De omgeving

Vijf uur lopen en je komt niemand tegen, nou ja, twee kinderen, hun moeder en een stel geiten, de geur van geitekaas.

Zo nu en dan een asfaltweg, naar beide kanten leeg. Al was je blind, al was je doof, je zou behoorlijk veilig zijn.

De lucht is schoon. Dat voel je in je voorhoofd en je ziet het om je heen. Zodra het pad zich iets verheft, krijg je een haarscherp vergezicht. De zon schijnt zonder heiigheid.

Het ligt hier vol met meren, plassen, vijvertjes - het lijkt de kaart van Finland wel. Modder. Een lapje hei, een stil moeras, een eindje bos met haagbeuk, hakhout, schrale eikjes met het ragfijn schilderwerk van korstmos op de stam.

De rest is weiland, afgezet met heggen. Eind mei en vrijwel nergens is gemaaid. Slechts hier en daar een groepje koeien. Hun poten gaan in gras gekleed, wat een indruk maakt van netheid en fatsoen, de koe zoals het hoort.

De wolf, de otter en de ooievaar zijn uitgeroeid. Met donderslagen worden aalscholvers weggejaagd. Je stuit herhaaldelijk op borden met privé bezit, of dat de jacht er is verpacht. Je ontkomt nergens aan de aanblik van rood met wit geverfde masten, net of ze bezig zijn een enorme circustent op te zetten - het zenderpark van de Franse marine.

Maar voor zover ik weet heeft niemand om het paradijs gevraagd. Vijf uur lopen zonder ook maar één brandnetel. Is dat niet mooi genoeg?