Hockeyen en plassen

Mijn neefje Robert is 6 en de jongste van groep 3. Dat valt niet op. Hij weet al lang van de roos, de vis en de boom. Hij leest zelf Pluk van de Petteflet en Kikker is verliefd. En hij schaakt. 'Ja, nu zul je verder toch te voet moeten,' zeg ik als ik zijn tweede paard sla. Maar hij lacht vals en neemt mijn koningin.

Mijn neefje Robert zit op hockey. Hij is de mini van de mini's. Vanmiddag spelen ze de laatste wedstrijd van het seizoen. Als ik aan kom rijden hoor ik hem net zeggen: 'ik ben 7' en dan ziet hij mij. Ik hou m'n mond. Partners in crime.

Robert is verdediger. Hij vliegt heen en weer èn stopt alle ballen. Soms vergeet hij dat hij achterin moet blijven. Ik hoor hem hijgen als hij langsrent. Zijn grijze clubtrui hangt bijna op zijn knieën. Ik vind hem echt goed. Hockey is niet mijn sterkste kant en dat is nog zwak uitgedrukt. Zelfs voor het slechtste rolstoelhockeyteam van mijn school ben ik geen aanwinst. Dit schooljaar heb ik maar 1 keer gescoord. In eigen doel. Basketbal is veel leuker.

Het is koud als je stilzit. Als ik nu eens binnen een lilapause ging kopen. Ik voel in mijn zakken. Eén steentje en drie schelpen. Leefde ik nu maar in de prehistorie dan kon ik daar vast wel mee betalen. Of was er toen nog geen chocola?

Ineens moet ik héél nodig. De wc's in het clubhuis zijn niet aangepast. Je moet er zelfs een trapje voor af. Ik krijg het een beetje benauwd. Het is nog zeker twintig minuten rijden naar huis. Racen maar. Ik steek mijn hand op. Robert ziet alleen de bal.

Het voegangerslicht bij de weg naar de duinen wil maar niet op groen springen. O, was ik maar een hond. Dan tilde ik bij de eerste de beste boom gewoon even mijn poot op. Ik probeer aan iets anders te denken. Aan vakantie. Over tweeëneenhalve maand dobber ik al in de Middellandse Zee. Het hèlpt. Ik hoef zelfs helemaal niet meer. Nu had ik net zo goed kunnen blijven kijken.

Op mijn kamer werk ik verder aan mijn brandweergarage. Voor de ingang wil ik twee grote schuifdeuren maken. Met mijn opa, want die kan alles en het is een heel precies karwei. Ik zet 'If I Ever Lose My Faith In You' van Sting op en schaaf de randen van de houten vloer met mijn nieuwe rode scheerapparaat. En dan staat Robert naast me. 'Waar was jij nou ineens?' Hij moet meteen door naar huis en klimt achter mij op de traplift. Dat past nog maar net.

'Hoe is het afgelopen?' vraag ik als we beneden zijn. Robert staat al buiten. 'Gewonne...!' 'Met hoeveel?' roep ik als hij het pad afrent. 'Met 1-1,' schreeuwt hij. 'Dan bof je. Het had ook andersom kunnen zijn,' zeg ik nog. Maar hij is al verdwenen achter de denneboom. Alleen zijn oranje fietsvlaggetje zwaait nog in de verte. Ik ben weer alleen.

In de tuin ruikt het naar kruiden en Italië. Misschien eten we straks wel pasta...