'Jazz moet uit de sfeer van rokerige cafés'; Groeiende jazz-wereld verdeeld over subsidies

DEN HAAG, 3 JUNI. Het aantal podia voor jazz breidt zich uit, er komen meer organisaties die zich met jazz bezighouden en het Nederlands Impresariaat (NI) lijkt zich een vaste plaats te veroveren bij de afzet van jazzmuziek. Maar over de verdeling van subsidies splitsen de meningen zich. Dat waren de voornaamste uitkomsten van een roerige 'Salon' over het Jazzbeleid in Nederland, die gisteren plaats had bij de Raad voor de Kunst in Den Haag.

Een ideeënuitwisseling was het, tussen mensen 'uit het veld' en het ministerie van WVC, de Stichting Jazz in Nederland en het Nederlands Jazz Initiatief, sinds enige tijd onderdak bij het Nederlands Impresariaat. Het was een bij vlagen zeer roerige ontmoeting waarbij vooral de Stichting Jazz in Nederland (SJIN), die de WVC-subsidies verdeelt, in krasse bewoordingen werd uitgefoeterd. De door de stichting aangewezen 'kernpodia' werden 'arisch' genoemd, de commissie die subsidie-aanvragen beoordeelt, werd met de 'Kulturkammer' vergeleken. De kritiek kwam vooral van de kant van teleurgestelde musici en spitste zich toe op de door de SJIN gehanteerde criteria voor subsidiëring: originaliteit, cultureel belang, scheppend vermogen.

In een reactie op de aantijgingen onderstreepte SJIN-bestuurslid Ton Mijs dat bepaalde criteria onontbeerlijk zijn, omdat kunstsubsidie nu eenmaal voor kunst is bestemd en niet voor werkgelegenheidsbeleid. Daarmee diende hij tevens Jan van Waveren van het Nederlands Impresariaat van repliek, die van de genoemde criteria niets moet hebben. Musici moeten professioneel zijn en verder moet de markt het maar bepalen, vindt hij. Een standpunt dat wordt gedeeld door Jaap van Beusekom, direkteur van de Stichting Popmuziek Nederland. “De markt, dat is het publiek,” zo stelde hij vast, en dat is in Nederland “zeker niet achterlijk.”

De stemming varieerde tussen twijfel en vertwijfeling. Want wat is het beste voor de Nederlandse jazz, waarin het aanbod vooral door de grote uitstroom van de jazz-opleidingen al jaren veel sterker groeit dan de vraag? Het kunstbeleid van de SJIN - die 2,5 miljoen heeft te verdelen - met die ongemakkelijke criteria, of het kunstenaarsbeleid van het Nederlands Impresariaat dat afgelopen seizoen 130 concerten boekte op een voor jazz vrijwel nieuw circuit in de middelgrote zalen?

Van Waveren en zijn secondant Paul Gompes hebben geen enkele twijfel: ze kregen van de SJIN al twee keer geld en willen voor 750 duizend gulden best het hele SJIN-pakket (vorig jaar bijna 700 concerten) overnemen 'inclusief de logistiek'. Volgens hen kunnen zij het een stuk goedkoper dan de stichting met zijn 'uitzinnig kostbare circuit' en zijn 'veel te hoge overhead kosten'. Frits den Haring, hoofd muziek en dans van WVC, lijkt wel voor de aanpak van het Nederlands Impresariaat te voelen. De in de SJIN gestopte guldens leveren volgens hem te weinig speelgelegenheid op. De Raad voor de Kunst, “altijd gericht op kwaliteit, heeft zich uiteindelijk laten overtuigen door een (bij de kamermuziek) jaarlijks groeiend aantal speelbeurten.” De musici aarzelen. Sommigen van hen hebben 'die verdomde SJIN' weliswaar weer eens flink de waarheid gezegd, maar wat krijgen ze er voor terug bij het Nederlands Impresariaat, dat bij de Vereniging voor concert- en schouwburgdirecties (VSCD) een voor jazz nieuw afzetgebied heeft aangeboord. Dat nieuwe circuit haalt de jazz meer naar de concertzaal en uit de sfeer van de rokerige cafés. “In dat VSCD-circuit heb ik eigenlijk alleen maar minder gevangen,” zegt er een, buiten het bereik van een microfoon. Op twee zaken werd eenduidig gereageerd: instemmend op een voorstel tot de oprichting van een Nederlands Jazz Overleg (NJO) en gesis en gejoel op de uitspraak van saxofonist Hans Dulfer dat 'zijn' plan voor de jazz van twintig jaar geleden stukken beter was dan alle onzin die hij nu weer hoorde.