EEN ZOMPIG MOERAS VOL CULTURELE FOSSIELEN; Hebben de literaire tijdschriften toekomst?

Dat de alom geïnterviewde debutant plots als befaamd auteur geldt, en iedereen met een stoppelbaard als kunstenaar, hoort bij de letterkundige inflatie waarmee wij ons allang hebben verzoend.

De dag over 'De functie en de toekomst van literaire tijdschriften' wordt georganiseerd door het Literair Profuktie en Vertalingenfonds, en vindt plaats op zaterdag 4 juni, Felix Meritis, Keizersgracht 324, Amsterdam. Aanvang 10.30 uur. Er zijn nog (gratis) kaarten beschikbaar.

Ooit was het oprichten van een literair tijdschrift de simpelste manier om onsterfelijk te worden. Toen de Engelse criticus Cyril Connolly in 1939 eindelijk eens een eigen blad wilde, stapte hij naar een rijke vriend voor een bom duiten, huurde een flat als kantoor, en - oorlog of niet - Horizon was geboren. In die leeshongerige jaren werd het tijdschrift een fenomenaal succes. Het was een spreekbuis voor auteurs als W.H. Auden, George Orwell en Dylan Thomas, een broedplaats voor jonge talenten als Arthur Koestler, Laurie Lee en Philip Toynbee, en een lanceerplatform voor eigen ontdekkingen als Angus Wilson en Julian Maclaren-Ross. Door Horizon maakte de Engelstalige wereld bovendien kennis met Jean-Paul Sartre en Albert Camus nog voor ze goed en wel in Frankrijk waren doorgebroken.

Tegenwoordig gaat dat anders, zeker in Nederland. De dagen zijn voorbij dat een periodiek als Forum met minder dan 400 abonnees en een levenscyclus van slechts vier jaargangen een blijvend stempel op ons geestesleven kon drukken. De meeste van de huidige vijftig literaire tijdschriften in Nederland en Vlaanderen leiden een zwaar gesubsidieerd en bovenal tamelijk kwijnend bestaan. En dat geldt niet alleen het gestaag dalend lezersbestand, maar vooral de steeds marginaler wordende positie die zij innemen in het literaire leven. Nog maar weinigen onder ons snellen handenwrijvend naar de kiosk om het nieuwste nummer van Begane Grond, Woordwerk, Surplus, Hjir of Parmentier te verschalken. 'Het literaire tijdschrift is op sterven na dood' meldde Elsevier verleden jaar al, en dat klonk menigeen als overdreven optimistisch in de oren.

Er zullen dan ook waarschijnlijk niet veel vrolijke woorden worden gesproken op de bijeenkomst die het Nederlands Literair Produktie- en Vertalingenfonds morgen organiseert over het thema 'De functie en toekomst van literaire tijdschriften'. Sprekers als Piet Calis, Hugo Verdaasdonk, Jaap Goedegebuure, Thomas Lieske, uitgever Bert de Groot en Hugo Brandt Corstius buigen zich hier over kwesties als 'De ontwikkeling van het literaire tijdschrift na 1945', 'Lezers van literaire tijdschriften', 'De plaats van het literaire tijdschrift tussen de media' en 'De toekomst van literaire tijdschriften'. Ongewild klinkt dat alles bij voorbaat al een beetje als een requiem.

Een deel van de neergang is gemakkelijk verklaard: de functie van de tijdschriften als literaire barometer en opinie-forum is deels overgenomen door de dag- en weekbladen. Jonge schrijvers zoeken als publikatiemedium eerder goedbetalende glansbladen als Elle, Avenue of Cosmopolitan dan bijna vergeten tijdschriften. En bovendien is het literaire leven in Nederland zodanig veranderd dat niemand meer behoefte heeft aan spreekbuizen voor stromingen, richtingen of letterkundige levensvisies - zo die er al zijn.

Tellen

De cijfers spreken boekdelen: een derde van de Nederlandstalige literaire tijdschriften heeft een oplage beneden de 500 exemplaren, mits ze erg hun best doen met tellen; ook gevestigde bladen als De Gids, Maatstaf, Tirade, Hollands Maandblad en Revisor, met een officiële oplage van tussen de 1200 en omstreeks 2000 exemplaren, kampen met een fors krimpend abonnementenbestand; de losse verkoop van veel tijdschriften is al helemaal weinig opbeurend, en wordt steeds minder opbeurend; de aandacht in de media is bijna non-existent; en vrijwel alle bladen hebben een sterk vergrijzende lezerskring omdat jongeren niet meer lezen, en zeker geen literaire tijdschriften (afgezien van magazines als Bzzlletin, dat met schrijversportretten al 23 jaargangen ook scholieren als doelgroep aanspreekt). De meeste bladen zijn voor hun voortbestaan volstrekt afhankelijk van overheidsgelden en de welwillendheid van uitgevers steeds grotere bedragen bij te passen. Die welwillendheid is niet eindeloos: onlangs besloot De Arbeiderspers het in 1952 opgerichte literaire maandblad Maatstaf volgend jaar nog slechts als kwartaalschrift uit te brengen.

Af en toe wil een gift nog wel enig soelaas bieden. Zo werd het jonge tijdschrijft MillenniuM verblijd met een deel van de hoofdprijs die iemand won in een televisieshow van Jos Brink. Maar de moedervoedster blijft de overheid. Sinds 1993 worden de subsidies voor literaire tijdschriften in Nederland verdeeld door het Literair Produktie- en Vertalingenfonds van het ministerie van WVC. Doel was om meer geld aan minder bladen uit te delen, vanuit het oogmerk de kwaliteit te verhogen en de wet van de literaire jungle haar reinigend werk te laten doen.

Of dat allemaal lukt is een tweede: meteen al bij de eerste selectieronde, waarbij De Gids, Optima, Lust & Gratie, Raster, Tirade en Literatuur de kwalificatie 'uitzonderlijk goed' (en dus het meeste geld) kregen, rees er twijfel. Lieten deze tijdschriften hun concurrenten nu echt ver achter zich; was het wel mogelijk zo'n selectie te maken; was het toeval dat er een lesbische hoogleraar in de selectiecommissie zat en een lesbisch tijdschrift bij de winnaars zat; was het toeval dat de directeur van het Produktiefonds voorheen redacteur was van een tijdschrift dat in de prijzen viel? Natuurlijk was dat toeval, maar toch zullen morgen de delegaties van de tijdschriften met het oog op de volgende selectieronde over twee jaar alvast lief en literair glimlachen voor het oog van het Produktiefonds dat over de centen gaat.

Subsidiestof

Zoveel is duidelijk: de literaire tijdschriften zitten in de problemen - financieel, existentieel en functioneel. De vraag of al die circa vijftig bladen moeten voortbestaan is gewettigd. De vraag of het Literair Produktiefonds dat moet uitmaken, al evenzeer. Het wordt steeds duidelijker dat het dichtberegelde subsidienetwerk in Nederland een mixed blessing is voor het culturele leven. Onvermijdelijk leidt subsidie vooral tot behoud van het bestaande en wordt vervanging door ongereguleerde, onverwachte en vitale impulsen steeds zeldzamer. Vandaar dat de avant-garde van 25 jaar geleden nu nog steeds financieel ondersteund wordt als avant-garde; vandaar dat Nederland op een provinciaals museum vol culturele fossielen gaat lijken waar alles roerloos vergrijst onder een laag subsidiestof.

Wie leest dat het afgelopen jaar enkele miljoenen guldens meer beschikbaar zijn gekomen voor schrijvers die van overheidswege worden gesubsidieerd, alsmede dat elk jaar bijna een miljoen wordt gedoneerd aan 'bijzondere journalistieke produkties', en dan in de boekwinkel op zoek gaat naar al het moois dat die gelden zouden hebben moeten opleveren, kan slechts in zenuwachtig gegiechel uitbarsten. Subsidies horen blijkbaar bij Nederland, zoals een akelige verstikkingsdood hoort bij zompige moerassen.

Het kernprobleem voor de literaire tijdschriften is echter veel interessanter dan bedelen om geld en gebrek aan lezers. Dat probleem is de banalisering van het geschreven woord. In Nederland wordt steeds minder gelezen, maar er komen (en gaan) in almaar sneller tempo des te meer boeken, boekjes en bundeltjes, die in steeds meer periodieken gesignaleerd, gevoorpubliceerd, besproken, gerecenseerd en met interviews begeleid worden. In die kakofonie is de grens tussen letterkunde en journalistiek, tussen schrijvers en stukjestikkers, tussen bohémien en burger, tussen mensen die leven om te schrijven en mensen die schrijven om te leven bijna geheel vervaagd. Het gedrukte woord is een gedemocratiseerd massaprodukt geworden dat minder kost en sneller slijt dan ooit.

De neergang van de literaire bladen en het succes van de boekenbijlages van dag- en weekbladen is daarbij onvermijdelijk. Zelfs de meest veeleisende literaire lezer kan niet meer buiten de laagdrempeligheid en de vluchtige consumeerbaarheid die de journalistiek eigen zijn. Dat de stukjestikker nu literatuurcriticus heet, de alom geïnterviewde debutant plots als befaamd auteur geldt, en iedereen met een stoppelbaard als kunstenaar, hoort bij de letterkundige inflatie waarmee wij ons allang hebben verzoend. Dat is helemaal niet iets om een 'morele depressie' van te krijgen, zoals Du Perron het noemde. Het biedt juist de mogelijkheid voor een nieuwe plaatsbepaling tegenover die gebohemiseerde massa.

Als literaire tijdschriften een toekomst hebben, ligt die in het contrast met de culturele lawaaioverlast van onze tijd. Als zij een taak hebben, is het te bewijzen dat de shit threshold, de kwaliteitsdrempel, altijd hoger kan dan de lezer denkt. Zonder zo'n militante houding is hun rol uitgespeeld.

Nederland zou overigens heel wel kunnen leven met minder literaire tijdschriften. Cyril Connolly hief zijn Horizon na tien jaar, op het hoogtepunt van zijn succes, gewoon op. Een blad leeft van nature even lang als een hond, vond hij. Hij had gelijk: een literair tijdschrift heeft alleen bestaansrecht als het kan terugbijten.