Heelmeester Van Gogh; Schetsen, stukken en gedichten van Hugo von Hofmannsthal

Hugo von Hofmannsthal: De roos en de schrijftafel. Vert. Bert Toussaint en Philip van der Eijk. Uitg. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 151 blz. Prijs: ƒ 35,- en ƒ 49,90 (geb.)

Als typische overgangsfase, als vacuüm en als intellectueel proefstation - zo heeft men het Weense fin de siècle bij herhaling getypeerd. Enerzijds rekenden de Oostenrijkse kunstenaars en wetenschappers anno 1900 categorisch af met de negentiende-eeuwse zekerheden op het gebied van kennis, moraal en religie. Anderzijds legden zij de fundamenten voor het modernisme op welhaast alle gebieden van de menselijke geest. Hugo von Hofmannsthal heeft dit proces, de breuk met het verleden en het gelijktijdige ontstaan van het moderne levensgevoel, in twee beroemde teksten uit het begin van de eeuw op magistrale wijze vastgelegd.

In 'De brieven van de man die terugkeerde' ('Die Briefe des Zurückgekehrten', onlangs voor het eerst vertaald) beschrijft hij hoe iemand na achttien jaar op het zuidelijk halfrond te hebben doorgebracht naar Europa terugkeert en nu 'een gespleten besef van de werkelijkheid' ervaart. In Duitsland, waar hij voorlopig verblijft, overvalt hem een ernstige identiteitscrisis. Vroeger, toen hij nog op het Oostenrijkse platteland leefde, en ook nog tijdens zijn verblijf in Zuid-Amerika en Azië, ervoer hij het leven als een eenheid. Nu komt het hem verbrokkeld en versplinterd voor: hij behoort tot het slag mensen 'van wie de rechterhand niet weet wat de linker doet'. Zijn crisis wordt na enige tijd opgelost door een toevallig bezoek aan een Van Gogh-tentoonstelling. Bij het zien van diens schilderijen ('uit een angstaanjagende twijfel aan de wereld geboren') ondergaat hij een schok der herkenning, waardoor hij gesterkt wordt en uiteindelijk weer 'vaste grond onder de voeten voelt'.

De crisis die Hofmannsthal in zijn gefingeerde brieven uit 1907 beschrijft staat model voor de ontworteling van de moderne intellectueel, die eveneens ten prooi is aan twijfels en innerlijke verdeeldheid. De thematiek wijst duidelijk vooruit naar het een of twee decennia later verschenen werk van uitgesproken modernisten als Kafka, Musil, Proust en Joyce. Nog opvallender zijn de parallellen met Rilkes experimentele dagboekroman Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge uit 1910. Net als de verteller uit de brieven ervaart ook Malte Laurids Brigge, een vreemdeling in Parijs, een breuk met het verleden en is het uiteindelijk de kunst die voor een hernieuwde orde in zijn brein weet te zorgen.

Zo mogelijk nog bekender dan 'De brieven van de man die terugkeerde' is een tekst die officieel 'Ein Brief' heet, naar gewoonlijk de 'Chandos-Brief' wordt genoemd. In deze brief uit 1902, feitelijk eveneens een essay in briefvorm, beschrijft Hofmannsthal opnieuw een crisis, nu echter toegespitst op de taal. De fictieve literator Lord Chandos deelt aan de bevriende filosoof Francis Bacon mee waarom hij zijn veelbelovende carrière plotseling heeft moeten beëindigen. Chandos is het vermogen kwijtgeraakt om 'over ook maar één ding samenhangend te denken of te spreken: “alles viel voor mij in delen uiteen, de delen weer in delen, en niets liet zich nog door één begrip omspannen.”

De taalskepsis die Hofmannsthal in zijn beroemde 'Chandos-Brief' verwoordt - anders gezegd: de twijfels of men met taal tot de essentialia kan doordringen - is al net zo richtinggevend geworden voor het moderne denken als de existentiële crisis uit De brieven van de man die terugkeerde. Overigens stond Hofmannsthal met zijn taalkritiek binnen het Weense fin de siècle geenszins alleen, want gelijktijdig ontwikkelden Wittgenstein, Karl Kraus ('In keiner Sprache kann man sich so schwer verständigen wie in der Sprache') en de recentelijk herontdekte taalfilosoof Fritz Mauthner soortgelijke ideeën.

De 'Chandos-Brief' en 'De brieven van de man die terugkeerde' zijn verreweg de belangrijkste teksten uit De roos en de schrijftafel, een bloemlezing uit Hofmannsthals werk die verder bestaat uit prozagedichten, lyrische schetsen en een enkel verhaal. De beide vertalers merken in hun voortreffelijk nawoord op dat het hier een 'enigszins onorthodoxe selectie' betreft. Dat is een juiste constatering, die meteen de vraag oproept waarom de vertalers gekozen hebben voor sommige marginalia uit Hofmannsthals nalatenschap en de al twee keer eerder vertaalde 'Chandos-Brief'. Terwijl veel van Hofmannsthals belangrijkste prozawerk in ons taalgebied nog onbekend is: bijvoorbeeld zijn latere cultuurkritische essays, zoals 'Der Dichter und diese Zeit' en 'Das Schrifttum als geistiger Raum der Nation', en vooral zijn enige en fragmentarisch gebleven roman Andreas oder die Vereinigten uit 1913.

De meeste prozagedichten en lyrische schetsen uit deze bundel stammen uit de periode voor 1900 en maken met hun romantisch-weemoedige stemming en gemaniëreerde stijl een nogal gedateerde indruk. De latere teksten bevielen mij een stuk beter. Bijvoorbeeld het schitterende verhaal 'Familieleden', over een jongen van acht die de dood van zijn vader moeilijk kan verwerken. Of het werkelijk briljante 'Schemering en nachtelijk onweer', waarin de psychologie en de perfecte stijl een onweerstaanbare combinatie vormen. Verhalen als deze bewijzen dat Hugo von Hofmannsthal zelfs in zijn minder bekende werk een allure uitstraalt die alleen aan de hele groten lijkt voorbehouden.