Hij sprak Latijn en vree in het Frans; Gert Hofmanns roman over Georg Lichtenberg

Gert Hofmann: Die kleine Stechardin. Carl Hanser Verlag, 216 blz. Prijs ƒ 53,-

We schrijven mei 1777 en bevinden ons in het lieftallige, maar o zo benepen en kleinburgerlijke universiteitsstadje Göttingen. Een parel op deze zetel van wetenschap is de natuurkundige en als uiterst bizar bekend staande Georg Christoph Lichtenberg, wiens roemruchte ontdekkingen, zoals bijvoorbeeld de fameuze luchtpomp en de elektriseermachine, ruimschoots de landsgrenzen hebben overschreden. Het lijkt me geen toeval dat Hofmann deze underdog tot hoofdpersoon heeft gekozen van zijn laatste roman Die Stechardin (deze titel verwijst naar juffrouw Stechard, een plaatselijke schone op de aanminnige leeftijd van dertien jaar), want al eerder in zijn schrijversloopbaan koos hij voor de maatschappelijke verschoppeling: in de roman De ondergang van professor Veilchenfeld (1986) en in de aan zijn idool Robert Walser gewijde novelle uit de bundel Gespräch über Balzacs Pferd (1981).

In het voorjaar van 1992 (een jaar ongeveer voor zijn overlijden) sprak ik Gert Hofmann ter gelegenheid van de verschijning van zijn roman De filmverteller, een weemoedige terugblik op het wat dubieus gekleurde leven van zijn grootvader, waarbij hij me onder voorbehoud onthulde dat hij zich nu op een heel subtiel en uitdagend onderwerp had gestort: op Lichtenberg, de vlijmscherpe satiricus met de in esprit gedoopte flitsende pen en diens faible voor zeer jonge meisjes.

Nu lag de huwbare leeftijd in zijn dagen zo ongeveer rond het zestiende levensjaar en was een relatie met een wicht van dertien niet zo vreemd, maar toch ligt voor onze begrippen het woord pedofilie op de loer. In fijne lijnen schetst Hofmann zijn beeld van de geleerde Lichtenberg, wiens leven als door een slagschaduw wordt overwoekerd door wat fysieke ongemakken: een bochel (zowel van voren als van achteren), sleepvoeten (zodat hij altijd laarsjes dragen moet) en kaalhoofdigheid, een waar excuus voor een complete pruikengalerij in alle kleuren en maten, zelfs een paarse!

Voor een groot deel heeft Hofmann zijn details ontleend aan historische bronnen en is hij in de secundaire literatuur geen voetnoot uit de weg gegaan, anderzijds is zijn lust tot fabuleren op iedere bladzijde te proeven en dat geeft zijn roman Die Stechardin een ongekende charme. Een voorbeeld slechts: de ontmoeting met de dertienjarige Maria Dorothea Stechard, de spil van het verhaal, wordt in kleuren en geuren verteld en berust op een ooggetuigeverslag (vastgelegd in een brief aan zijn vriend pastoor Gottfried Hieronymus Amelung: “Stel je voor wat er is gebeurd, heel plotseling! Ik heb een meisje leren kennen een meisje, meisje meisje! - een burgerdochter van hier. Zij is dertien en, welaan, wonderschoon. Zulk een toonbeeld aan schoonheid en zachtmoedigheid heb ik nog nooit gezien. Zij bevond zich in het gezelschap van vijf, zes anderen die, zoals de kinderen hier doen, aan de voorbijgangers op de wal bloemen verkopen. (-) Ik nam haar apart en vroeg haar me thuis te bezoeken. Ze ging bij geen jongen op de kamer, zei ze. Toen ze hoorde dat ik een professor ben en veertien waarachtige boeken geschreven heb, kwam ze de volgende middag met haar moeder bij mij.”

Dameskapjes

Deze ontmoeting, uitmondend in een relatie binnen een wat macabere context, heeft iets sereens en doet wat middeleeuws aan. Wederom verstaat Hofmann de kunst zijn verhaal op smaak te maken met allerlei saillante details. Zo zijn er uitvoerige beschrijvingen van de diverse kleedwijzen (vooral dameskapjes en - paarse - herenhemden zijn in tel) en interieurs, waar een rechtgeaarde kunsthistoricus zijn vingers bij aflikt. Maar de innerlijke monologen van Lichtenberg en de dialogen met zijn minnares en diverse gesprekspartners lijken me spinsels van de verbeelding. Welnu, dit verweven van historisch vastgelegde details met typisch Hofmanneske invallen brengt een personage tot leven en ons zeer nabij. Bepaalde gewoontes - Lichtenberg hield als uitlaatklep voor geronnen verdriet en om zijn veelal geniale ingevingen te noteren zogeheten Sudelbücher (kladboeken) bij - komen ons nu dan ook vertrouwd voor: “Wat Lichtenberg destijds door het hoofd - 'door mijn verschillende hoofden' - ging, was meestal wetenschappelijk. Hij hield zijn cahier dan in de lucht en hield de gedachte 'voor hen die na ons komen en het niet zullen willen lezen' vast. Veelal waren het argumenten voor of tegen het leven. Lichtenberg was er meestal voor, maar met een slecht geweten, want hij zag er weinig heil in.”

Binnen een tijdsbestek van ruim drie jaar zien we de liefde van Lichtenberg voor de kleine Stechard ontluiken tot een ware hartstocht, die van hem een machtsbeluste minnaar maakt. Hij, wiens eerste erotische contacten bestonden uit wat vaag homoërotisch gerommel en aanvaringen met de werksters van de universiteit, doorleeft een zoektocht naar zijn ware aard en genegenheid. De uiterst subtiele wijze waarop Hofmann ons laat meegenieten van deze amoureuze verkenningen, waarbij fysieke details een onthullende rol spelen, steekt schril af bij de laatdunkende wijze waarop Lichtenbergs collega-professoren de draak met hem steken: hij spreekt met haar Latijn, maar vrijt met haar op zijn Frans.

Wij blijven dan ook verslagen achter wanneer Maria Stechard op 4 augustus 1782 overlijdt aan 'roos aan het hoofd' en onze bultenaar met een nieuwe 'schone' zijn door kwalen geteisterde lichaam laat verwennen.