Het Kever-model; Museum met Europese aspiraties in Wolfsburg

Het nieuwe Kunstmuseum Wolfsburg heeft iets van een showroom voor dure auto's: high-tech, glanzend en kil. De kunst kan zich daarin wel van zijn beste kant laten zien. “We willen met de collectie aansluiten bij het karakter van deze stad met zijn nazi-geschiedenis, industrie en de daarbij horende mechanisering.” Aldus Gijs van Tuyl, de Nederlandse directeur van het museum.

Tentoonstellingen: Fernand Léger en Tuning Up. Kunstmuseum Wolfsburg, Porschestrasse 53, Wolfsburg. Wo t/m zo 10-18u, di 10-21u.

'Kunst für alle', staat er in koeieletters op een affiche vlakbij het station van Wolfsburg. Zeker in deze Duitse stad, naast het nabijgelegen Salzgitter de enige die de door nazi's is gesticht, doen deze woorden denken aan de nationaal-socialistische kunstideologie. Kunst moest niet iets zijn voor een kleine, bevoorrechte elite, vonden Goebbels en Hitler, maar voor heel het volk. Wie dichter bij komt, ziet echter dat de spreuk is ondertekend door een ander duo: de Britten Gilbert & George, van wie het Kunstmuseum Wolfsburg twee werken in bezit heeft. Ze zijn te zien op 'Tuning Up', een van de twee tentoonstellingen waarmee het Kunstmuseum zaterdag met veel feestgedruis opende. 'Tuning Up' is opgebouwd rondom de aankopen die het museum de laatste twee jaar heeft gedaan. De andere expositie is een schitterend overzicht van het werk van Fernand Léger uit de jaren 1911-1924.

Niet alleen de drieduizend woningen in de sobere Duitse Heimatstil uit de nazi-tijd maken Wolfsburg bijzonder, ook de aanwezigheid van de door de nazi's in 1938 opgerichte Volkswagenfabriek met haar imposante, anderhalve kilometer lange façade zorgt daarvoor. Wolfsburg ís Volkswagen. Op de ongewoon brede straten - Hitler veronderstelde dat binnen afzienbare tijd elke Duitser een kever zou hebben - rijden bijna alleen Volkswagens en op veel punten in de 130.000 inwoners tellende stad zijn de vier hoge schoorstenen van het Volkswagenkraftwerk zichtbaar om de bevolking voortdurend aan de bestaansgrond van de stad te herinneren.

De schoorstenen roken nog wel, maar Volkswagen lijdt de laatste jaren monsterverliezen. Het nieuwe, glanzende Kunstmuseum is dan ook niet aan de schoorstenen te danken. Weliswaar was het de Volkswagendirecteur Carl H. Hahn die in 1987 het initiatief nam voor de oprichting van de Kunststiftung Volkswagen, maar de financiering van de stichting wordt verzorgd door de Holler Stiftung, die het vermogen van het Münchense echtpaar Holler beheert. Het inmiddels overleden paar had zijn geld voor een groot deel belegd in de Volkswagen Versicherungsdienst GmbH, een verzekeringsmaatschappij die ondanks de naam onafhankelijk van Volkswagen opereert. Ook de bouw van het Kunstmuseum, dat met tachtig miljoen gulden meer heeft gekost dan de Kunsthal en het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam bij elkaar, kwam grotendeels voor rekening van de Holler Stiftung.

Privé

Directeur van het museum is de Nederlander Gijs van Tuyl (1941), die tot 1992 bij de Rijksdienst Beeldende Kunst werkte en van 1969 tot 1976 conservator van het Stedelijk Museum in Amsterdam was. Hij is niet bang voor de afhankelijkheid van een stichting, vertelt hij in zijn riante directeurskamer, de Holler-Stiftung is zeer solide. Het jaarlijkse budget van het museum is vijftien miljoen mark, waarvan twee miljoen voor nieuwe aankopen en twee miljoen voor tentoonstellingen zijn bedoeld. “Het Kunstmuseum Wolfsburg is een privé museum. Dat past goed bij Wolfsburg dat toch een beetje een Amerikaans karakter heeft. Het is een multiculturele, multinationale stad. Dat begon al in de oorlog, toen hier duizenden dwangarbeiders werkten. In de jaren vijftig zijn hier veel Italianen komen wonen. En de laatste jaren zijn er veel Russen neergestreken. Er werken in dit museum mensen uit Tadzjikistan en Kirgizië.

“Het is prettig om niet afhankelijk te zijn van de overheid. We hebben meer bewegingsvrijheid en kunnen heel ongecompliceerd, direct en efficiënt te werk gaan. Voor het bestellen van een potlood hoeven niet tien formulieren ingevuld te worden. En met zo'n discussie over de verkoop van Picasso's om de aankoop van hedendaagse kunst te financieren, zoals onlangs in Nederland is gevoerd, hebben we niets te maken. Als een kunstwerk bij nader inzien tegenvalt, kan het museum het gewoon verkopen.”

Maar Van Tuyls vrijheid is niet onbegrensd. In de statuten van de stichting staat dat het museum ook ten goede moet komen aan de plaatselijke bevolking, met andere woorden 'Kunst für alle' moet brengen. “Het Kunstmuseum doet zijn best om de plaatselijke bevolking erbij te betrekken, we hebben een grote educatieve dienst. Bovendien willen we met de collectie aansluiten bij het karakter van deze stad met zijn nazi-geschiedenis, industrie en de daarbij horende mechanisering. In dit licht moet ook de openingstentoonstelling van het werk van Léger worden geplaatst. Léger reageerde op de mechanisering van de wereld door er schilderkunstige equivalenten voor te zoeken. Ook voor 'Tuning Up' zijn de geschiedenis en de mechanisering de leidmotieven.”

Toch maakt 'Tuning Up' vooral de indruk van een veilige parade van grote namen, gebaseerd op een blik in een willekeurig kunsttijdschrift. Mario Merz, Tony Cragg, Jean-Marc Bustamante, Christian Boltanski, Jan Dibbets, René Daniels, Anselm Kiefer, Jeff Koons, Gilbert & George, Rebecca Horn, Nam June Paik, Jörg Immendorf, Richard Artschwager, Richard Prince - het zijn kunstenaars die ook in een Frans of Amerikaans museum niet zouden misstaan. Maar volgens Van Tuyl is dit niet het geval: “Je kunt zeggen dat het niet zo avontuurlijk is om van Gilbert & George werk te kopen. Maar ik heb een analyse laten maken van de collecties van Duitse musea en daaruit blijkt dat Gilbert & George in niet één Duits museum zijn vertegenwoordigd. Van Baselitz en andere Duitsers is daarentegen veel te zien in Duitsland en daarom heb ik van hen relatief weinig gekocht.

“Het werk Roads dat we van Gilbert & George hebben gekocht, houdt zich bovendien bezig met urbane thema's en dat past goed bij de industriestad Wolfsburg. Van Allan McCollums Over 10.000 Individual Works zou je kunnen zeggen dat de enorme hoeveelheid soortgelijke objecten van eenzelfde materiaal een lopende-bandkarakter hebben. En Anselm Kiefer houdt zich natuurlijk als geen andere Duitse schilder bezig met de geschiedenis.

“Je moet de verbanden tussen de kunstwerken en de stad ook niet te letterlijk gaan leggen, want dan wordt het vervelend. De collectievorming is een associatief proces, een subjectieve kijk op basis van de uitgangspunten. Het is absoluut niet het streven om een volledig beeld van de kunst sinds 1968 te geven. Weinig en goed, dat is wat we willen. We proberen met de kunstwerken muziek te maken: 'Tuning Up'.”

Eredivisie

'Kunst für alle' betekent ook dat het Wolfburgse museum niet alleen is bedoeld voor Volkswagenarbeiders. Van Tuyl heeft Europese aspiraties met zijn museum: “Het is te groot om alleen een regionale functie te vervullen, ook al is hier meer honger naar cultuur dan in de grote steden. We willen tot de eredivisie van Europese musea behoren. Al dan niet in samenwerking met andere belangrijke musea gaan we tentoonstellingen maken die nergens anders in Europa zijn te zien. Van het oeuvre van de grote moderne helden als Léger willen we een nieuwe lezing geven. En van de hedendaagse kunstenaars zijn er overzichten te verwachten van Gilbert & George en Carl Andre.”

Wat voor de collectie geldt, gaat ook op voor het door de Hamburgse architect Peter Schweger ontworpen museumgebouw, vindt Van Tuyl: het past in de industriestad Wolfsburg. Niet alleen ligt het tussen twee eerdere werken van vooraanstaande architecten - het cultuurcentrum van de Fin Alvar Aalto uit 1962 en het theater van de Duitser Hans Scharoun uit 1973 - maar ook is het een eigentijds antwoord op de Volkswagenfabriek uit 1938. “De Volkswagenfabriek is imposant en gesloten, het museum open en helder, een fabriekshal midden in de stad. Het is een metafoor voor deze stad, dit high-tech-gebouw,” zegt Van Tuyl die desondanks niet erg enthousiast lijkt over zijn onderkomen. “Ik heb de architect niet uitgekozen, maar ik kan met dit museum wel uit de voeten. Het gebouw is eigenlijk ook niet zo belangrijk. Als het licht maar goed is en de muren stevig zijn en dat is hier zeker het geval. Het museum is een middel, een bühne om muziek op te maken. De grote hal stelt me in ieder geval wel in staat andersoortige tentoonstellingen te maken. Het normale klassieke museum heeft een lineaire structuur: het ene kabinetje na het andere. Maar in de grote hal kun je verschillende dingen tegelijk laten zien. Die simultaniteit past beter bij onze tijd van elektronica, waarin meer sprake is van netwerksystemen dan van lineaire verbanden.”

Autoshowroom

De aanwezigheid van een grote tentoonstellingsruimte in het Kunstmuseum Wolfsburg maakt het museum vergelijkbaar met het door Jo Coenen ontworpen Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam, dat een soortgelijke centrale hal kent. Maar één blik in het Wolfburgse museum maakt ook direct duidelijk wat het verschil is tussen Duitse en Nederlandse museumarchitectuur: geld. Coenens hal is door geldgebrek tot het hoognodige gereduceerd, de centrale ruimte van Schwegers gebouw is dank zij het ruime budget tot het uiterste geperfectioneerd. Anders dan in het Architectuurinstituut zijn alle leidingen en afvoerpijpen aan het zicht onttrokken en de wanden zijn niet van kaal beton, maar bekleed met al dan niet geperforeerde metalen panelen. En het bovenlicht wordt niet, zoals in het Architectuurinstituut, geregeld door simpele doeken en echte industrielampen, maar door een uitgekiend, speciaal ontworpen lichtsysteem dat alle wenselijke lichtsterkten mogelijk maakt.

Schweger ziet de centrale hal als een forum dat aan alle kanten wordt omgeven door gebouwen waarin studio's, magazijnen en de gebruikelijke kabinetten zijn ondergebracht. Het geheel wordt bijeengehouden door het spectaculairste onderdeel van het gebouw, het reusachtige glazen dak dat aan de voorzijde ver uitkraagt over het schuin geplaatste restaurant en de in een cilinder ondergebrachte ingang.

Schweger rechtvaardigt zijn high-tech-architectuur van glas, staal en veel grijs metaal met dezelfde argumenten als vroeger de Nieuwe Bouwers hun smetteloze gebouwen: het is functioneel en dus goed. De Duitse architectuurcriticus Manfred Sack haalt in zijn essay over Schweger, gepubliceerd in een boekje van de Berlijnse architectuurgalerie Aedes, dan ook een uitspraak aan van Otto Wagner, de Weense Berlage: 'Iets onpraktisch kan niet mooi zijn'. Ook Adolf Behne, een van de eerste pleitbezorgers van het Nieuwe Bouwen, citeert hij in verband met Schwegers architectuur instemmend: “Zakelijkheid is niet fantasieloosheid, maar fantasie die werkt met werkelijkheden en exactheden in plaats van met willekeurigheden en ficties.” Maar zoals het Nieuwe Bouwen allerlei dogma's kende - de op winter- en zomerdagen rampzalige glazen façades bijvoorbeeld - die met functionaliteit weinig te maken hadden, zo zit het Kunstmuseum Wolfsburg vol willekeurigheden. De veelheid aan glazen en stalen vormen waarin Schweger zwelgt en die zijn gebouw een druk en ondanks het high-tech-karakter barok aanzicht geven, is functioneel absoluut niet te rechtvaardigen. En de bekleding met panelen van staal en glas functioneert niet beter dan een van baksteen of, waarom niet, Coenens kale beton.

Veel keuzes in Schwegers gebouw zijn uiteindelijk terug te voeren tot een esthetiek die ons in de eerste plaats een beeld van functionaliteit moet voorspiegelen. Maar daarin is Schweger dan ook goed geslaagd. Te goed zelfs, want door het consequente gebruik van staal, metaal en glas krijgt het gebouw iets technocratisch en kils. Alles, van de kolossale palen waarop het dak rust tot de schroefjes waarmee de metalen aan de wanden zijn bevestigd, is bedoeld om te imponeren. En met succes, want je krijgt het gevoel dat je er zonder Hugo-Boss-pak niets hebt te zoeken. Het museum heeft nog het meest weg van een grote showroom voor zeer dure auto's. Voordeel is wel dat de produkten zich, zoals het hoort in een goede toonzaal, van hun beste kant kunnen laten zien.