Alleen drama buiten de tennisbaan

PARIJS, 4 JUNI. De partij tussen Pete Sampras en Jim Courier in Parijs trok deze week een vol stadion en miljoenen televisiekijkers. De verwachtingen over de titanenstrijd tussen de twee gladiatoren waren hoog gespannen. Maar de wedstrijd had net zo goed ergens op een baantje in de woestijn gespeeld kunnen worden. De tennissers reageerden nauwelijks op het publiek, het publiek kon daardoor niet reageren op de gemoedstoestand van de spelers.

Sampras en Courier lachten niet, ze genoten niet van het voorrecht voor 16.000 man hun kunsten te vertonen. Ze houden niet van tennis, ze houden van winnen. Toen een toeschouwer iets naar Courier riep, werd hij na de rally met een botte schreeuw terechtgewezen door de Amerikaan. Toen Sampras had verloren, verdween hij als een haas in de catacomben.

Toptennis is profsport. Maar het deel 'professie' overheerst het deel 'sport'. En in het deel sport is het plezier van de spelers al helemaal ondergesneeuwd. “Ik ben niet geboren voor entertainment”, vindt Sampras. “Ik speel zo goed mogelijk tennis. Het is mijn werk.” “Wij wachten niet op elkaar”, zegt Courier. “Als we klaar zijn verlaten we de baan. No big deal.”

In Parijs krijgen de toptennissers na iedere partij de vraag voorgelegd of hun sport zijn beste tijd heeft gehad en aan het afsterven is. Het gezaghebbende Amerikaanse weekblad Sports Illustrated publiceerde onlangs een omslagverhaal met de titel 'Is tennis dying?'. “De fans zijn verveeld, de kijkcijfers dalen, de verkoop van rackets en schoenen stagneert en de meeste profs zijn prima donna's die alleen zijn geïnteresseerd in geld.”

De kritiek richt zich op drie dingen: de spelers, de organisatie en het spelletje. De spelers zijn saai. Sampras en Steffi Graf tonen geen enkele emotie. De publieke schizofrenie van John McEnroe en de fanatieke strijdlust van Jimmy Connors zijn verdwenen. De destructieve woede-aanvallen van Boris Becker en de flamboyante kleurenpracht van Andre Agassi worden zeldzaam.

Ze zijn verwend. De mannen hebben per jaar honderd miljoen gulden prijzengeld te verdelen, de vrouwen vijfenzeventig miljoen. Terwijl hun leeftijdsgenoten nog manieren leren van hun ouders of hun docenten, worden de tennissers overal in de watten gelegd met gratis auto's, gratis luxe hotelkamers, gratis eten en drinken.

In de VS, waar tennis slechts in de schaduw kan staan van de grote drie sporten basketbal, honkbal en American football, draait sport om persoonlijkheden. Om drama. Het drama in tennis beperkt zich tot gevallen buiten de baan. Monica Seles die met een mes in haar rug is gestoken. Jennifer Capriati die op haar achttiende het tennis vaarwel zei en aan de drugs raakte.

Maar een oplossing ontbreekt. Een idee is de leeftijdsgrens te verhogen, zodat de profs tenminste hun middelbare school moeten afmaken voor ze de wereld in mogen trekken. Laat ze bovendien, zoals alle anders sporters, hun eigen onkosten betalen. En verklein de afstand tussen publiek en spelers door ze tussen hun partijen door op de baan een balletje te laten slaan met de fans.

De organisatie van het tennis is verdeeld, waardoor niemand het voor het zeggen heeft en niemand veranderingen kan doorvoeren. De spelers verdienen voldoende, vinden het wel goed zo en nemen geen verantwoordelijkheid.

Er is een aantal eenvoudige verbeteringen denkbaar. Bij de tennissers tellen alleen de beste veertien toernooien voor de ranglijst (bij de vrouwen alle partijen die ze spelen). Daardoor kunnen topspelers het zich veroorloven in sommige evenementen in de eerste ronde te verliezen. Ze incasseren het hoge 'startgeld' en beleven vervolgens een 'slechte dag'. Dat overkwam Pete Sampras in januari tegen de Marokkaan Alami. Het gebeurde Agassi in Halle.

Omdat de meeste toppers zich afsluiten van het publiek moet het maar worden toegestaan dat het publiek zich gaat bemoeien met de spelers. In voetbalstadions, bij basketbal mag het publiek schreeuwen en rondlopen. Maar serveren in een tennisstadion schijnt een soort heilig, in stilte voltrokken ritueel te moeten zijn. “Quiet, please. Stilte astublieft.”

Met het spelletje zelf is niet zoveel mis. Kracht wordt een steeds belangrijkere component en subtiele balletjes worden schaarser, maar het aantal echt mooie wedstrijden ligt niet veel lager dan het aantal mooie voetbalwedstrijden of verrassende ontknopingen in de Tour de France. Toch liggen er ellenlange lijsten met voorstellen om de regels te wijzigen.

Tennis moet sneller, luidt het belangrijkste punt van kritiek. Spelers mogen zich nu dertig seconden lang voorbereiden op hun volgende service. Dat moet ook in vijftien seconden kunnen. In de grand-slams gaat een partij om drie gewonnen sets, waardoor vijf-setters kunnen uitlopen tot een sessie van vier uur. Twee gewonnen sets - anderhalf uur, net zoals een voetbalwedstrijd - zijn voor de gemiddelde toeschouwer en televisiekijker lang genoeg. Coaches zouden op de baan naast de spelers mogen zitten. In alle sporten mogen ze zich met de partij bemoeien, alleen in tennis niet.

De grand-slams, zoals deze twee weken in Parijs en volgende maand op Wimbledon, zijn niet de juiste plaats om de spelers om reacties te vragen. Juist in de grand-slams - met meer dan driehonderd wedstrijden in twee weken - is veel mooi's te zien. “Ik denk niet dat tennis sterft”, zei Sampras. “Het zit misschien eventjes in het dal van een cyclus, maar daar komt het wel weer uit.”

“Je kan tennis niet vergelijken met voetbal of basketbal”, verdedigde Andrei Medvedev zijn sport. “Wij hebben geen vervangers op de reservebank zitten. Het verwijt dat ik niet lach op de baan, is nonsens. Wij hebben geen teamgenoten die het scoren van ons overnemen. We moeten geconcentreerd blijven. Na ieder punt, komt het volgende punt. Probeer maar eens een service met een snelheid van 180 kilometer per uur te retourneren. dan begrijp je waarom we niet lachen op de baan.”