Beroepservaring hoeft voor Kamerlid geen rol te spelen

Het artikel 'Bagage van nieuwe Kamerleden' van J.H.J. Wokke in NRC Handelsblad van 28 mei dient aan nadere inspectie te worden onderworpen. De auteur hanteert als toetsingscriteria de demografische samenstelling, het opleidingsniveau en de beroepservaring van de leden der Tweede Kamer der Staten-Generaal. Hij komt tot de conclusie dat het nog maar de vraag is of “de fracties voldoende kennis van zaken hebben en in enige mate representatief voor de verschillende stromingen in de maatschappij zijn samengesteld”.

Het is zeer de vraag of Wokkes betoog tot deze conclusie kan leiden, zeker als - zoals hij suggereert - zijn voornaamste, zo niet enige, bron het artikel in deze krant van 11 mei is. Naast de door de auteur vermelde criteria spelen immers ook andere factoren een, soms belangrijke, rol. Nog dezer dagen is gebleken dat de uitkomst van het publieke debat vaak niets van doen heeft met sekse, opleiding of voormalig beroep, maar ook kan afhangen van alertheid, discipline en gevoel voor timing. Hadden enkele Kamerleden in plaats van op de televisie te willen komen of de politiek dichter bij de burger te willen brengen door deel te nemen aan 'Sterrenslag' hun hoofdfunctie van volksvertegenwoordigers naar behoren vervuld, dan was Hirsch Ballin en Van Thijn een menselijk drama bespaard gebleven.

Voorts speelt een belangrijke rol welke eigenschappen bestuurders en derhalve ook volksvertegenwoordigers verworven hebben buiten hun opleiding en los van hun beroepservaring. Men hoeft niet per se in Wageningen gestudeerd te hebben om een tuinier van klasse te worden. Wokke en ik kennen ten ministe één neuroloog, die voor een gediplomeerd hovenier niet onder doet en derhalve - in de redenering van de auteur - niet alleen gekwalificeerd zou zijn een oordeel uit te spreken over de gezondheidszorg, maar ook voor het woordvoerderschap van Landbouw en Visserij hoge ogen zou gooien.

Dat brengt mij op mijn voornaamste bezwaar tegen de kern van het betoog van Wokke. Die is pas te vinden, ná alle percentages, in de derde kolom van zijn artikel, waarin hij om de effectiviteit van een Kamerlid te beoordelen een directe relatie legt tussen beleidsterrein of, zo men wil, departement, en de genoten opleiding respectievelijk ervaring. Wat moet je kennen en kunnen om op bepaalde beleidsterreinen met enige autoriteit het woord in het parlement te kunnen voeren en de vele handlangers van de ministers in de vorm van meesters in de rechten en doctorandussen, die de departementen bevolken, effectief tegenspel te bieden?

Zonder enige twijfel scoort, als de gedachtengang van de auteur de juiste zou zijn, jeugdzorg zeer hoog: 100 procent. Ieder Kamerlid, vrouw of man, is immers ooit jong geweest (al zou je, als je sommige leden een interventie van een papiertje ziet en hoort voorlezen, soms denken dat ze op 60-jarige leeftijd geboren zijn, zó saai en zó vol onbegrijpelijk vakjargon zijn van tijd tot tijd hun bijdragen). Het andere uiterste (0 procent) wordt, indien men de geciteerde criteria aanlegt, gevormd door het beleidsterrein buitenlandse zaken: immers per definitie is geen onzer volksvertegenwoordigers buitenlander. De graagte waarmede vele Kamerleden deelnemen aan zogenaamde werkbezoeken, veelal georganiseerd in oorden als Bali of de Nederlandse Antillen, doet daaraan weinig af of toe.

Wat de volksgezondheid betreft, is het geen ramp dat slechts één medicus en één farmacoloog in de Kamer zitting hebben. Integendeel! Het gaat in de Kamer zelden om medische zaken en dat is maar gelukkig ook, want je moet er niet aan denken wat de gevolgen voor welke patiënt dan ook zouden zijn als zij/hij het compromisrecept van bijvoorbeeld D'66 - VVD - PvdA zou moeten slikken.

Neen, de werkelijke vraagstukken waar het bij volksgezondheid om gaat, zijn natuurlijk financiën en organisatie. Niet het aantal medici, maar het aantal (oud)bankiers en organisatiedeskundigen is beslissend. En dat leidt - merkwaardigerwijze - tot dezelfde conclusie waartoe Wokke komt.

Beschouwen wij tot slot, nog het departement van Verkeer en Waterstaat, het beleidsterrein verkeer en vervoer. Wellicht uit privacy-overwegingen (ook al zo'n modebegrip waar het parlement te pas en te onpas wijsheden over debiteert) is niet vermeld hoeveel Kamerleden over een rijbewijs beschikken en min of meer regelmatig de auto besturen, hetgeen uiteraard alleen legaal kan geschieden als met succes examen is gedaan. Kennis en ervaring op het gebied van particulier vervoer zijn schattenderwijs toch bij zeker 75 procent van de Kamerleden aanwezig. En bij mijn weten is niemand van onze volksvertegenwoordigers ooit trambestuurder, treinmachinist of buschauffeur geweest. Doet dat voor het openbaar vervoer in ons land het ergste vrezen?

Dat alles neemt niet weg dat onze parlementariërs al hun kennis, kunde en karaktereigenschappen zullen moeten inzetten om op het vertrouwen van het electoraat te kunnen blijven rekenen. De jongste verkiezingen hebben bewezen, dat de kiezers de gekozenen kritisch blijven volgen.