Versmelt niet met het behangpapier; Amerikaanse toneelacteurs over hun vak

David Black: The Magic of Theater. Behind the scenes with today's leading actors. Uitg: Collier Books, New York. 398 blz. prijs ƒ 33,-

Een acteur is een wandelend raadsel. Is hij werkelijk degene die hij vertolkt? Kruipt hij in de huid van de ander of is dat maar schijn en blijft hij zichzelf, met minimale variatie? Vroeger gebeurde het wel eens dat een acteur die een slecht karakter uitbeeldde bij de uitgang opgevangen werd en in elkaar geslagen. De speler viel voor het publiek samen met zijn rol. Die tijd is voorbij. Betovert een toneelspeler de toeschouwer, of is het zwendel? En waarom laat de toeschouwer zich graag door de illusie van de echtheid van het toneel meevoeren? Vragen, vragen. Waarop niemand het werkelijke antwoord weet.

We kunnen ook heel eenvoudig over het acteren spreken, zonder die eeuwige magie ermee te verbinden. Zolang iemand op de planken luid en duidelijk spreekt en niet over de rekwisieten of zijn eigen voeten struikelt, is hij een acteur.

Over het acteren bestaat geen serieuze historische verhandeling. We beschikken slechts over studies, interviews en memoires van acteurs. Misschien had een zestiende-eeuwse Italiaan die spelers opleidde, gelijk toen hij opmerkte: “We kunnen voor dit beroep geen vaste regels opstellen. Elke speler volgt zijn eigen methode.”

De Amerikaan David Black heeft een intrigerend en rijk boek geschreven over het acteren, The Magic of Theater. Zelf moet Black ook een intrigerende figuur zijn. Van geslaagd zakenman op Wall Street werd hij producer en regisseur op Broadway. Dit boek bevat openbare interviews met vooraanstaande Amerikaanse acteurs en actrices die hij afnam in de Newyorkse New School. Hij sprak o.a. met Jessica Tandy, Christopher Reeve, Liv Ullmann en William Hurt. Op een enkele uitzondering na ondervroeg hij twee acteurs tegelijkertijd. Dat verlevendigt de gesprekken.

Aan het woord magic uit de titel moet niet te zwaar getild worden; nergens is het boek zweverig. Black probeert het moment te betrappen waarop er iets 'gebeurt' in het theater. Actrice Colleen Dewhurst formuleerde het als volgt: “Er gebeurt iets tussen jou en de donkere zaal voor je, als zij adem beginnen te halen tegelijk met jou, en je weet het (-) Dat verlangen, in die schouwburg, die nacht in die duisternis, in dat alleen-zijn, in die eenzaamheid, kan een van de krachtigste ervaringen zijn.”

Hunkeren

Alleen-zijn en eenzaamheid zijn sleutelwoorden in het boek. Ergens verzucht actrice Amanda Plummer: “Ik mis een eigen huis.” Ze is rond de dertig, heeft alles opgeofferd voor het theater, ze leefde in het theater, en ineens beseft ze buiten het theater geen huis van zichzelf te hebben. Ze noemt haar werk 'vrijgevige exploitatie'. Dat is mooi gezegd: elke avond iets van jezelf wegschenken, en wat blijft er voor jou over nadat het doek is gevallen en het applaus weggestorven, de schitter van het moment verdwenen? De bos bloemen in een vaas op de eenzame hotelkamer. Ze wijst op Judy Garland die, ondanks haar grote succes, telkens aan iedereen vroeg: 'Do you love me? Do you love me?' Ze hunkerde naar affectie.

Dat acteurs onbarmhartige egoïsten zouden zijn, slechts met zichzelf bezig, een oordeel dat over Nederlandse acteurs vaak valt, wordt in dit boek gelogenstraft. De een na de ander probeert een antwoord te geven op de vraag hoe het hem of haar lukt de toeschouwers ervan te overtuigen dat ze op de planken andere personen zijn. Ze geloven in hun persoonsverwisseling, zoals de zaal moet geloven in hun illusionaire identiteit.

Alle acteurs uit dit boek zijn geschoold in het Amerikaanse method acting, de opleiding die verregaande, vaak buitensporige emoties bij de spelers moet oproepen. Bijvoorbeeld improviseren op het gegeven dat je kind net door een auto is overreden of dat je moeder gisteren is doodgedaan. Al heeft het niets met het toneelstuk te maken waaraan wordt gerepeteerd, de uitbarsting van emoties moet de weg vrijmaken voor gevoelens die de tekst wel degelijk vereist.

Amerikanen noemen dit het inside-out acteren: ze bouwen een personage op door zich er radicaal mee te identificeren. Net zoals de Russische regisseur Stanislavski betoogde, schrijven de Amerikaanse acteurs een biografie over het karakter dat ze gaan spelen. Verrassend is het om iedere keer als het over method acting gaat te lezen hoe, bij wijze van contrast, Britse collega's repeteren. Zij beoefenen de outside-in methode, die geheel en al teruggaat op de ogenschijnlijk laconieke Engelsman Lawrence Olivier. Deze zei doodkalm: “Niks emoties. Eerst nieuwe schoenen voor mijn personage kopen. Als ik de juiste schoenen heb, heb ik de goede interpretatie.” Huilen op het toneel was voor hem uit den boze. Olivier wenste een bijna klinische kilheid tussen hem en het personage, en juist door die afstand wist hij het publiek te emotioneren.

Grote gevoelens op de Bühne zijn geen enkele garantie voor grote gevoelens bij het publiek, integendeel. Dat is de paradox van het acteren. De Amerikanen zijn niet vertrouwd met paradoxen, want het woord komt niet één keer voor. Zelfs niet als het gaat over Diderot en zijn beroemde essay Paradoxe sur le Comedien. Want dan gaat het slechts over het spelen van komedies, en niet over de komedie als ernstig genre.

De Britse acteur, concludeert David Black, omhelst de poëzie van de tekst; de Amerikaan laat zich meeslepen door zijn eigen volledige overgave. Acteren is een veeleisend beroep. Voor je het weet ben je als speler opgebrand of je laat je door de omstandigheden uit het veld slaan. Opmerkelijk is dat de acteurs op voorhand al weten dat ze van het publiek slechts een klein deel bereiken. Er zijn altijd toeschouwers die in slaap vallen, ritselen met papiertjes of die zelfs, als er belangrijke baseball-wedstrijden zijn, met een radio en oortelefoon elders zijn. Vooral Liv Ullmann heeft daarover prachtige opmerkingen. Zij beschouwt luisteren als de essentie van toneelspelen; ze luistert naar de zaal en naar haar collega-acteurs. Wie niet luistert, is als acteur verloren. Soms begrijpt ze pas na zes weken wat de ander zegt. Al speel je voor de honderdste keer dezelfde scène, als je gedachten niet zijn bij wat de tegenspeler zegt, dan is de scène stuk. De toeschouwer voelt zoiets genadeloos aan.

Black heeft er goed aan gedaan Liv Ullmann het slotakkoord te geven. Zo gemakkelijk als de Amerikanen spreken over passie voor het theater en dat ze pas echt tot leven komen in de schouwburg, zo relativerend is Liv Ullmann: “Als de grootste, warmste gevoelens die ik ooit heb gehad alleen op het toneel kwamen, dan zou ik met mijn werkelijke leven verschrikkelijk ongelukkig zijn.”

Aan het slot weten we meer over het toneelspelen omdat we weten hoe individuele acteurs zich tot hun vak verhouden. Het echte mysterie is niet opgehelderd. Daar hoeft de lezer niet verdrietig over te zijn. Elke keer als we naar de schouwburg gaan, kunnen we ons weer verwonderen over de werkelijkheid die het theater oproept met behulp van illusies. Liv Ullmann zegt het treffend: de slechte acteur versmelt met het behangpapier van het decor. En de grote acteur? Daar kijk je naar. Omdat hij een groot acteur is.