Vrijdag 3; In de hemelen of in de hemel

Katholieken houden er een vreemde folklore en een vreemde taal op na. Zij bidden Ave Maria's, reciteren onder de rozenkrans droeve mysteries en vallen pastoors in hun soutanes bij: 'Onze Vader, die in de hemelen zijt'. Tersluiks zien ze hoe de sacristein zich voorbereidt op het feest van de Heilige Dwazen en Moeder Veronica de communie ontvangt.

Ongelovigen kunnen gerust zijn. Ook katholieken klinken deze voorbeelden, ontleend aan een paar recente Nederlandse vertalingen uit het Spaans, raar in de oren. Een Ave Maria hebben zij nog nooit gebeden; Weesgegroeten des te meer. Hoe een soutane of een sacristein er uit ziet zouden ze niet weten; vraag ze liever naar een toog en naar de koster. En een rozenhoedje bidden ze thuis liever dan een rozenkrans (meer iets voor geestelijken), zonder droeve mysteries maar mét droevige geheimen.

De roomse folklore is aan slijtage onderhevig en daarmee verdwijnt ook het bijbehorende taalgebruik. Vertalers hebben het er maar moeilijk mee; algemene woordenboeken laten het vaak afweten en er zijn steeds minder mensen bij wie ze te rade kunnen gaan. Een paar jaar geleden verscheen bij uitgeverij Thomas Rap een Katholiek woordenboek dat men bij alle vertalers op het boekenplankje zou wensen. Maar ook daarin blijft het een kwestie van zuiver geluk of men van het Spaanse Josef-epitheton padre putativo ooit nog bij het Nederlandse lemma 'voedstervader' terecht komt.

Het probleem zit vaak niet eens in de woorden, maar in hun gebruik. Pater is niet alleen 'een priester die lid is van een orde' (aldus het woordenboek), maar ook de titel waarmee hij wordt aangesproken (dus nooit 'vader', tenzij het de paus of een abt betreft). Daarentegen is een kloosterzuster geen 'mater' (ook geen 'moeder'), maar een 'zuster'. Een pastoor is het hoofd van een parochie (aangesproken met 'mijnheer pastoor'), maar lang niet elke Spaanse cura verdient die titel (zoals ook een Franse abbé niet altijd een abt is).

Er moet binnen de Nederlandse kerkprovincie toch een potje te vinden zijn waaruit een goede beschrijving van de uitstervende katholieke taal bekostigd kan worden. Hoe die in het alledaagse leven gesproken werd is, buiten specialistische deelstudies, nog maar nauwelijks geboekstaafd. Alleen de voorzetsels zijn al een hoofdstuk waard: men ging in conclaaf, op retraite en te communie (waarna men liever te communie geweest dan gegaan was). Handzaam en goed toegankelijk zou zo'n beschrijving moeten zijn: geschikt voor vertalers en letterkundigen. Met als bijlage de voornaamste gebeden en litanieën. 'Onze Vader die in de hemel zijt': anders dan voor protestanten was de hemel voor katholieken enkelvoud.