Vorm nationale Europese kamers voor toetsing Brusselse wetgeving

Paul Kapteyn kritiseert de grote politieke partijen die door mee te doen aan de Europese verkiezingen in feite meewerken aan het opgeven van de soevereiniteit. Wie politiek iets aan de Europese Unie wil veranderen, zal het nationale parlement moeten mobiliseren.

Wie de programma's van de Europese verkiezingen bekijkt, zal even schrikken. Op welke grote partij hij ook stemt, hij steunt de vorming van een Europese federatie en daarmee op termijn de opheffing van de soevereine staat Nederland. De redenering om de bevoegdheden van het Europese Parlement uit te breiden tot die van een heuse wetgevende vergadering zijn bekend. De Europese samenwerking is een goede zaak, maar het democratisch en bestuurlijk niveau haalt het niet bij dat van de lidstaten. De remedie hiervoor zou een sterk parlement zijn. Dat is echter de vraag. Gesteld dat inderdaad het Europese Parlement wordt hervormd, dan is daarmee nog niet de zekerheid geschapen van een snellere en doeltreffender besluitvorming. Even waarschijnlijk is het dat onderlinge verschillen en tegenstellingen het parlement verlammen en dat het jaren zal duren voor een routine is bereikt die lijkt op wat op nationaal niveau gebruikelijk is geworden. Bovendien, ook al zou er snel en besluitvaardig worden geopereerd, het risico blijft dat een land of regio zijn belangen niet behartigd ziet en weigert een genomen besluit uit te voeren. Moet dat dan worden afgedwongen door een politie- of legermacht die de eigen landgenoten tot de Europese orde moet roepen met alle kansen van burgerlijk verzet? Zo'n situatie is onaantrekkelijk, maar niet ondenkbaar en vormt een reden om voorzichtig en terughoudend te zijn wat betreft de bevoegdheden van het Europees Parlement. Maar dat zijn de politieke partijen niet. De verdenking rijst dat zij de consequenties van hun plannen niet overzien of verzwijgen.

Er is nog een reden tot verwondering. In 1991 strandde het Nederlandse conceptverdrag van Maastricht op het verzet van de andere regeringen, terwijl het gematigder verdrag zelfs sterke weerstand opriep bij grote groepen van de Europese bevolking. De les was duidelijk. Wie verder wilde met de Europese samenwerking, moest een federatief Europa vergeten en zich verzoenen met de interstatelijke structuur.

Maar zo niet de politieke partijen. Alsof er niets is gebeurd, herhalen zij de standaardoplossingen die eerder niet aanvaardbaar waren. Staten en hun bevolkingen zijn gierig wat hun soevereiniteit betreft en nog nooit hebben zij vrijwillig hun formele zelfstandigheid overgedragen. Vaak geldt deze terughoudendheid als kortzichtig, maar in dit verband lijkt het verstandig, ook in het belang van de Europese samenwerking, om de nationale positie vooralsnog niet prijs te geven en om scepsis te betrachten ten aanzien van een echt Europees Parlement.

Een derde reden tot verbazing is, dat het object van de verkiezing, het Europees Parlement, de bevoegdheid mist om te doen waarvoor de programma's pleiten. Die macht ligt in de handen van de nationale parlementen, zodat de voorstellen in dat verband hadden moeten worden gelanceerd. Dat gebeurde niet. Bij de nationale Tweede-Kamerverkiezingen trof de Europese stilte, terwijl nu een orgaan dat daartoe niet competent is een oplossing aanprijst voor de Europese kwalen.

Waarom toch deze absurditeit? Een mogelijk verweer is dat de federatieve plannen slechts een intentie vormen die niet op al haar consequenties hoeft te worden onderzocht. Het gaat om een soort leidraad die de verkiezingen en het eigen politieke handelen richting geeft. Deze redenering overtuigt niet. Niet eens of ooit, maar al in 1996, worden de Europese principes opnieuw ter discussie gesteld en zullen programmatische uitspraken tot praktische voornemens moeten worden omgesmeed. Hiermee is de federatieve gedachte meer dan een intentieverklaring. De tijd van vage, open en daarmee ongevaarlijke gedachten is voorbij. Europa is ernst, en zo zijn de programma's, ook al zijn ze niet bedoeld om serieus te worden genomen.

Wellicht een andere tegenspraak is dat de voorstellen niet mogen worden gedefinieerd als federatief van opzet. Het gaat slechts om één stap in een reeks van vele en niet om een sprong. Maar ook deze redenering snijdt geen hout. Hoe de formulering ook mag zijn, feitelijk richt het streven zich op de omvorming van het Europees Parlement tot een soort van Tweede Kamer, terwijl de Raad van Ministers een soort van Eerste Kamer wordt. Het gaat, anders gezegd, om overdracht van soevereiniteit. Dat is geen graduele ontwikkeling, maar een sprong die nog niet eerder is genomen. En staten zullen zichzelf niet opheffen. “Maar dat willen wij ook helemaal niet”, roepen de politici en als bewijs daarvan kunnen zij zich op het subsidiariteitsbeginsel dat door alle partijen is aanvaard beroepen. Maar ook dat helpt niet. Dit principe deugt als argument tegen het fantoom van een Europese centralistische superstaat, maar niet tegen een federatie. Integendeel, de uitspraak dat alleen wat niet of minder goed op een lager niveau kan worden afgesproken op een hoger niveau wordt geregeld, veronderstelt de aanwezigheid van zo'n hoger niveau en daarmee een statelijke federatie. De relativerende werking die van het subsidiariteitsbeginsel uit moet gaan is derhalve schijn en verhult in feite weinig relativerende pretenties.

Blijft de vraag waarom het federatieve ideaal met een centrale rol voor het Europees Parlement wordt uitgedragen als het niet nuttig en niet te realiseren is. Een laatste antwoord is wellicht het meest terzake. De politieke partijen hebben geen andere oplossing kunnen bedenken. Zij worden geconfronteerd met een markt in wording die niet op gebruikelijke wijze statelijk wordt gecontroleerd. De federatieve optie biedt hier een vertrouwde oplossing voor grote problemen, maar helaas, die oplossing werkt dus niet.

Deze kritiek treft alle grote partijen. Ze treft echter het meest D66 en het CDA die oproepen tot een Europese 'Constituante', of wel een grondwetgevende vergadering, die het nieuwe parlement moet creëren en het bovendien via directe Europese belastingen van een eigen budget moet gaan voorzien. Ook de VVD spreekt van zo'n grondwet en is in haar programma heel wat minder terughoudend dan haar fractievoorzitter in de Tweede Kamer. Zelfs het kleine en radicale GroenLinks doet mee. Het spreekt in zijn programma over de EU als 'een nuttige beleidsinstantie', maar ontvouwt na dit understatement enige gedachten die onmiskenbaar federatief van opzet zijn. Als laatste volgt de PvdA, die van de vier het meest ingehouden is. Ook zij spreekt van uitbreiding van bevoegdheden, maar zwijgt waar anderen verder gaan met de Constituante en de Europese belastingen. Zo te zien hebben de socialisten het meeste van de les van Maastricht geleerd. Wie op deze partij stemt, stemt dus op de minst kwade.

Wie overigens denkt dat dit soort plannen typisch Nederlands zijn, komt bedrogen uit. Ook al draagt dit land het verwijt z'n mooie gedachten op anderen te projecteren, feit is dat in ieder geval de liberale, de socialistische en de christelijke partijen in Europees verband vereend ieder op zijn wijze pleiten voor een federatief Europa en dat de nationale programma's hiervan een afspiegeling zijn. De verwarring is kennelijk internationaal.

“Ach, wat maakt het uit”, klinkt al gauw. Het Europees Parlement is geen echt parlement en wie daar verkiezingen voor houdt, vraagt om fantasieprogramma's waarin allerlei dingen staan waar dit parlement niets over heeft te vertellen. Hiermee wordt de kern van het probleem opnieuw blootgelegd. Wie politiek iets wil doen aan de EU, moet allereerst het nationale parlement mobiliseren. In de programma's staat her en der iets geschreven dat in feite bij de nationale Kamerverkiezingen thuis hoort en dat in uitvoering zou moeten worden genomen. Het wordt de hoogste tijd dat de nationale Kamers hun eigen nationale Europese Kamer vormen die, net als in Engeland en Denemarken, de bewindslieden op hun Brusselse escapades volgt en de wetgeving die daar vandaan komt aan een eigen controle onderwerpt. Deze nationale Europese Kamers zouden onderling moeten samenwerken, coalities en kongsies moeten aangaan waarvan de tentakels zich tot in Brussel uitstrekken. Als dat gebeurt, kan in 1996 het Europees Parlement in plaats van 'opgewaardeerd', worden opgeheven of op z'n minst worden samengesteld uit leden van deze nationale Europese Kamers. Deze 'weg terug' is beter dan het vasthouden aan de federatieve illusie die het Europees Parlement thans uitstraalt. Deze schijnoplossing dekt toe. De ware problemen en beperkingen van een 'markt zonder staat' moeten open liggen.