De brieven en de bibliotheek van Graham Greene; In plaats van memoires

De Engelse schrijver Graham Greene ontving bijna 180 brieven per maand, van uiteenlopende correspondenten als de Tsjechische president Havel en de Russische astronaut Gretsjko. De brieven van en aan Greene, die in 1991 overleed, zullen nu worden verkocht, evenals de boeken die hij verzamelde en die vrijwel alle sporen van zijn aandacht bevatten. “Alleen al aan de hand van de strepen in de kantlijn kun je een bloemlezing samenstellen over zijn opvattingen.”

Dit rendez-vous had Graham Greene zelf kunnen bedenken voor een van zijn spionageromans. Nauwgezet volg ik de instructies die mij door de industriële negorij ten zuiden van de Thames moeten loodsen, onder viaducten door, langs hekken en grommende honden. Hier ergens in een loods ligt Greene's dierbare collectie boeken opgeslagen, in afwachting van de verkoop.

Wat moet ik me voorstellen bij de privé-lectuur van een van de grootste Engelse schrijvers van deze eeuw? Literatuur natuurlijk, maar ook veel theologie - Greene (1904-1991) bekeerde zich in 1926 tot het katholicisme - of spannende verhalen over spionage? Hij was tenslotte jarenlang medewerker van MI6, schreef graag spionageromans en hield contact met meesterspion Kim Philby nadat die naar Moskou was overgeplaatst.

In de keet bij de slagbomen staat Nicholas Dennys (43), neef van de schrijver en zelf handelaar in antiquarische en zeldzame boeken en eigenaar van een winkel aan de Londense Gloucester Road. Voordat zijn oom in 1991 overleed, gaf die hem de bibliotheek van ruim drieduizend boeken en zijn archief, een verzameling van zo'n 50.000 documenten en brieven, met het verzoek ze te verkopen. Met de opbrengst, die op minstens een miljoen pond wordt geschat, wordt de verzorging betaald van Greene's zuster Elizabeth Dennys (80), die na een beroerte in 1989 invalide werd. “Mijn moeder en Graham hadden altijd een goede band,” zegt Dennys, “en dat is zo gebleven nadat hij in 1966 naar het Zuidfranse Antibes verhuisde. Zij heeft bovendien 25 jaar lang zijn correspondentie verzorgd.”

De archieven liggen voorlopig bij Bloomsbury Book Auctions, die bij de verkoop als bemiddelaar optreedt. Bibliotheek en archief worden niet openbaar geveild, maar per private treaty sale op discrete wijze verkocht. Tot half juni kunnen potentiële kopers op afspraak deze schatkamers voor literatuurvorsers komen bekijken. Het is niet de bedoeling dat bekend wordt wie de gegadigden zijn, maar van sommige instellingen mag belangstelling worden verwacht, bijvoorbeeld de British Library en Amerikaanse universiteiten in Austin, Texas en Georgetown, Washington DC, die al manuscripten van Greene bezitten en diens correspondentie met collega-schrijver en vriend Evelyn Waugh. Er zijn ook particulieren geïnteresseerd, maar namen worden niet genoemd. Volgens Nick Dennys is het bedoeling de verkoop in augustus af te ronden.

Hij gaat mij voor door de gangen van de loods, die met hun witte muren en grijze deuren verontrustend veel weg hebben van een gevangenis. De bibliotheek is in een cel geperst van een paar vierkante meter, uiteraard zonder ramen en met één neonstrip verlicht. Het is een vreemde gedachte dat het tastbare residu van een lang leven van denken, schrijven en lezen in zo'n kleine ruimte te vangen is.

Dennys kent de collectie als zijn broekzak: “Voordat mijn oom overleed ben ik zeven of acht keer bij hem in Antibes geweest om steeds een deel van de bibliotheek op te halen. Dan pakte hij iets uit de kast en vertelde over zijn herinneringen aan het boek of aan de auteur.” Daarnaast heeft Dennys de afgelopen twee jaar veel tijd besteed aan het catalogiseren van de bibiotheek. De catalogus is een kloek document van 320 bladzijden, met uitvoerige en vaak ook geestige beschrijvingen van zowel de boeken als de annotaties, de opdrachten, en hun betekenis voor de eigenaar.

Bordeelbezoek

De bibliotheek bestaat voor driekwart uit literatuur - waaronder alleen al 62 boeken van of over een van Greene's grote voorbeelden, Henry James - en voor de rest uit boeken over reizen, religie, politiek en geschiedenis. Een enkele frivole toevoeging is er ook, zoals de 'guide to pleasure' Pretty Women of Paris uit 1883, waarbij ingestoken een vergelijkbare Ladies Directory uit de jaren vijftig. Greene maakte er geen geheim van dat hij een toegewijde bordeelbezoeker was.

Van de drieduizend boeken kreeg Greene er ongeveer vijfhonderd cadeau van de schrijvers, vaak met ontroerende opdrachten. Dennys laat het exemplaar van Lolita zien waarin Nabokov Greene bedankt voor zijn onvoorwaardelijke steun: “To Graham Greene, whose courageous support of this book will always be gratefully remembered by Vladimir Nabokov, Nov. 2, 1959.” In zijn eerste roman Swami and Friends (1935) schreef de Indiase romancier R.K. Narayan: “But for you 'Swami' should have been in the bottom of the Thames now.” Reisschrijver Redmond O'Hanlon stuurde in 1988 de inmiddels 84-jarige meester een exemplaar van In Trouble Again met een uitnodiging hem in de Zuidamerikaanse jungle te komen opzoeken.

Het meest curieuze geschenk is zonder twijfel een totaal versleten, met plakband bij elkaar gehouden herdruk van Greene's eigen Our Man in Havana, in 1985 aan de auteur geschonken door de Russische astronaut en latere maarschalk B.I. Gretsjko. “I've been re-reading it all my life, both on Earth and in space,” schrijft de Rus. “I've learnt it by heart. While in Havana, I specially visited all the places described here. This is the most valuable thing of mine and I give it back to you with gratitude.”

Isherwood

Greene gebruikte zijn bibliotheek als een informeel archief: hij stopte in de boeken recensies, knipsels en onderdelen van zijn eigen getypte manuscripten. Er zitten ook ongeveer 150 brieven tussen, waaronder een kaartje dat Christopher Isherwood hem in 1935 uit de Emmastraat in Amsterdam stuurde, en zelfs een schildering door ene Sanford Kossin van een man met regenjas en sigaret tussen de Big Ben en het Rode Plein, vermoedelijk een voorstel voor de stofomslag van The Human Factor.

Dennys pakt Greene's eigen boek van de plank over de Panamese dictator Torrijos, Getting to Know the General, en er valt een klein museo sentimental open: twee Amerikaanse kranteartikelen, foto's van de Panamese vriend die model stond voor de hoofdpersoon, en zelfs acht postzegels uit een serie 'Hommage aan General Omar Torrijos Herrera'.

Als Greene niet op reis was, at hij thuis in Antibes elke dag in hetzelfde restaurant, Chez Felix, en nam het boek mee dat hij op dat moment aan het lezen was. Volgens zijn neef bevat negentig procent van zijn boeken sporen van Greene's aandacht. “Alleen al aan de hand van de ongeveer 35.000 strepen in de kantlijn zou je bijna een bloemlezing kunnen samenstellen over zijn bronnen, inspiraties en opvattingen. Een rechte streep betekende instemming, een kronkelende lijn was een teken van afkeuring.” Achterin legde hij vaak uitgebreide indexen aan van paginanummers met bijbehorend commentaar, of noteerde hij opzetjes voor een nieuw verhaal. Hij kon genadeloos zijn: in een boek over Mata Hari schreef hij prominent op het schutblad “Gave up after two pages!”, en in navolging van zijn vader de schoolmeester gaf hij sommige boeken een cijfer.

Al zijn ingevingen noteerde hij, niet alleen over het boek zelf maar ook over zijn eigen werk of flarden van het gesprek aan een belendende tafel. In South Wind van zijn vriend Norman Douglas maakte hij bijvoorbeeld notities voor een verfilming ervan. De dertien delen van de verzamelde verhalen van Tsjechov spannen de kroon. Zij bevatten tezamen 1400 woorden van wat later The Comedians zou worden, aantekeningen voor een toneelstuk, voor zijn autobiografie en voor een andere roman, The Human Factor - plus natuurlijk samenvattingen van Tsjechovs verhalen.

Schoenspanners

In de achterkamer op de bovenverdieping van Bloomsbury Book Auctions is er nog net een paadje vrij tussen een klaptafeltje en de mappen, dozen, ordners en kisten waarin de ruim 50.000 documenten van Graham Greene's archief liggen opgeslagen. De meeste dateren van na de oorlog, maar er zijn ook wat juvenilia: proza en gedichten uit de jaren twintig bijvoorbeeld, en twee delen van de School House Gazette, een tijdschrift van het gezin Greene waar iedereen verhalen, gedichten en tekeningen aan bijdroeg. In een aparte doos liggen zijn paspoorten, niet alleen Britse maar ook een 'speciaal' Panamees paspoort. De doos Miscellaneous: personal bevat onder andere een curieuze lijst met huisraad die hij bij zijn verhuizing naar Frankrijk meenam: “667 boeken, 46 grammofoonplaten, 1 ronde metalen prullenbak, 1 grote houten slabak en zes paar metalen schoenspanners.”

Samen met zijn zuster Elizabeth bewaarde hij alle recensies van zijn boeken, de teksten van honderden interviews met kranten, bladen, radio, tv en documentaires. Er zijn fotoalbums en kopieën van zijn manuscripten, vaak met zijn eigen correcties. Sommige boektitels hebben verschillende mappen: voor het boek, het toneelstuk, de film, tv-versies, recensies, interviews, de onderhandelingen over de rechten.

Het grootste deel van het archief bestaat uit brieven. Greene kreeg enorme hoeveelheden post, naar zijn eigen schatting (lees: verzuchting) ongeveer 180 brieven per maand, van familie, vrienden - onder wie vele beroemdheden uit de wereld van film en literatuur -, zijn uitgevers en agenten, critici, politici en gewone lezers die hem om raad vroegen of hun bewondering wilden uitspreken. Normaliter dicteerde hij zijn, meestal korte, antwoorden en stuurde meerdere malen per week de bandjes, samen met de brieven die daarop werden afgehandeld, naar zijn zuster Elizabeth in Engeland, en, nadat zij in 1989 ziek was geworden, naar haar dochter Amanda. Van alles werd een doorslag bewaard op kleine gele of blauwe vellen. Als het niet anders kon tikte hij het antwoord zelf, en dat is meteen te zien: zijn bejaarde tikmachine had de hoofdletters niet meer onder controle en koddig steken ze ver boven de regel uit.

Vietnam

Waar te beginnen? Hoeveel documenten kan een mens lezen in de viereneenhalf uur die mij zijn toebedeeld voordat ik plaats moet maken voor een potentiële koper? Om maar niet te spreken van de schroom om in privé-papieren te snuffelen van een beroemde onbekende. Greene heeft weliswaar over zijn eigen leven geschreven, in de twee beknopte delen A Sort of Life (1971) en Ways of Escape (1980), maar eigenlijk heeft hij zijn roem alleen gebruikt in politieke kwesties.

Dan maar als eerste de map gepakt met de oproep die Greene in december 1967 richtte aan een aantal kunstenaars die net als hij erelid waren van de American Academy of Arts and Letters, onder wie Pierre Boulez, Marc Chagall, Olivier Messiaen, Joan Miró en Alberto Moravia. Greene, die de Amerikaanse belangstelling voor Vietnam al in The Quiet American had onderzocht, keerde zich tegen de oorlog daar en riep hen op gezamenlijk hun lidmaatschap als protest neer te leggen. Tot zijn evidente teleurstelling zeiden sommigen nee, zoals Isaiah Berlin; Henry Moore zou meedoen 'als er voldoende steun is'; de enige twee die direct hun medewerking toezegden, Herbert Read en Bertrand Russell, overleden voordat het tot daden kwam. In een bittere brief uit 1970 zegt Greene zelf zijn lidmaatschap op: “I have tried to put myself in the position of a foreign honorary member of a German Academy of Arts and Letters at the time when Hitler was democratically elected Chancellor.”

Greene heeft zich altijd hevig geïnteresseerd voor politiek. Hij onderhield contacten met politici, bijvoorbeeld met Mitterrand, die hem keurig met blauwe vulpen geschreven kaarten stuurde, en met Vaclav Havel. Begin 1990 stuurde Havel hem een fax - hoe zullen de nieuwe eigenaren die voor verval behoeden? - waarin hij de zieke schrijver beterschap wenst en als P.S. toevoegt: “Excuse my stupid English. I have had no time to learn - and especially now I am very busy. (To be a president isn't a gut job - if you have to destroy the totalitarian system during some weeks).”

Tegen het eind van zijn leven zei Greene dat de politiek hem meer bezig hield dan het schrijven, vooral in streken als Indochina (waar The Quiet American zich afspeelt) en Latijns-Amerika (Mexico: The Power and the Glory, The Lawless Roads, Panama: Getting to Know the General, Argentinië: The Honorary Consul, Paraguay: Travels with My Aunt). “In die landen betekende de politiek zelden een eenvoudige wisseling van de rivaliserende politieke partijen,” schreef hij, “maar is die een zaak geweest van leven en dood.”

Zijn leven lang heeft Greene blijk gegeven van engagement en sympathie voor de naar vrijheid strevende partij, of dat nu de Sandinisten waren in Nicaragua, Russische schrijvers die in de Sovjet-Unie onder de censuur leden of Nabokov, aan wiens Lolita geen Engelse uitgever midden jaren vijftig de vingers durfde te branden. Greene lokte een politiek-literaire rel uit door het boek in de Sunday Times uit te roepen tot een van de drie beste boeken van 1955. In de Lolita-map van het archief zit een brief van Nabokov op papier van de Amerikaanse Cornell University: “My poor Lolita is having a rough time. The pity is that if I had made her a boy, or a cow, or a bicycle, Philistines might never have flinched. On the other hand, amateurs (amateurs!) are disappointed with the tame turn my story takes in the second volume.”

Een van de persoonlijke vrienden met wie Greene decennia lang een zeer uitgebreide correspondentie onderhield was de journalist Bernard Diederich van Time Magazine. Diederich had hem veel geholpen bij zijn reizen door het Caraïbisch gebied, en ze schreven met elkaar over politiek, maar ook over privé-zaken. In 1973 schrijft Diederich vanuit Mexico dat hij genoten heeft van The Honorary Consul, maar dat de werkelijkheid de fictie erg dicht op de hielen zat: nog maar kort daarvoor was de honorair consul van de Mexicaanse stad Guadalajara door bewapende guerrilla's ontvoerd. “It was almost as if they had read your book and were following the script at times.”

Greene vertrouwt Diederich af en toe zijn dromen toe, waarin zich regelmatig gebeurtenissen voordoen die kort daarna ook in werkelijkheid plaatsvinden. “Dreams take their images from the future as well as from the past,” schreef hij vol overtuiging aan zijn vriend. Zijn laatste boek, het postuum verschenen A World of My Own, is een selectie uit een achthonderd bladzijden tellend dagboek over zijn dromen dat hij vanaf 1965 bijhield. Hij noemt legio voorbeelden: als kind had hij van de ondergang van de Titanic gedroomd de nacht voordat het gebeurde, en als volwassenen droomde hij dat Baby Doc Papa Doc op Haïti al had vervangen. Voor het eerst, en voor het laatst gunt hij de lezer een blik achter de muur die hij had opgetrokken rondom zijn meest particuliere gedachten - uit angst, zoals zijn geliefde Yvonne Cloetta in het voorwoord schrijft, dat “an intruder might destroy 'the pattern in the carpet'.”

Goed tehuis

Er is Nicholas Dennys veel aan gelegen de boeken en het archief bij elkaar te houden. Als dat niet kan, wil hij in ieder geval de bibliotheek als één geheel verkopen. “Het is bij mijn weten deze eeuw nog niet voorgekomen dat de volledige, geannoteerde bibliotheek van zo'n belangrijke literator als geheel op de markt komt. De boeken vormen samen een uniek cultureel erfgoed.” Het is dan ook niet ondenkbaar, zegt Dennys, dat het vinden van een goed 'tehuis', waar de hele collectie wordt bewaard en toegankelijk is voor onderzoekers, zou kunnen prevaleren boven het hoogste bod.

In een recent artikel in The New Yorker geeft Robert McCrum nog een reden voor het belang van het bijeenhouden van de boeken: “Bij gebrek aan een uitgebreider persoonlijk testament blijven zijn boeken over,” schrijft hij. “Op een typisch verbloemde, onvolledige en gecodeerde manier vertellen zij ons even veel over hun eigenaar en zijn uitzonderlijke genie - zijn nieuwsgierigheid, zijn vrijgevigheid, zijn liefde voor de literatuur, zijn artistieke en persoonlijke standvastigheid - als conventionele memoires. Greene heeft eens geschreven dat 'de romanschrijver het slachtoffer is van een passie', en zijn bibliotheek als geheel brengt zijn lezer dichter dan ooit tevoren bij inzicht in die passie.”