De luchtgitaar

Is er buiten de aarde nog leven in het heelal? Net zoals bij alle andere Grote Vragen, is een antwoord ondenkbaar. Al was het alleen maar vanwege het feit dat ja of nee even verbijsterend zou zijn. Wat? Zijn wij dan de enigen? Aargh! Wat? Wij zijn niet alleen? Aaargh!

“Ach jongen, boven is hetzelfde als beneden,” antwoordde mijn moeder altijd wanneer ik haar er naar vroeg, waarmee ze onbedoeld - want eerder vanuit haar angst voor het onbekende dan vanuit mystiek benul - de echo werd van de hele hermetische traditie van Hermes Trismegistos via Raymundus Lullus en Paracelsus tot aan Jung en Mulisch. Het zou, kortom, allemaal met spiegels gedaan zijn, de constructie van het universum, als de truc van de zwevende dame in een revue of tv-show, en een beetje illusie doet de rest.

Al dat gepiep en geknars dat door die her en der als gigantische metalen oren op de ruimte gerichte radarschotels wordt opgevangen zou net zoiets zijn als de geluiden die je, als je flink verkouden bent, in je eigen kop hoort. Het zuchten en steunen van de sterren, in de rails van hun vaste baan, meer niet, een beetje ruis om de grote stilte te benadrukken. Zo zou ik er ook over denken als ik dag in dag uit onder een constante douche van wit TL met gespitste oren naast zo'n kosmische telefoon moest zitten en er werd nooit gebeld. Ik, echter, zit naast een hele andere foon en mij bereiken dag en nacht de meest vreemde berichten van planeten die, te oordelen naar de ontvangst, soms al lichtjaren geleden zijn opgeheven. Weinige echter zo vreemd en van zo ver als het nummer 'The Wind' van Nolan Strong & The Diablos uit 1954.

Het is wel degelijk een gitaar, die aan de hand van een traag slaapwandelende bas bij het begin je oorschelp binnen komt sluipen, maar hij klinkt vervormd door hoge koorts, hol en beverig - alsof iemand met zijn vinger over de rand van een aantal tot verschillende hoogte gevulde glazen wrijft. 'With Twilight Zone melodrama,' schrijft Dave Marsh (in zijn boek The Heart Of Rock 'n Soul) over dit intro, wellicht om aan te geven dat hier een deur op een kier wordt gezet naar het soort schimmige labyrint waarin een mens zichzelf onverwacht in meerdere, meestal minder geciviliseerde gedaantes kan tegenkomen - en terugkomen is niet simpel een kwestie van even met je vingers knippen.

'Wind...wind...blo-o-w, wind,' neuriën en zoemen de twee laagst kunnenden van de Diablos meer dan zij het zeggen of zingen, en blijven het koppig herhalen - als een koor van knotwilgen die met hun takken de lucht aftasten of er misschien ook ergens storm in zit. Maar de natuur staat hier zo goed als buiten. Dit is geen gezonde bries, die fietsers vleugels geeft en wangen doet blozen, of het soort storm dat het wisselen der seizoenen bespoedigt. Eerder is het de koele adem van de nacht zelf, zoals die door een autoraampje of draaideur naar binnen blaast, of de tocht die in de kamers van het hart langs de plint omhoog trekt. Het soort wind waarmee fantomen en engelen zich rusteloos van straathoek naar straathoek verplaatsen, op zoek naar een echo die, als in een spiegel van geluid, de contouren van hun oude sterfelijke gedaante kan weerkaatsen.

'Oeoeoeohoehoe...oeoeoe,' ook het geluid dat vervolgens bij bas en bariton aanschuift, is geen zingen, maar eerder een hoog en zacht en zuiver trillen, als het wapperen van minuscule donzen vleugeltjes in de palm van je hand. Het is de falset van Nolan Strong, toen net twintig en nog dertien jaar te gaan, die moed verzamelt om op de tekst neer te dalen. Wanneer hij de woorden eindelijk in de mond neemt, is het alsof hij bang is dat ze zich aan zijn tanden zullen verwonden, zo voorzichtig laat hij ze over zijn tong glijden, voor hij ze met tederheid van een kus als pluisjes van zijn lippen blaast. When the cool breeze, sends a chill down my spine/ When I long for my love's sweet caress/ I know she has gone but my love lingers on/ In a dream that the winds brings to me.

Wanneer na het tweede couplet de nachtelijke ontvangst zo slecht wordt dat de toch al slechts met de grootst mogelijke terughoudendheid begeleidende muziek zo goed als geheel wegvalt, wordt de stem van Strong zo zwak dat je 'm met gemak achter een plaatje uit een poesie-album kan plakken. Bloemen verwelken en schepen vergaan, dat is ook ongeveer de teneur van de tekst van zijn in ademnood geprevelde parlando, maar de wind die je, door het gat dat achter hem wordt opengehouden door de bas van The Diablos, tegemoet komt waaien, geeft zijn gepiep de spookachtige allure van een noodsignaal uit de ruimte. Maar het komt, zoals veel doowop, misschien wel de meest pure en tegelijk extreme vorm van popmuziek, van nog verder weg.

'O zijn begeerlijke, honingzoete lier/ verrukt nog steeds. Hij leeft - zijn stem/ klinkt vanaf hemelse kusten.' Zo staat het in 'O Mourn not for Nolan', een gedicht dat Devora Brown, de eigenaresse van Fortune, het kleine rhythm & blues-label uit Detroit waarvoor Nolan zong, over haar in 1977 op 33-jarige leeftijd overleden protégé schreef: 'Gebronsd door de lamp van God/ Zijn ogen als duiven - zijn huid/ verduisterd en prachtig/ Als de tenten van Cedar/ Als de gordijnen van Solomon.' Deze posthume ode aan Strong ('the great Adonais of song!') staat op de hoes van een verzamelelpee van The Diablos afgedrukt naast een foto van de dochter van het echtpaar Brown, die, zo blijkt uit het onderschrift, ook veel te jong in handen is gevallen van, zoals het gedicht zegt: '...de vernietiger -/ die naar ons wenkende Januskop, die rondschuimende/ verraderlijke wolk. Broeierig,/ leugenachtig, doorschijnend -/ En levensbedreigend.'

Voor wie nog aarzelt om in deze beelden, behalve de Grote Gemaskerde Gelijkmaker zelf, ook de door Nolan Strong bezongen Wind te herkennen - die in onze dromen tussen het hoge en lage drukgebied van leven en dood heen en weer waait met berichten uit het hiernamaals en zo de zeilen van het schip van onze eigen dood doet bollen - is er altijd nog het slotakkoord. I know she has gone but my love lingers on/ In a dream that the winds bring to me. Hem, haar, jou, mij, iedereen. Oeoeoeoe, hoehoehoehoe, hoeoeoeoeo..waaaaah.