De schilderijenfabriek van een Duitse schilder; Maak uw eigen Cranach

Bijna iedereen die door Lucas Cranach geportretteerd werd, heeft een afgeplat hoofd en bijna iedereen - van Maarten Luther tot Venus - loenst. Toeval? Technische onhandigheid van de schilder? Of het gevolg van zijn werkwijze? De expositie over Cranach in zijn geboortestad Kronach geeft uitsluitsel.

Lucas Cranach. Ein Maler-Unternehmer aus Franken. Festung Rosenberg, Kronach. T/m 20 aug. Catalogus 400 blz. Prijs ƒ 33,60.

“Hierbij bevestig ik onze opdracht van zestig identieke portretten van onze geliefde vorsten en wel binnen de afgesproken tijd en volgens de eerder overeengekomen voorwaarden.” Zo ongeveer moet de opdracht door het Saksische hertogelijk hof hebben geluid die in 1533 werd geplaatst bij het schildersatelier van Lucas Cranach te Wittenberg. Zestig portretten, dat is in ons tijdperk van reproduceerbaarheid een kleinigheid. Drukkers en fotografen kunnen er desgewenst honderdduizenden leveren. En zelfs in de tijd van Lucas Cranach was het niet zo bijzonder zolang het maar om prenten handelde, om gravures of houtsneden. Maar bij deze opdracht ging het om schilderijen, die stuk voor stuk met de hand moesten worden vervaardigd, een tijdrovend en kostbaar procédé. Maar Cranach - en dat is het bijzondere - kon zo'n opdracht aan. Van deze schilder zijn op het ogenblik dan ook nog duizend schilderijen bekend (tien maal zo veel als van zijn tijdgenoot Dürer), maar de experts schatten dat dit een vierde of een vijfde is van zijn totale produktie uit een periode van een halve eeuw.

Er is dan ook geen kunstmuseum waar op de afdeling Duitse Renaissance niet een schilderij van Cranach hangt. Ze zijn snel herkenbaar omdat hij maar een paar vaste thema's had en ook omdat ze in kleur en stijl een typisch karakter hebben. Cranach produceerde nimfen bij een bron, Adam en Eva, Maria met kind en Venus al dan niet vergezeld van Cupido. Ook zijn er veel jachtscènes overgebleven en natuurlijk portretten: stevige Duitse mannenkoppen, of ingetogen vrouwengezichten tegen een egale, doorgaans groene achtergrond. Dat zijn de portretten van de Saksische hertogen, van humanisten en reformatoren, in de eerste plaats van Cranachs vriend Maarten Luther. Eerder regel dan uitzondering bij Cranachwerken is dat de anatomie van de naakten op de mythologische en bijbelse voorstellingen onhandig is. En bovendien dat de modellering van het hoofd doorgaans slecht is gelukt. De schilder is er dan niet in geslaagd om het hoofd op een overtuigende wijze, schuin van voren gezien, neer te zetten. Of het nu man of vrouw is, het is alsof het hoofd is afgeplat: kort maar doeltreffend in een schroefbank gezet, waarna de oorspronkelijke bolvorm in de richting van een scheve kubus is verwrongen. Daarbinnen staan dan weer twee scheve elliptische ogen die een loenzend of in het gunstigste geval een listig effect hebben. Dat kan natuurlijk de bedoeling zijn geweest, maar als zowel de hertogen van Saksen en hun eega's, als Maria, Venus en Maarten Luther zo kijken, dan wordt dat toch minder geloofwaardig.

Is deze schevigheid nu een bewust en destijds geliefd stijlkenmerk of betreft het een hardnekkige vergissing van de schilder, een technische onhandigheid? Het antwoord op deze vragen wordt impliciet gegeven op de tentoonstelling Lucas Cranach, ein Maler-Unternehmer aus Franken in een ongenaakbare vesting hoog boven het stadje Kronach, ongeveer dertig kilometer ten noorden van Bayreuth. In Kronach werd de schilder omstreeks 1472 geboren.

Zoals de ondertitel al doet vermoeden is dit niet een monografische tentoonstelling met louter hoogtepunten uit het oeuvre. Dan had er wel 'een meester uit Frankenland' gestaan of 'de tovenaar uit Kronach'. Nee, deze geslaagde tentoonstelling laat Cranach zien in zijn maatschappelijk en artistiek milieu en toont bovendien hoe hij schilderde en hoe zijn omvangrijke atelier functioneerde. Men krijgt een inleiding op de historische situatie van het stadje Kronach, op het schildersvak, en op de schilders die in Cranachs jonge jaren werkzaam waren. Voor het kennisnemen van deze artistieke achtergrond is het ook nuttig om de zogenaamde Frankische Galerie in deze zelfde vesting te bekijken. Daar staat sculptuur en daar hangen schilderijen uit de late Middeleeuwen uit deze streek. Aan het eind van de tentoonstelling krijgt men nog inzicht in Cranachs manier van schilderen zoals die met behulp van natuurwetenschappelijke onderzoeksmethoden gereconstrueerd is.

Martelaren

Lucas Cranach werd in 1472 geboren als zoon van de schilder Hans Maler. Van de vader is geen werk bekend, maar van hem moet de jonge Lucas het ambacht hebben geleerd. Er zijn maar weinig van zijn vroege werken bewaard gebleven. Het zijn altaarstukken met aangrijpende voorstellingen van de kruisiging, van heiligen, van martelaren. Cranach voerde de personages uit in heldere bonte kleuren en hield de achtergronden donker en geheimzinnig. Het vroegst bekende werk bijvoorbeeld is een kruisiging waarvan door de plastische wijze waarop de drie veroordeelden aan hun kruisen kronkelen een grote beklemming uitgaat. De wrede voorstelling contrasteert met de verslagen aardse personages op de voorgrond.

Cranach moet een behoorlijke vermaardheid hebben verkregen. Tussen 1501 en 1505 werkte hij als hofschilder voor keizer Maximiliaan in Wenen. In 1505 benoemde Frederik de Wijze, keurvorst van Saksen, hem tot hofschilder. Cranach vestigde zich in de residentiestad Wittenberg, die in deze jaren uitgroeide tot een cultureel centrum en waar ook een universiteit werd gesticht.

In Wittenberg ging het Cranach voor de wind. Uit documenten blijkt dat hij een gestaag groeiend atelier bestierde, met vijf, acht en zelf tien assistenten, waarbij dan ook nog leerlingen geteld moeten worden. Maar hij was ook de eigenaar van een apotheek, een drukkerij, een uitgeverij en een wijnschenkerij. Hij bezat land en huizen en hij genoot fiscale, commerciële en juridische privileges. Zijn salaris als hofschilder was even hoog als dat van een hoogleraar aan de universiteit; de kleding van hemzelf en zijn medewerkers werden door het hof betaald en zijn paard kreeg gratis te eten. Zodoende steeg Cranach door zijn hoffunctie, zijn inkomsten, zijn contacten met de geleerde humanistische wereld van Zuid-Duitsland snel op de maatschappelijke ladder. De hertog verhief hem in de adelstand en hij werd stadsraad en burgemeester van Wittenberg.

Het jaar van Cranachs vertrek naar Wittenberg, 1505, is niet alleen in zijn persoonlijke leven, maar ook in zijn artistieke carrière een cesuur. Het begon opdrachten te regenen. Van het hof en van de kringen rondom het hof, van theologen, juristen, van hoogleraren aan de universiteit en van welgestelde burgers tot ver buiten Saksen.

De hofopdrachten waren veelzijdig: portretten, maar ook vergankelijke produkten als vaandels, erepoorten, feestversieringen, theaterdecors en schilderingen voor de vele hertogelijke verblijven. Cranachs repertoire veranderde aanzienlijk. Zijn beschermheer Frederik de Wijze van Saksen was een van de voorvechters van het protestantisme en ook Cranach werd Lutheraan. (Luther was sinds 1508 hoogleraar in Wittenberg, en in 1517 spijkerde hij zijn negentig stellingen aan de deur van de slotkapel aldaar). Niet langer werden van Cranach altaarstukken en voorstellingen die de heiligenverering dienden verlangd, veel meer moesten zijn beelden nu beleren. Hij legde zich toe op portretten van deugdzaam uitgebeelde personen, op mythologische voorstellingen met een moraal en op jachtscènes. Voor al deze thema's ontwikkelde hij een compositieschema waarop eindeloos kon worden gevarieerd.

Monopolie

Cranach werd na Dürer de bekendste schilder van Duitsland. Zeker na 1530, toen niet alleen Dürer was overleden, maar ook andere beroemde Duitse schilders als Burgkmaier en Grünewald, verwierf hij een monopoliepositie. Wie iets moois wenste had zich maar tot hem te wenden en het werd geleverd. Wanneer we bedenken dat Cranach daarnaast ook nog eens zijn apotheek en drukkerij moest runnen, dat hij op reis ging met zijn vorst, dat hij een gezin had, dan kan men zich voorstellen dat die produktie van enkele duizenden werken nooit op zijn naam alleen kan staan. Dat zo vele replica's in omloop waren en dat hij assistenten had was wel bekend, maar deze tentoonstelling en de catalogus maken duidelijk hoe dat atelier functioneerde.

Lucas Cranach was de eerste Noordeuropese schilder die zo rationeel op zo'n grote schaal een schilderijenbedrijf leidde. Hij was een bekwaam, rationeel manager en bleef dat tot hij in 1550 zijn atelier overdroeg aan zijn zoon. Een sleutel tot dit succes moet zijn geweest dat Cranach zich gespecialiseerd had in een beperkt herkenbaar, maar uiterst populair repertoire waarop binnen marges gevarieerd kon worden. Vooral de Lutherportretten hebben een onvoorstelbaar grote verspreiding gehad. Cranach heeft twee oerversies geschilderd. De eerste geeft Luther weer als een nors kijkende jongeman met ongeschoren kaken en warrige haren, een angry young man die de wereld wel eens zou veranderen en daar, zoals bekend, ook in geslaagd is. Op het tweede portret is hij ouder, pafferiger, zelfvoldaner. Beide portretten, die alleen al als schilderij duizendvoudig zijn gekopieerd en die ook in prent vermenigvuldigd zijn, hebben een niet te onderschatten rol bij de verbreiding van de reformatie gespeeld. Deze portretten vormden de icoon van de reformatorische wereldvisie. De parallel met de portretten door Memling en Holbein van Erasmus, die ook zo verspreid zijn en ook voor een wereldvisie staan, dringt zich onvermijdelijk op.

De opdrachtgever die een bestelling bij de firma Cranach plaatste, kon niet alleen kiezen naar onderwerp, maar ook naar formaat. Bovendien kon hij zijn voorkeur uitspreken voor lichte variaties. Er bestonden prototypen die onderwerp en compositie aangaven. Maar elk prototype was samengesteld uit onderdelen en daarin kon worden gevarieerd. Zo zijn er vrouwen-, mannen-, en babyhoofden, die men steeds ziet terugkeren als respectievelijk hoofden van Maria, Eva of een nimf, als de koppen van Adam of een soldaat en als de bolletjes van Jezus, Amor of een fladderende putto. Daarnaast moet het atelier hebben beschikt over een grote voorraad prenten en tekeningen van Cranach en van andere meesters. Dit was een beeldarchief van bomen, struiken, gevogelte en andere attributen die in verschillende composities konden worden toegepast. Er hangt op de tentoonstelling veel grafiek uit deze voorraad en ook enkele van de schaarse tekeningen die van Cranach bewaard zijn gebleven, zoals die van dood gevogelte. Ook hangen er geschilderde variaties op eenzelfde thema waardoor heel goed te zien is hoe kleine wijzigingen binnen een prototype heel verschillende resultaten opleverden. Het was dus niet zozeer een procédé van kopiëren als wel van handig variëren. De bezoeker van de tentoonstelling kan dat proces ook zelf uitvoeren; er hangt een magnetisch bord met daarop een foto van een Cranach-compositie. Met in ijzer uitgezaagde compositieonderdelen kan men daar zijn eigen Cranach fabriceren.

Firmastempel

Het is niet gemakkelijk om de eigenhandigheid vast te stellen van de werken uit de Cranach-school. Cranachs signatuur alleen zegt niets, dat was niet meer dan een firmastempel. Pas door intensief vergelijken van de ondertekening en van de wijze waarop huidkleur, neus, ogen en haren zijn weergegeven kan men 'stijlgroepen' binnen het atelier vaststellen. Alleen een specialist kan zien of een schilderij door Cranach zelf is geschilderd. Van nog lang niet alle panelen is de mate van authenticiteit bekend.

Bij de massaproduktie moet Cranach wel eens minder begaafde assistenten hebben aangesteld die de wetten van de compositie en de menselijke anatomie nog niet onder de knie hadden. Ik neem aan dat zij in hun haast en onervarendheid debet zijn geweest aan het grote kwaliteitsverschil, waardoor we zowel mislukte als geslaagde koppen uit de Cranach-stal kennen. Echte grote schilders waren er niet bij. Geen van hen heeft naam gemaakt. Maar zonder hen zou de grote verspreiding in Europa onmogelijk zijn geweest.

Zoals gezegd is dit niet een tentoonstelling van louter hoogtepunten voor de esthetische fijnproever. Het is meer. Het is een tentoonstelling die veel zegt over een kunsthistorische benadering met een grote belangstelling voor de praktijk van het schilderen, voor de organisatie van het atelier en voor de techniek van de meester en zijn assistenten. De samensteller is dan ook de Münchense kunsthistoricus Claus Grimm, die enige jaren geleden Frans Hals' oeuvre door de mangel haalde en zuiverde, louter uitgaande van de schildertechniek. Ook het oeuvre van Rembrandt wordt nu op deze wijze onder handen genomen. De titel van de tentoonstelling doet denken aan het boek Rembrandt's Enterprise, The Studio and the Market van de Amerikaanse kunsthistorica Svetlana Alpers. In zekere zin werkt deze praktijk ontnuchterend. Alle noties van de eenzaam scheppende kunstenaar, de visionaire schilder, vallen in duigen. Dat romantische beeld maakt plaats voor dat van een hardwerkende ondernemer in een alledaags bedrijf. Gelukkig vergeet je dat op slag bij het bekijken van een echt mooi schilderij.