Woelige verhalen van Robert Anker; Amsterdam bespied

Robert Anker: Volledig ontstemde piano. Uitg. Querido, 200 blz. Prijs ƒ 29,90-.

Robert Anker nam ooit, toen hij zijn geboortedorp verruilde voor de grote stad, het ferme besluit om 'een kouwe' te worden, om niet met één been in het verloren paradijs te blijven staan. Dat schreef hij in zijn vorig jaar verschenen essaybundel Vergeten licht. In het titelessay legde hij uit waarom de gedichten in bijvoorbeeld Goede manieren (1989) zo overduidelijk van deze tijd zijn. In speculaties over de toekomst zag hij weinig nut en zo mogelijk nog minder in droevig gepeins over de voorgoed verleden tijd. “Ik ervaar mijn jeugd werkelijk als een afgesloten compartiment van een jaar of veertien en heb het heimwee ernaar afgeschaft als een zinloze emotie,” deelde hij resoluut mee.

De wens lijkt mij hier, zoals zo vaak, de vader van de gedachte. Want je hoeft maar een essay, verhaal of gedicht van Anker te hebben gelezen om te weten hoezeer zijn werk doortrokken is van een nooit helemaal te boven gekomen, gelukkige jeugd. Tussen de harmonieuze dorpsjongen die hij ooit moet zijn geweest en de innerlijk verscheurde stedeling die hij is en die zijn personages zijn, komt het waarschijnlijk nooit meer echt goed.

Ook in zijn nieuwe verhalenbundel Volledig ontstemde piano komt deze tweespalt aan het licht. Want ook al wordt een gelukkige jeugd hier afgedaan als 'ballast', als 'een vals baken', omdat zij niet tot een chaotisch stadsleven heeft opgeleid - toch fungeert zij wel degelijk als een soort model, hoe terloops ook. Het trage levenstempo dat men er in het dorp op na hield, het vanzelfsprekende vakmanschap (“o de vereelte en gekloofde handen van zijn vader”), de rust, de stilte, de afkeer van moderne flauwekul en de liefdevolle aandacht voor al het omringende, dat alles staat in schril contrast met de jachtigheid, de onrust, de herrie, de viezigheid, de versplintering en de ongemanierdheid van het stadsleven.

De zeven verhalen ogen modern, postmodern zelfs, in het gewiekste gegoochel met personages en decors, in de vermenging van verschillende tekstsoorten en in de afwisseling tussen verhalende en essayistische passages. Er figureren veel 'kids' in, er wordt al of niet 'candid' in 'getapet', en men geeft zich graag rekenschap van het 'design' van meubels of keukenattributen. Ook is er volop straatrumoer, en er vinden geregeld berovingen, overvallen, inbraken en andere schermutselingen plaats.

Met die inbraken is overigens iets merkwaardigs aan de hand. Die worden namelijk niet gepleegd, of laten we zeggen: alleen in de verbeelding van het slachtoffer. Ankers personages zijn niet altijd even betrouwbaar. Ze houden van rollenspelletjes en van het aannemen van een pose. Zo speelt een van de hoofdpersonen een rampzalig moment, op een enigszins Brakmanachtige wijze: “Hij laat zijn hand met de brief erin zakken en richt zijn hoofd op om in een onbestemde verte te kijken volgens de geïnternaliseerde regieaanwijzing die ons op momenten van smart en vervoering zelden in de steek laat en ons maakt tot de acteurs van ons eigen drama.”

Zijn verhaalfiguren zijn uitgerust met een spiedend en argwanend oog. Hun hoofdkwartier is een etagewoning, drie hoog in Amsterdam Zuid, van waaruit ze het leven becommentariëren. Net als Sybren Polet in zíjn aan Amsterdam gewijde roman De andere stad woekert Anker met één enigszins op zijn schepper gelijkend personage, dat hij verschillende gedaanten laat aannemen: stukjesschrijver, nachtwaker, aan lager wal geraakte leraar, iemand die zijn dagen vult met het opnemen en afluisteren van stemmen en geluiden. Door alle interne verwijzingen krijgt de op het eerste gezicht nogal wispelturige bundel in de loop van zeven verhalen steeds meer samenhang. In het laatste verhaal treedt een fraai soort verdubbeling op, zodat binnen en buiten, schrijver en personage, waarnemer en object, als het ware samenvallen.

Erg gemakkelijk maakt Anker het ons niet. Er is wel samenhang, maar die moet toch vooral op eigen kracht veroverd worden. Ieder voor zich vergen de verhalen nogal wat van het concentratie- en inlevingsvermogen van de lezer, die zich veel details, associatieve wendingen en essayistische terzijdes moet laten welgevallen.

“Gewoon ergens beginnen, je weet toch nooit waar je uitkomt,” zo houdt een van de verhaalfiguren zich voor. Dat moet ongeveer Ankers schrijverscredo zijn. Zijn verhalen, evenals trouwens zijn essays, bieden altijd een ietwat rommelig aanzien, alsof hun schepper haast had en zich tevreden stelde met wat er deze keer toevallig uit pen of tekstverwerker vloeide. Geregeld slippen er slordige formuleringen doorheen van dit type: “Waarom hij mij gebeld heeft, is het volgende en hij toont me een bandje.” Die grilligheid is ook te vinden in de toon, die nu eens licht en geamuseerd is, dan weer fel en verongelijkt, nu eens speels, dan weer moralistisch. Geestige en sfeervolle episodes in het kraakpand Kostverloren worden voorafgegaan door zure opmerkingen over trampassagiers “hunkerend naar de eigen Opel Kadett die ze nooit zouden bezitten.” In zijn veel te schrille ergernis over triviale zaken als een hondedrol op straat ('godverdomme pal voor zijn deur!') en geluidsoverlast van bouwvakkers die Radio Drie beluisteren, doet Anker wel eens denken aan Maarten 't Hart of aan de Willem van Toorn van Een leeg landschap.

Een iets grotere mate van onthechting zou deze stadsverhalen goed hebben gedaan. Wie grootmoedig heenkijkt over de al te ontstemde passages, houdt ruim voldoende levendige, humoristische en lichtvoetige verhaalstof over om van een mooie en bijzondere bundel te kunnen spreken. Het mooist zijn de monologen die Anker laat uitspreken door een weduwe, een conciërge, een brugwachter en een meubelmaker. Deze bij uitstek dorpse types vertellen levensverhalen die ontroerend zijn, omdat ze zo helemaal de juiste, eenvoudige, nuchtere en bescheiden toon weten te treffen. Oases van rust zijn deze ingetogen monologen in een verder zo woelige bundel. Misschien zou Robert Anker wat vaker 'de kouwe' in zichzelf tot zwijgen moeten brengen.