Slobbermenten, nee! Dat is niet gezeverd; Het Vlaanderen van Suske, Wiske en Willy Vandersteen

“Dat Antwerps! God zij geprezen voor het Antwerps.” Benno Barnard groeide op met Suske en Wiske van Willy Vandersteen. Nu zijn de stripverhalen een 'Teletijdmachine' geworden die de lezer terugflitst naar het Vlaanderen van de jaren vijftig. Over Vandersteen is deze week een biografie verschenen. Ter gelegenheid van de Haarlemse stripdagen op pagina 6 en 7 aandacht voor de stripmakers Martin Lodewijk en Lorenzo Mattotti.

Peter Van Hooydonck: Willy Vandersteen - De Bruegel van het beeldverhaal. Standaard Uitgeverij, 288 blz. Prijs ƒ 110,-. Samen met Rolf De Ryck: Van Kitty Inno tot De Geuzen - Een bibliografie van Willy Vandersteen (136 blz.) verkrijgbaar in een linnen cassette. Prijs ƒ 165,-.

Expositie over het vroege werk van Vandersteen in het Belgisch centrum voor het beeldverhaal, Zandstraat 20, Brussel. T/m 28 aug. Di t/m zo 10-18u.

Tot de fantasierijke pedagogie van mijn vader behoorde de gewoonte om de avonturen van Suske en Wiske voor mij uit België te importeren. De professor bij wie hij soms logeerde, een verwoed lezer van het oeuvre van Willy Vandersteen, had hem op de beroemde rode albums geattendeerd. Deze genoten zowel onder het volk als in verlichte kringen een enorme populariteit: sinds de dagen van Conscience had Vlaanderen zich niet meer zo sterk met een auteur vereenzelvigd. De geleerde waarschuwde echter voor de verhollandste editie, die als een voorbeeld van tekstcorruptie diende te worden beschouwd. Maar de ergste letterkundige gruwel was wel, oewaarde vriend, dat Suske en Wiske hun avonturen sinds kort rechtstreeks in het A.B.N. beleefden! Hij, de professor, een geest vol Groot-Nederlandse cultuur, een ziel vol Antwerps sentiment, bezwoer mijn vader zich te beperken tot de canon, ongeveer dertig titels, die hij hem desnoods zelf wel zou bezorgen... Hij hield zich aan zijn belofte, die pathetische man, en ik gedenk hem hier met liefde en respect.

Zo kreeg ik mijn albums, merendeels oude exemplaren, waar de naam van een ander kind in stond geschreven. En zo werd ik geschoold in de humanistische opvatting dat men literaire werken bij voorkeur in de oorspronkelijke taal moest lezen, in dit geval dus het Vlaams, of liever gezegd het Antwerps. Dezelfde genius begeleidde mij een paar jaar later naar de poort van het gymnasium, waar ik Homerus in het Grieks zou leren kennen. Maar Antwerps was mijn eerste vreemde taal.

De albums vormden het begin van mijn eigen bibliotheek. Ik las en herlas ze met een gulzigheid die ik sindsdien, vrees ik, nooit meer voor enig boek heb weten op te brengen. Op den duur kon ik niet alleen hele passages uit mijn hoofd voordragen, als een rapsode zijn hexameters, maar ook alle figuurtjes met mijn tekenpotlood nabootsen. Die gekoesterde albums, met hun ongelooflijke reizen, hun volksheid, hun rode kaft, de nietjes waar mijn nagel net achter paste... nu ik eraan terugdenk, word ik vervuld van nostalgie naar een kindertijd waarin ik woonde in mijn lectuur als een zeeslak in zijn schelp. Hier druk ik die schelp tegen mijn oor en ergens in de verte van de jaren zestig hoor ik de stem van Lambik: “Wat zei ik ook weer?... Ha ja... Een dingens... allee...”

De Vlaamse stripwetenschapper Peter Van Hooydonck heeft deze week een biografie van Willebrord Jan Frans Maria Vandersteen (1913-1990) gepubliceerd, De Bruegel van het beeldverhaal, driehonderd pagina's dik en uitbundig geïllustreerd. Het boek vertoont hier en daar licht hagiografische trekken, maar dat neemt niet weg dat het uitstekend is gedocumenteerd en een imposante hoeveelheid feitenmateriaal bijeenbrengt. Bovendien heeft het me aan het denken gezet over de ware cultuurhistorische, sociologische en politieke betekenis van, vooral, Lambik.

Laat ik ten behoeve van de ontwikkelde lezer die het genre van het beeldverhaal minacht, of er eenvoudig niet mee vertrouwd is, de hoofdpersonen uit het epos van Vandersteen kort introduceren.

Wiske ('Louise') is een 'bengel' met een 'hart van peperkoek'. Ze is koppig, ijdel, neigt tot ongehoorzaamheid, heeft kortom karakter. Een strikje houdt het sprietige haar op haar eivormige hoofd bijeen. Ze moedert op zacht despotische wijze over een Schalulleke geheten lappenpop.

Suske ('Franciscus') is saaier, hij incarneert alle deugden die zijn schepper als katholieke 'boyscout' in de jaren twintig had leren betrachten. Psychologisch gesproken vloeit zijn wat angstige braafheid misschien voort uit zijn kleuterjaren op het eiland Amoras, een staatje dat de levensstijl in ere houdt van het wazige voorindustriële tijdperk waarin het door Antwerpse kolonisten is gesticht. Het eerste album, Op het eiland Amoras uit 1946, verhaalt van zijn ontmoeting met Wiske en haar tante Sidonie, die hem zonder verdere plichtplegingen adopteert en meeneemt naar de moederstad.

Burgerjuffrouw

Deze tante Sidonie, leptosoom, grote voeten, grote neus, groot hart, is de Heilige Maagd als burgerjuffrouw: een ongehuwd moederdier, dat behalve 'onze beide vriendjes' liefst heel Antwerpen zou opvoeden en wier matriarchaat zich dan ook tot alle personages uitstrekt. Ze lijdt aan een milde vorm van hysterie, blijft hopen op een laat huwelijk en flirt daartoe met Lambik, aanvankelijk bedeesd, steeds demonstratiever naarmate het Tweede Vaticaans Concilie dichterbij komt. Sidonie is ook degene die in 1964, wanneer intellectueel jong Vlaanderen ontwaakt en in de schoot van de zogenaamde 'A.B.N.-kernen' proper leert klappen, het gebruik van het Nederlands decreteert. “Lambik, van nu af spreken wij beschaafd Nederlands en daarom wil ik voortaan Sidonia heten!” zegt tante in De nerveuze Nerviërs. In dat zinnetje gaat de authenticiteit in rook op. Verheerlijk ik het Antwerps? Nee, maar het is de taal van Lambik, van Vandersteen, wiens Nederlands zo aamborstig klinkt als een gedicht van Gezelle waarin ieder Westvlaams woord door een pieptoon is vervangen.

Suske en Wiske zijn de noodzakelijke voorwaarde voor Lambik, zoals Kuifje dat is voor kapitein Haddock of Tom Poes voor Heer Bommel. Kaal, zot, met een bolhoed en een vlinderdasje als de attributen van het Belgique à papa, verschijnt hij ten tonele in het tweede verhaal, De sprietatoom, het prototype van de bijfiguur die zijn maker overrompelt en de hoofdrol voor zich opeist - hij stelt zich voor als 'loodgieter en detectief', maar oefent in het vervolg eigenlijk alleen het beroep van stripheld uit. Lambik is ne mengs, de Antwerpse volksmens in ongerepte staat, protserig, warmbloedig, materialistisch, gekweekt uit de triomfen en vernederingen van zijn stad. Zijn gespeelde onnozelheid is een overlevingsreflex, aangescherpt door zijn ervaringen in twee wereldoorlogen en als hereditair verschijnsel makkelijk genoeg verklaarbaar vanuit de Belgische geschiedenis. Lambiks onnozelheid is ook wel echt, maar dan enkel voor zover de wereld een stripverhaal is. Een pathologische verwaandheid drijft hem ertoe geregeld met zijn vermeende kwaliteiten te geuren en zijn eigen voorkomen als 'intelligent' te omschrijven. Een dikke nek, die bij uitstek Antwerpse kwaal, is ook wat hem van de Westvlaming Tijl Uilenspiegel onderscheidt, met wie hij verder veel gemeen heeft, evenals met Lamme Goedzak natuurlijk. (Vandersteen heeft in de jaren vijftig trouwens een Uilenspiegelstrip getekend.)

Alleman doodslaan

Tenslotte is er Jerom, die voor het eerst optreedt in De dolle musketiers (1953), vrij naar Alexandre Dumas père. Hij is het geheime wapen van hertog Lohandru, legt knopen in stalen staven en drukt zich uit in het bijzinloze Vlaams van de vroege homo erectus: “..kom alleman doodslaan...” Dank zij zijn verliefdheid op Schalulleke blijft het bij dit lapidaire dreigement. Jerom reist mee naar Vlaanderen, waar het ondertussen bij De Standaard, de krant die de strip voorpubliceert, boze brieven regent van lezers die zich doodergeren aan deze halfnaakte primaat... Maar Jerom blijft. Gaande zijn evolutie tot homo sapiens Antverpius, tot mengs, begint hij een boord en een 'plastron' te dragen, nog zonder overhemd evenwel, gewoon boven het dierevel dat zijn schaamstreek verhult. Dat is de geestige fase. Later ontwikkelt hij zich helaas tot een braverik, veel spieren, veel peperkoek, die boeven een watjekou verkoopt als de plot te gecompliceerd dreigt te worden.

De meeste strips zijn allegorieën van de strijd tussen Goed en Kwaad. Het is dus een heel geschikt genre voor onze gebenedijde eeuw, evenals de film overigens. Zo beschouwd is het niet verwonderlijk, misschien, dat het slagveld van Europa ook het vaderland van de Europese stripcultuur is geworden. Daar komt nog bij dat de Belgische schilderkunst van oudsher stripachtige elementen bevat, boerenkoppen met knolneuzen op de werken van de leden der Bruegel-dynastie, een mollig babybeentje dat uit een kookpot steekt op een schilderij van Antoine-Joseph Wiertz... En de tekst? Ik breng mijn erudiete lezer slechts de pijp van René Magritte en het 'Vive la sociale' van James Ensor in herinnering. Ja, de symbiose van woord en beeld is een eigenaardigheid van de schilderkunst in dit tweetalige land. En nu ik er zo over nadenk, valt me ineens op dat Hergés detectives Jansen en Jansens een verbluffende gelijkenis vertonen met de Brusselse burgermannetjes van Magritte, hun bolhoed, hun wandelstok... dierbare parafernalia van een o zo broze gewichtigheid. Straks glijden ze uit of wordt het weer oorlog.

Hergé! Zijn relatie met Vlaanderen is het bestuderen waard. Bewondering is geen grondtrek van de verstandhouding tussen de verschillende soorten Belgen, maar als Franstaligen iets in de Vlaamse cultuur bewonderen (wat noodzakelijk is om zich van de Fransen te kunnen onderscheiden), dan is dat bijna altijd de schilderkunst. De Franstalige Brusselaar Hergé bewondert de Vlaming Vandersteen zelfs zozeer dat hij hem 'de Bruegel van het beeldverhaal' noemt. Tegelijkertijd verlangt hij echter dat Vandersteen zijn verhalen voor het weekblad Tintin/Kuifje, waaraan hij in 1948 begint mee te werken, minder volks maakt, minder Bruegeliaans dus - het periodiek wordt tenslotte ook door kinderen van ministers gelezen. De zoete lokstem van de francofonie weerklinkt. Buitenlandse roem wenkt, want Tintin verschijnt ook in Frankrijk. En Lambik dan?! Volgt een zeer Vlaamse manoeuvre, die erin bestaat dat Vandersteen zich verzet door toe te geven. Om dat te verduidelijken moet ik eerst Lambiks politieke en maatschappelijke denkbeelden blootleggen.

Katholieke werkmens

Als katholieke 'werkmens' sympathiseert Lambik met het Algemeen Christelijk Werkersverbond en de linkervleugel van de Christelijke Volkspartij, zonder dat een van beide lichamen hem tot lidmaatschap inspireert. Als veteraan van de Grote Oorlog is hij Vlaams-nationalist en pacifist, hoewel hij zich in crisissituaties soms achter een wal van zandzakjes verschanst, helm op zijn kletskop, klakkebus in zijn pollen. (In De witte uil, een album uit 1948, twee jaar nadat de IJzertoren door onbekenden is opgeblazen, zit hij ergens opgesloten, valt in slaap en ontwaakt met deze woorden op de lippen: “En ik was juist aan 't dromen dat de IJzertoren er weer stond!”) Over zijn katholicisme kan ik nog opmerken dat het eerder sociaal dan religieus is, om niet te zeggen aangeboren: als Vlaming is hij katholiek zoals Chinezen geel zijn. De metafysische kant ervan laat hij over aan Suske en Wiske, die elkaar in levensbedreigende omstandigheden opbeuren met het vooruitzicht van 'rijstepap met gulden lepeltjes'. Zijn enige praktische bijdrage aan de Kerk levert hij in De stalen bloempot (1951), wanneer hij de bewoners van Amoras de kathedraal van Antwerpen helpt nabouwen.

Deze Lambik moet van Hergé dus minder zichzelf worden, minder mengs. Daartoe dient hij naar Brussel te verhuizen, samen met Suske en Wiske, maar zonder de onooglijke Sidonie, ten einde in de hoofdstad der Belgen een dingens te worden... allee... een franskiljon. In een paar latere voor Tintin/Kuifje getekende verhalen, verzameld in een reeks aparte albums met een blauwe kaft en in vierkleurendruk, is Lambik inderdaad een ander mens, een in Monaco tennissende, schermende, diepzeeduikende parvenu, een Belg van de door Baudelaire gehoonde soort. Maar belangwekkender is het rechtstreekse resultaat van de botsing tussen Hergé en Vandersteen, het van 1949 daterende album Het Spaanse spook. De pointe van het verhaal treft Hergé namelijk in zijn achilleshiel: de trots van de Franstalige, die zijn moedertaal, de plat-Brusselse variant van het Nederlands, in zijn kindertijd begraven heeft.

Het Spaanse spook is gesitueerd in het door de hertog van Alva geterroriseerde Brussel, waar Suske, Wiske en Lambik langs paranormale weg terechtkomen in het tafereel dat model heeft gestaan voor de Boerenbruiloft van Pieter Bruegel de Oude, de Vandersteen van de schilderkunst. A propos, in het begin draagt Lambik een driedelig pak, waarin hij er als een handelsreiziger uitziet, en Wiske krijgt door toedoen van de betovering een somptueuze blonde krullenvracht. Dat is inderdaad een concessie aan de burgerlijke smaak. Maar goed, ze ontzetten het belegerde Kriekebeek (sommige lambicsoorten worden gebrouwen met krieken uit Schaarbeek) en bewerkstelligen zo de ondergang van Alva, daarbij geholpen door het Spaanse spook, een zwevend nachthemd dat zich uitdrukt in een voortreffelijk, met ios-achtervoegsels opgesmukt Antwerps.

Historisch klopt er allemaal niets van. Alleen, cher Hergé, is dit Brussel een door en door Vlaamse, of althans Brabantse stad, de stad van Bruegel, en dat klopt natuurlijk wèl. Ons Wiske loopt de kunstenaar zelfs tegen het lijf! Daarop ontspint zich deze leerzame dialoog: (Wiske) “Verontschuldig mij, mijnheer! Maar zijt gij soms Pieter Breugel?” (Bruegel) “Zeker, meiske, dat ben ik!” (Wiske) “O, dan zijt u het die als knechtje bij de schilder Pieter Coecke te Antwerpen in dienst trad en liever het bonte plattelandsleven van uw volk schilderde dan de Italiaanse werkwijze van uw meester te volgen. Enne... is het waar dat u in al uw schilderijen de Spaanse bezetters hekelt?” (Bruegel) “Ssst!... Dat niemand het hore! Het is daarom dat ik uit Antwerpen gevlucht ben en me te Brussel gevestigd heb!”

Plastron

De 'canonieke' albums van Suske en Wiske zijn in de letterlijke zin des woords 'romans', vertellingen in de volkstaal dus. Dat Antwerps! God zij geprezen voor het Antwerps, waarvan de Nederlandse medicus en taalgeleerde Johannes Goropius Beoanus in zijn Origines Antverpianae uit 1569 al beweert dat het in het aards paradijs werd gesproken. Ik herinner me nog dat ik mijn eerste albums zat te lezen. Mijn verwekker fungeerde als tolk. “Papa, wat betekent plastron? ...en pollen? ...maske?...” Stropdas... Handen... Meisje... Zo ontlook mijn liefde voor de woorden en klanken die ik nu dagelijks om mij heen hoor.

Met name Lambik geeft blijk van een groot taalscheppend vermogen. In De Ringelingschat (1951), een sublieme parodie op het Nibelungenlied, waarin Sidonie (Sidonhilde!) de Oudgermaanse gemoederen bedaart door 'Lili Marleen' te zingen, een anachronisme dat mij uiteraard ontging, maar dat mijn vader een homerische schaterlach ontlokte - in dat album dus smeedt de dwerg Mispel op een gegeven moment een toverzwaard voor Lambik, die de kwaliteit ervan beproeft onder het uitspreken van de navolgende monoloog: (Eerste plaatje) “Nu maar eens zien of die Mispel mij geen kamelot in mijn pollen gedraaid heeft!” (Tweede plaatje) “Slobbermenten, nee! Het aambeeld met één slag gekloven! Dat is niet gezeverd!” Papa, wat is kamelot, slobbermenten, gezeverd... Elders verrijkt Lambik het toch al weelderige Antwerps met een schat aan nieuwvormingen, anagrammen en verhaspelingen, zoals men die hier ter stede zelden in de cafés beluisteren kan.

Teletijdmachine

De thema's van mijn eigen boeken zijn taal en tijd. Dat heeft hier verder geen belang, maar het verbaast me te merken dat ik bij herlezing van die oude albums door dezelfde dingen word gefascineerd als vroeger, namelijk het Antwerps van mijn helden en de reizen die ze naar het verleden maken. Zo te zien heeft Willy Vandersteen me diepgaander beïnvloed dan Homerus. Maar wat dit reizen betreft: meestal vinden die plaats per Teletijdmachine, een uitvinding van professor Barabas (een humanitair bekommerde en nogal kleurloze collega van Prlwytzkofski en Zonnebloem). Dit apparaat slingert 'onze vrienden' 'over de grenzen van ruimte en tijd' naar, bijvoorbeeld, het Frankrijk van de musketiers. In mijn universitair geschoolde vriendenkring is 'de Teletijdmachine van professor Barabas' een staande uitdrukking.

Ondertussen is de canon van Suske en Wiske zèlf een Teletijdmachine geworden, die de hedendaagse lezer terugflitst naar de jaren vijftig, de hoedepennen van tante Sidonie, de Traction Avant van Lambik, de straatlantarens, de vuilnisbakken, die hele sfeer van het betreurde Belgique à papa, zo onvergetelijk vastgelegd in de blauwe en bruine inkt van de tekeningen, dat een complete generatie in Vlaanderen zich dat tijdvak nauwelijks meer in zijn echte kleuren kan voorstellen.

De jaren vijftig zijn de epoque van Willy Vandersteen. Daarna produceert Studio Vandersteen in een steeds industriëler tempo zijn werk, verkaveld in steeds meer fluttige series. De volksjongen Vandersteen uit de Seefhoek wordt een bourgeois uit het villadorp Kalmthout, wiens successtory die van zijn vaderland is. Suske en Wiske krijgen een steunkleur. Bij de overtuiging dat 'Sidonia' een gewone naam is in het Noorden past vierkleurendruk. Vervolgens tekent iemand anders de strip. Vervolgens gaat Vandersteen dood. Vervolgens blijft de strip verschijnen.

Maar lang voordat Suske en Wiske zo pijnlijk apocrief waren geworden, verschoof mijn belangstelling naar maskes van vlees en bloed.