Een mengsel van warmte en paniek; Twaalf schrijvers over hun joodse achtergrond

Jessica Durlacher (red.): De olifant & het joodse probleem. Uitg. Arena, 176 blz. Prijs ƒ 36,90

De mop die verantwoordelijk is voor de meest curieuze boektitel van dit voorjaar, komt kort gezegd hier op neer: Fransen zullen in een boek over olifanten vooral het liefdesleven van deze kolossen behandelen, Duitsers zullen er op uit zijn hun geschiedenis te beschrijven vanaf de prehistorie tot nu, maar joden zullen hun boek 'De olifant en het joodse probleem' noemen. Geef een joodse schrijver een willekeurig onderwerp op, zo is de gedachte, en hij haalt er onmiddellijk het joodse vraagstuk bij.

Het ironische is natuurlijk dat dit verschijnsel geïllustreerd wordt door de twaalf min of meer joodse schrijvers die aan de bundel De olifant en het joodse probleem hebben meegewerkt. In de bundel zijn verhalen en essays bijeengebracht van naoorlogse schrijvers met een joodse achtergrond, en het eerste dat aan hun bijdragen opvalt is, inderdaad, dat ze bijna altijd op het joodse vraagstuk uitkomen. Wat zijn joden? Hoe voelt het jood te zijn? En hoe reageert de omgeving daarop? Rogi Wieg: “Het is geen verhaal dat ik doorvertel en dat mij werd doorverteld. Het is de manier waarop je hart klopt. / Een mengsel tussen warmte en paniek.”

Nu zijn de toespelingen op het joodse van de verschillende schrijvers niet zo vreemd als het lijkt. Jessica Durlacher, de samenstelster van de bundel en de dochter van de bekende joodse schrijver G. Durlacher, had in haar uitnodiging nadrukkelijk gevraagd om bijdragen over het joodse verleden of over de betekenis daarvan voor het werk. Ook haar keuze van de medewerkers was niet helemaal toevallig. Met uitzondering van Mirjam Rotenstreich die in dit boek literair debuteert, had iedereen al eens eerder in autobiografische zin over zijn of haar joodse achtergrond geschreven. Dat de genodigden met de opdracht raad zouden weten, en zich niet gekwetst zouden afwenden, stond vantevoren vast. De enige die zich de mop van de olifant dan ook zou kunnen aantrekken is Jessica Durlacher zelf. Laat een critica met een joodse achtergrond een literaire bloemlezing samenstellen, zo zou je de titel kwaadaardig kunnen interpreteren, en er wordt een groepje joden uitgenodigd die over het joodse vraagstuk moeten schrijven.

Hoe dan ook, het boek dat nu is verschenen is niet van belang ontbloot. Niet alle bijdragen zijn even fraai verwoord - wat bijna onvermijdelijk is wanneer er niet alleen op kwaliteit wordt geselecteerd - maar samen geven ze wel een goede indruk van wat er op dit moment in een deel van de na-oorlogse generatie speelt. Jonge schrijvers met een joodse achtergrond zijn de laatste jaren onmiskenbaar vaker over die achtergrond gaan schrijven, maar hun produkten waren tot nu toe nooit bij elkaar gezet.

Gêne

In de voornamelijk autobiografische bijdragen aan de bundel valt op dat de meesten een vergelijkbare ontwikkeling hebben doorgemaakt. Velen begonnen met een jeugd in volledige assimilatie, gekenmerkt vaak door een soort gêne, waarna men zich steeds sterker bewust werd van een onbekend, beladen voorland. Ten slotte volgde dan, na de nodige worstelingen en ontkenningen, een soort berusting. In veel verhalen gaan de schrijvers, al dan niet verhuld, op latere leeftijd toch op zoek naar hun voorgeschiedenis.

Het bekendste voorbeeld van dit patroon is Leon de Winter, die in de bundel zijn voor een groot deel al uit interviews bekende ontwikkeling beschrijft tot wat we nu wel een joods schrijver mogen noemen. Andere bekende namen in de bundel zijn Wanda Reisel, L.H. Wiener, Marcel Möring en, een ontdekking voor mij, Jessica Durlacher zelf.

Minder goed in het hier geschetste patroon passen de Vlaming Eriek Verpale, schrijver van Alles in het klein, en Arnon Grunberg, van het vorige maand verschenen Blauwe Maandagen. Deze twee auteurs, die onderling een grote verwantschap vertonen, schrijven aanmerkelijk grilliger over het opgegeven thema. In het verhaal van Grunberg interviewt de zoon van een gevluchte Wehrmachtsoldaat die misschien iets joods heeft een oude alcoholist die beweert een Oostenrijkse moeder te hebben gehad. De dialoog van het tweetal weerpspiegelt op een wonderlijke manier de vele complicaties van het al dan niet joods zijn.

In een in de bundel opgenomen verdediging van zijn verhaal tegenover de samenstelster van het boek laat Grunberg merken dat hij er weinig voor voelt om zomaar van bovenaf een joodse thematiek opgelegd te krijgen. Anders dan Durlacher misschien denkt, heeft hij niet het gevoel zijn 'identiteit' aan de oorlog te moeten ontlenen. “Ik heb nooit veel nagedacht over identiteit, net zomin als je nadenkt over wat je nu precies doet wanneert je loopt.”

Op het eerste gezicht lijkt er voor deze houding veel te zeggen. Waarom moet een verhaal van iemand met joodse voorouders per se een joods thema hebben? Maar, zou Durlacher kunnen antwoorden, waarom doet Grunberg dan aan de bundel mee? Ze heeft toch zeker geen mensen geselecteerd, alleen op grond van hun voorouders. Grunberg is uitgekozen omdat zijn werk volgens haar bepaalde kenmerken heeft en hij heeft die uitnodiging aanvaard.

Grunberg zal misschien zeggen dat die kenmerken van zijn proza volslagen toeval zijn. Wellicht schrijft hij alleen maar over joden omdat zijn familie nu eenmaal joods is. Maar het aardige van de bundel is dat de meeste stukken laten zien dat dit minder eenvoudig is dan het lijkt. De schrijvers die ouder zijn dan Grunberg (hij is met zijn 22 jaar verreweg de jongste van de twaalf) hebben juist ervaren dat zijn laconieke houding na verloop van tijd meestal overgaat. Wie en wat je ouders zijn, kun je toeval noemen - wat dat voor gevolgen voor je heeft, is dat niet.