineenstorting van generaal Guderians Zuidelijke front, vlak voor de 'Einkesselung' van zijn eigen eenheid bij Krasnodar, mag hij, vader intussen, voor verlof naar Duitsland.

Dan volgen een paar “rustige maanden, bijna een lange vakantie” in Zuid-Frankrijk, bij Nîmes, in een nieuwgevormd parachutisten-regiment dat wordt opgeleid voor een luchtlanding in Engeland. “Ja, dat klinkt nu gek, maar toen wij voorjaar '44 per trein naar Quimper in Bretagne gingen geloofde je als gewoon soldaat (Otto Normalverbraucher) nog dat Duitsland de oorlog zou winnen. Thuis, met verlof, zag je de Wochenschau, je had geen radio, je las alleen wat je in het leger onder ogen kreeg. Ik sprak aardig Frans, maar met Fransen sprak je niet over de oorlog, zomin als zij dat met jou deden.”

Pas na de geallieerde invasie, 6 juni '44, wordt dat anders. Neumanns eenheid, 7 juni met vrachtwagens van Quimper naar St.-Lô overgebracht, krijgt te maken met het geallieerde luchtoverwicht en de volle macht aan tanks en artillerie van de oprukkende Amerikaanse 29ste infanteriedivisie. Hij praat er niet graag over. “Het was een bloedbad. Bij onze aangrenzende compagnie was na een paar dagen praktisch iedereen gesneuveld. We wisten ineens: dit is het begin van het einde. De stemming was belazerd (beschissen), we raakten vijf, zes keer eingekesselt en moesten steeds verder terug. Bij Le Mans raakte ik uiteindelijk krijgsgevangen. Daar kreeg ik ook nog blinde-darmontsteking, een geluk bij een ongeluk, want mijn eenheid werd naar Engeland getransporteerd, ik werd door een Amerikaanse arts in Chartres geopereerd en kon even later als ziekenverzorger en vertaler gaan werken in Clichy in Parijs.”

Neumann zegt grinnekend dat hij destijds een kleine scharrelaar was. Hij werd in Parijs, hoewel officieel krijgsgevangene, partner van een VS-sergeant die goed geld in de zwarte handel verdiende (uniformen, sigaretten, drank). Wanneer de Fransen - “laffe lui zijn dat, onderdanig als zij de minderen zijn, aggressief als zij de baas zijn” - het beheer van Parijs overgenomen hebben, loopt hij tegen de lamp en neemt hij de benen in een Amerikaans uniform zonder distinctieven. Na een maandenlange tocht via Lyon en Metz, waarin hij enkele keren wordt aangehouden maar even zo vaak weet te vluchten, raakt hij in Luxemburg voorjaar 1945 weer in krijgsgevangenschap.

Begin '47, ondervoed en met een schildklierontsteking, keert hij in Düsseldorf terug bij zijn Trümmerfrau Anni. “Ik had vertaler willen worden, maar dat lukte niet. Dus ben ik maar een opleiding voor timmerman gaan doen. Dat was een moeilijke tijd. Wat ik van juni 1944 vind, bevrijding of nederlaag? Nederlaag! Meneer, wij zijn nooit lid van een partij geweest, we doen niet aan politiek, mensen als wij zijn toch machteloos, wij moeten zien dat we er maar het beste van maken. Maar die oorlog was onzin. Als Duitsland gewonnen had, hadden we heel Europa moeten controleren, dat was toch zeker niks geworden.”