Eenentachtig boeken over romaanse bouwkunst; Een laboratorium van bewaarde tijd

De Franse uitgeverij Zodiaque geeft een prestigieuze serie boeken uit over romaanse bouwkunst. Volgens Cees Nooteboom zijn ze gemaakt door heilige detectives, die laten zien wat je op je eentje nooit zou hebben opgemerkt. In de serie is nu een deel over Nederland verschenen. Een meesterwerk met tekortkomingen, meent Gert Jan van Setten.

Een aantal jaren geleden stond ik in een verlaten vallei van de Spaanse Pyreneeën voor een kleine romaanse kerk uit de elfde eeuw - maar ik kon er niet in. Het naburige dorp, waar ik volgens een oude reisgids de sleutel van de pastoor had moeten krijgen, bestond alleen nog maar als ruïne. Er woonde niemand meer. De kerk die ik wilde zien lag een uur lopen naar het noorden, de weg erheen was een pad langs een kolkende bergbeek. Ik had nog een vage hoop dat er misschien wel iemand zou zijn om de Nestra Señora de Iguacel voor mij open te doen, maar natuurlijk was er niemand, geen hond, geen mens, geen huis: de monniken die de kerk bijna duizend jaar geleden gebouwd hadden, waren op zoek geweest naar een verlaten plek, en dat was gelukt, nog steeds. Ook aan de geluiden kon niet veel veranderd zijn - vogels, geruis van herfstbomen, regenvlagen. Een andere gefrustreerde had met een scherp voorwerp een klein gat in de dikke deur geslepen, maar veel was er niet te zien, en zo stond ik daar een beetje dwaas, want in mijn handen had ik een deel van de Zodiaque-serie over romaanse bouwkunst, waarin plattegrond, beschrijving, geschiedenis en foto's van het verlaten gebouw afgedrukt stonden, zodat ik toch nog een beetje, door die ruwe en oeroude muren heen, naar binnen kon kijken.

Mijn passie voor romaanse kunst, en speciaal voor die vaak afgelegen kerken en ermitages in Catalonië en Aragón, was vrij plotseling ontstaan door een boek uit 1928, ik wist zelf niet precies wat me bezielde, ik wist alleen dat het volgen van die sporen tussen de twee Spaanse kusten mijn reizen in die streken veranderd had. Er was iets van een merkwaardig geluksgevoel bijgekomen, ik kwam op plekken waar ik nooit eerder geweest was, klimaat en ontvolking hadden ervoor gezorgd dat veel in verlaten landschappen goed bewaard was gebleven. Geleidelijk aan had ik me steeds meer boeken van Zodiaque (La Nuit des Temps) aangeschaft, niet alleen omdat ze zoveel te vertellen hebben, maar ook vanwege het fysieke genot van de delen zelf, in linnen gebonden, meestal vier-vijfhonderd pagina's, met duidelijke plattegronden waarin de gedachten van de verre bouwmeesters zichtbaar werden, en met een fotografie van ongelooflijk geraffineerd uitgelichte architectonische details die je dingen lieten zien die je zo op je eentje misschien nooit zou hebben opgemerkt. Heilige detectives waren daar aan het werk geweest, ze hadden naar visigotische en mozarabische sporen gezocht, minimale details met elkaar vergeleken, in archieven gespeurd, maar ze waren ook met hun camera's tot het hoogste kapiteel geklommen om zichtbaar te maken wat daar voor rijkdom verborgen was, beelden en voorstellingen uit een laboratorium van bewaarde tijd, versteende, verbeelde kosmogonie, een sluitend systeem van morele en metafysische duiding, dat je als systeem misschien niet meer kon delen, maar waarin alles, van de muur tot de drempel, van de muurschilderingen en de taferelen op timpanen tot aan de vorm van de gebouwen zelf, iets wilde betekenen, een taal van getallen en tekens die je telkens even vasthield in een geestelijk universum, waarin die anderen van vroeger geleefd hadden, een vanzelfsprekende wereld die ze aan de hand van die tekens hadden kunnen lezen - zelfs als ze niet konden lezen.

Kraagsteen

Passies jagen hun hartstochtelijke slachtoffers steeds verder op naar een gedroomde volledigheid, zonder romaans Venetië en Lombardije, romaans Aragón en romaans Navarra gaat het op gegeven moment niet meer, en zonder het deel Glossaire (onmisbaar), Symboles (onmisbaar) en de twee delen Lexique (onmisbaar) ben je nergens, en hoe wou je nu eigenlijk door Frankrijk op reis zonder het Cisterciënzer en door Spanje zonder het mozarabische deel? Goed, alle 81 delen heb ik niet aangeschaft, maar Ierland, de Alpen en Scandinavië liggen op de loer. Toch had ik één klacht bij al die liefde, en die had met taal te maken.

Meer dan één deel moet je eigenlijk, vanwege het gewicht, niet bij je hebben, maar bij dat ene deel heb je het woordenboek (Glossaire) absoluut nodig: daarin staan de technische termen die je niet kende mét de afbeeldingen die erbij horen, alleen, hier wordt de Nederlandse leek, die bovendien nog een taalverliefde is, gemeen in de steek gelaten. Het Glossaire geeft namelijk de vertalingen van de Franse technische termen in het Engels, Duits, Spaans en Italiaans, maar niet in het Nederlands, en dat is wreed. Ten eerste kun je niet ook nog met een Van Dale op reis, maar ten tweede geeft die, als je bij terugkeer gaat zoeken, ook lang niet altijd uitsluitsel, en dat wordt dan een heel gespeur en geschuif met Haslinghuis' Bouwkundige Termen, en vaak kom je er niet echt uit, in ieder geval niet onderweg. Ik heb de eigenaardigheid dat ik van alles nu eenmaal de naam wil weten, een vorm van lexicale vraatzucht die nog extra wordt aangewakkerd doordat alles nu eenmaal een naam heeft. Je kunt in zo'n kerk nergens heenkijken zonder dat het iets heet, zwik, kraagsteen, korbeel, schrankschoor, roepstoel, klauwstuk, brugijzer, woorden die ook zelf iets willen zeggen en daarvoor nu eenmaal jouw eigen taal gebruiken.

Van Dale Frans-Nederlands bijvoorbeeld weigert strigile als iets anders uit te leveren dan als 'S-vormige groef', maar het glossaire geeft hetzelfde strigile in het Duits als Wellenlinie, en daarbij zie ik iets heel anders voor me, iets dat veel beter correspondeert met de tekening in de glossaire, namelijk een hele reeks S-vormige groeven die samen een lange, golvende rij vormen. Het Spaans doet het nog beter met curvas paralelas, terwijl shaped fluitings nu juist weer niet zozeer dat idee van geometrische regelmaat geeft. Is dat allemaal erg? Nee, niet echt, want juist van dat zoeken en snuffelen tussen tekeningen, werkelijkheid en woorden heb ik ontzettend veel geleerd. En, alsof ze in de verre Franse abdij van Sainte Marie de la Pierre-qui-vire, waar de benedictijnen geduldig het ene deel na het andere produceren, mij zachtjes hebben horen vloeken, is daar nu eindelijk het Nederlandse deel verschenen, in het Frans èn het Nederlands. Nu moet ik mijn vieringpijlers, schalken en schachtringen ergens anders vandaan halen want een Nederlands glossarium ontbreekt, maar het genot is er niet minder om, eerder omgekeerd, zoals wanneer een reliëfvoorstelling boven de westingang van de kerk van Breust als latei benoemd wordt. Ik ben blij dat ik voor vol aangezien word, maar moet het woord toch even in het Groot Woordenboek der Nederlandsche Taal ('s Gravenhage, Leiden, Batavia en Kaapstad, 1916, waar blijft de tijd) opzoeken: latei, wellicht eene verbastering van fr. linteau: steenen of houten balk die in 't bijzonder boven ene deur of vensteropening, horizontaal wordt aangebracht om het hoogere metselwerk te dragen.''

Maar wie anders zou me zo snel als Zodiaque vertellen dat de drie medaillons in die latei waarschijnlijk verwijzen naar Psalm 91:13 “Op leeuw en adder zult gij treden, jonge leeuw en slang zult bij vertrappen”?

Maskerman

Juist in zulke kleine details zit het genot van deze boeken. Nu weet ik voor het eerst wat een gebonden stelsel is (lichte en zware pijlers die elkaar afwisselen zoals in de Onze-lieve- Vrouwe-Munsterkerk in Roermond), dat er in de kerk van Ermelo tufsteen en ijzeroer gebruikt is, dat het geheimzinnige timpaan van Kimswerd een maskerman voorstelt maar 'geen specifieke betekenis schijnt te hebben'.

Iemand anders zal dit boek voor deze krant bespreken, ik kan alleen maar zeggen dat ik blij ben dat het er is, al was het maar omdat op deze manier mijn Spaanse reizen nu met reizen in mijn eigen land worden verbonden via dezelfde sporen en dezelfde tekens, omdat het zichtbaar wordt dat dezelfde oosterse bloemmotieven, dezelfde monsters en fabeldieren die naar het verre westen van Spanje waren uitgezwermd ook hun weg naar het noorden gevonden hadden, zodat het apostelbeeld uit Sint Odilienberg in het Rijksmuseum 'lijkt' op dat uit de kathedraal van Santiago, stenen getuigen uit een tijd dat in Europa van Sicilië tot in Noorwegen een zelfde taal van beelden gelezen werd, een metafoor van de eeuwigheid die in alle uithoeken van het continent hetzelfde betekende. Dat dezelfde benedictijnen die deze erfenis hebben nagelaten haar nu voor de nieuwe blinden van een late eeuw verklaren en bewaren is een paradox die zij zelf natuurlijk niet als zodanig zien. Wie al meer dan duizend jaar in de cyclische tijd van het klooster leeft is de tegenvoeters van de lineaire vooruitgang tenslotte al een paar maal tegengekomen.