Romaanse kerken in Nederland; De schat van Oosterwijtwerd

Ada van Deijk: Romaans Nederland. Uitg. Architectura et Natura, 352 blz. Prijs ƒ 125,-. Pays-Bas Romans. Vert. Annick Van der Does de Willebois. Uitg. Zodiaque, 352 blz. Prijs ƒ 96,-.

In een onherbergzame hoek van de Franse streek Morvan staat de abdij van Sainte Marie de la Pierre-qui-vire, genoemd naar een enorme steen die in zó wankel evenwicht op een rots staat dat je hem met een lichte handbeweging kunt laten wiebelen. Het klooster is pas anderhalve eeuw oud en nauwelijks bezienswaardig, maar dat belet de nijvere benedictijnen niet om zich met hart en ziel te wijden aan de middeleeuwse architectuur. Hier is namelijk de befaamde kloosteruitgeverij Zodiaque gevestigd, wier fonds bijna helemaal bestaat uit boeken over romaanse kunst. De hoofdmoot wordt gevormd door de schitterende serie La nuit des temps, waarin inmiddels 81 delen zijn verschenen: 13 inleidende en 68 voornamelijk gewijd aan landen of streken. Uiteraard krijgt Frankrijk de meeste aandacht, ruim de helft van de serie, maar ook Italië en Spanje zijn ruim bedeeld. Buiten het romaanse taalgebied is de spoeling dunner. Van de Duitse landen kreeg alleen de Palts een deel. Scandinavië en Engeland kregen er elk twee, Ierland, Schotland en België één.

Nederland ontbrak tot nu toe. De romaanse bouwkunst in Nederland kan zich noch in kwalitatief noch in kwantitatief opzicht meten met die in onze buurlanden: de meeste Noordnederlandse gewesten lagen tijdens de romaanse periode (ca. 1000-1200) in de culturele periferie van West-Europa; duurzame, laat staan monumentale bouwkunst kwam er nog niet veel van de grond. In de rest van Nederland is veel verdwenen. Tot in de jaren twintig van deze eeuw zijn er nog romaanse monumenten moedwillig gesloopt. Andere bouwwerken werden zó keihard gerestaureerd, dat van het oude weinig meer over is. Van wat resteert is veel ook in eigen land tamelijk onbekend en onbemind. Wie kent hier bijvoorbeeld de stille schoonheid van het Groningse Hoge Land en de Friese terpen, met hun talrijke felrode kerkjes? Bij hoevelen gaat het hart sneller kloppen bij de klank van plaatsnamen als Kantens of Oosterwijtwerd?

Dat gebeurt wel bij de leden van het Romaans Genootschap, want zij zijn het die Dom Angelico Surchamp, de initiatiefnemer van de serie, op andere gedachten hebben gebracht over Romaans Nederland. In de kunsthistorica Ada van Deijk werd een competente auteur gevonden, en zo kwam als 85-ste deel van de serie het prachtwerk Pays-Bas Romans tot stand. Uitgeverij Architectura et Natura brengt tegelijkertijd een Nederlandse editie op de markt.

De inhoud doet recht aan de fraaie vorm en aan het prestige van de serie. De kunsthistorische aspecten komen duidelijk uit de verf. Interessant zijn onder meer de uiteenzettingen over materialen en over de twee architectuurhistorische stromingen in de classificatie van romaanse gebouwen: de 'formalistische' (die vooral op uiterlijke kenmerken let) en de 'iconologische', die de betekenis van de architectonische verschijningsvormen wil achterhalen.

De historische achtergrond komt helaas wel erg summier aan de orde. Een beknopte verhandeling over de kerkelijke en politieke indelingen en verhoudingen was hier op zijn plaats geweest. Wel is er een paragraafje over het Nederlandse landschap opgenomen. De auteur probeert te verklaren waarom romaanse kerken hier geconcentreerd zijn in een paar betrekkelijk kleine gebieden. Maar zij komt daarbij niet veel verder dan de gemeenplaats van de 'permanente strijd tegen het water' in de lager gelegen gewesten. Dat kan wel zijn, maar waarom zijn er dan op de hoger gelegen zandgronden van Noord-Brabant tot Drenthe ook zoveel witte vlekken op de romaanse kaart?

Negen kerken

Vervolgens komen de grote kerken aan de orde. Dat zijn er negen: de Lebuïnus in Deventer, de abdijkerk van Rolduc, de twee Maastrichtse basilieken, de Oldenzaalse Sint Plechelmus, de Onze-Lieve-Vrouwe Munster in Roermond en tot slot de drie romaanse kerken in Utrecht (de povere restanten van de twee andere daar tel ik maar niet mee). Terecht wordt voor Maastricht en Utrecht flink uitgepakt. Beide steden krijgen eerst een historische inleiding, maar bij Maastricht is die niet sterk. De auteur komt niet helemaal uit de ingewikkelde toedracht van de oorsprong van de 'tweeherigheid' van de stad en laat daarbij een paar steekjes vallen; dat 'de vrije rijkskerk onder het gezag van de hertogen van Brabant viel' is bijvoorbeeld onjuist.

Het gaat hier over de Sint-Servaas, waarvan we daarna een uitvoerige bouwgeschiedenis krijgen. De beschrijvingen van exterieur en interieur zijn minutieus en accuraat, gegoten in vaardige vaktaal: “tegen de lisenen zijn schalken met basementen en kapitelen geplaatst.”

Ik lees het graag, maar toch bekruipt me bij dit soort lectuur soms enige twijfel. Wie heeft er eigenlijk wat aan? Niet de ingewijde die deze taal verstaat, want die kan het allemaal zelf zien en benoemen, en de leek evenmin, want die raakt al gauw de draad kwijt. Zou het niet beter zijn om van alle behandelde monumenten in grote lijnen te vertellen wat er normaal aan is en wat niet, en dan, waar mogelijk en nuttig, iets meer over de functies en betekenissen van bouwelementen en ornamenten?

De auteur wijst op de overeenkomst van de Servaas met de dom van Spiers, en op de politieke betekenis van dat gegeven: “De loyaliteit van de rijkskerk te Maastricht ten opzichte van de Salische keizers stond door de toegepaste navolging van Spiers buiten kijf.” Hoe belangrijk de relatie met het keizerschap was, blijkt ook uit de prominentie van de 'keizergalerij' in de westbouw. Dit motief werd ontleend aan een vergelijkbare galerij in de voormalige paltskapel in Aken, waarop de troon van keizer Karel de Grote zou hebben gestaan. Diezelfde Karel was, meldt de auteur argeloos, 'de tweede patroonheilige van de westbouw'. Heilige? Vóór de restauratie (eind jaren tachtig) stond onder de keizergalerij in de Servaas inderdaad een borstbeeld van Sanctus Carolus Magnus; en er zijn door het keizerlijke hof wel pogingen in het werk gesteld om de grote Frank te canoniseren, maar daar is door pauselijke tegenwerking uiteindelijk niets van terecht gekomen.

Met deze controverse belanden we bij de dramatische strijd om de voorrang tussen keizer en paus, het conflict dat de romaanse periode heeft overschaduwd en ook in Maastricht sporen heeft achtergelaten. Voor het westkoor van de Servaas staat een halfrond stenen reliëf, met daarop een afbeelding van 'de tronende Christus, die twee geknielde figuren zegent: links de H. Petrus met de sleutel en een boek, rechts de H. Servatius, eveneens met sleutel en steunend op zijn staf'. De auteur laat het bij die beschrijving, maar er is meer aan de hand met dit kunstwerk. Blijkens recent onderzoek is het een politiek pamflet in steen, waarin Sint Servaas wordt gepropageerd als het prototype van de Duitse rijksbisschop, en waarin wordt betoogd dat die rijksbisschoppen niet ondergeschikt waren aan het pauselijk gezag. Ontvangt bisschop Servaas hier de 'sleutelmacht' (de bevoegdheid om gelovigen tot de hemel toe te laten) niet tegelijk met de eerste paus rechtstreeks uit handen van Christus?

Een van de vurigste protagonisten van Sint Servaas als oer-rijksbisschop was keizer Hendrik III, en hem komen we tegen in de behandeling van het romaanse Utrecht. Hij zou de stichter zijn geweest van het beroemde - zij het bij gebrek aan bronnen nog steeds twijfelachtige - 'kerkenkruis' in die stad. Op Pinksterdag 1039 overleed Hendriks vader keizer Koenraad II daar plotseling. Te zijner gedachtenis besloot Hendrik tot de bouw van vier kerken, een aan elke kant van de dom, die de naam kregen van de grote Romeinse basilieken. Zo kwam, in nauwe samenwerking tussen keizer Hendrik en zijn trouwe leenman, de bouwlustige bisschop Bernold, een van de merkwaardigste middeleeuwse stedelijke bouwprojecten in deze streken tot stand. Ook dit kerkenkruis kon wel eens een diepere politieke betekenis hebben gehad, als verwijzing naar het ideaal van een door keizer en paus eendrachtig bestuurde Civitas Dei: Augustinus' 'Staat Gods'.

Friesland

Na deze stadskerken komen de dorpskerken aan bod, waarvan er vijf met een uitvoerige en geïllustreerde beschrijving zijn bedacht. De meeste (maar lang niet alle) andere romaanse kerken komen aan bod in het hoofdstuk 'Korte beschrijvingen van de kerken in de Nederlandse provincies'. Friesland blijkt dan de kroon te spannen met 25 kerken en 2 torens, gevolgd door Groningen met 15 kerken en 5 torens. Gelderland heeft veel romaanse torens: 15, en 14 kerken. Na Limburg (9 kerken, 4 torens) wordt het snel minder. Zeeland sluit de rij met precies één kerk, en die ligt dan nog in Zeeuws-Vlaanderen, in Kloosterzande.

Nog schraler is de oogst aan niet-kerkelijke gebouwen uit de romaanse periode: een enkel verdedigingswerk (in Leiden en Maastricht) en wat resten van woonhuizen in Utrecht. Een hoofdstuk over losse romaanse schilderingen en kunstvoorwerpen, besluit dit boek: een meesterwerk met tekortkomingen, die makkelijk vermeden hadden kunnen worden door consultatie van een kundige mediaevist.

Voor kunstreizigers die niet paraat hebben wat een liseen of een schalk is, heb ik nog een praktische wenk: achterin de delen van het onvolprezen Kunstreisboek voor Nederland staat een handzaam lijstje met de meest voorkomende vaktermen. En nu ik daar toch op kom: die serie is na acht jaar nog steeds niet verder dan vier provincies. Waar blijft de rest? Is er nu echt niet één uitgever die dit prachtproject op zijn naam wil hebben? Hadden wij maar zo'n klooster!