Te

De zoon van de clown was opgegroeid in het kleine circus van zijn vader en daar had hij van alles gedaan. De piste geharkt, de dieren verzorgd, de kaartjes verkocht. En hij had ook al meegewerkt aan de echte nummers. Met de komische acrobaten had hij door de lucht gebuiteld. Als een oosterse prins had hij op de rug van een olifant gezeten terwijl het dier op z'n achterpoten stond. En hij had met wel zeven schoteltjes gejongleerd, nog nooit was er een gevallen.

Maar het liefst wilde hij clown worden en daar vond z'n vader hem nog net te jong voor. Hij was pas zestien jaar. Het publiek aan het lachen maken, dat was en bleef het moeilijkst. Eerst moest hij maar eens laten zien wat hij als acrobaat en jongleur allemaal kon. Dat zou hem later als clown alleen maar van pas komen.

'En als ik nu een fantastisch idee krijg?' vroeg de jongen. Zijn vader had het altijd over fantastische ideeën.

'Dan natuurlijk wel,' antwoordde de directeur. 'Met een groots idee kan een clown z'n leven lang voort.'

Op een morgen liep de jongen door een vreemde stad. Hij wist wel dat z'n vader elk voorstel afwees, omdat hij zelf zo lang mogelijk de enige clown wilde blijven. Toch kon het circus een nieuw nummer heel goed gebruiken. Het had maar vier olifanten, tien paarden, twee apen en een ezel. De zaken gingen soms zo slecht dat ze geen geld meer hadden om verder te reizen.

De jongen liep een brug over en wist nog niet dat hij over een halve minuut iets zou zien dat z'n leven voorgoed veranderde. Aan het begin van de straat dacht hij nog aan niets bijzonders, zelfs niet aan het circus, tot hij verwonderd voor die etalage bleef staan.

Daar stonden twee schoenen, vlak bij elkaar. Niemand zou ze ooit kunnen dragen. Ze waren te groot en te klein. Die twee onbruikbare schoenen zagen eruit alsof ze daar in die etalage op hem hadden gewacht. Of ze hem iets wilden zeggen waar hij anders nooit achter was gekomen.

Hij dacht ze naar de piste en daar zag hij nu ook enkele andere dingen die veel te groot of veel te klein waren. Een stoel voor een muis en een stoel voor een reus. Een emmer zo hoog als een vingerhoed en een emmer zo hoog als een doelpaal. Een viool waar hij in moest klimmen en een viooltje dat hij achter z'n oor kon steken.

Hij struikelde van te klein naar te groot. Nooit wist hij op welke stoel hij moest zitten, welke emmer hij zou vullen en op welke viool hij kon spelen. En aan het denderende applaus hoorde hij dat de tent van het circus binnenkort twee keer zo groot moest worden.