China's armen dempen de economische euforie

PEKING, 3 JUNI. De boulevard Jianguomenwai Dajic (Boulevard buiten de Poort van de Stichting van het Vaderland) is het meest cosmopolitische deel van Peking. Het illustreert anno 1994 - exact vijf jaar na de onderdrukking van het studentenverzet op het Plein van de Hemelse Vrede - tevens de scherpe sociale tegenstellingen in het economisch razendsnel groeiende China aan het einde van het Deng-tijdperk. Men vindt er vijfsterren-hotels voor goedbetaalde kapitalistische zakenlieden en herbergen voor (Russische) loshandelaren, de Friendship Store (het oudste socialistische warenhuis voor buitenlanders), een peperduur Japans warenhuis voor China's nieuwe rijken, ommuurde door soldaten bewaakte diplomatieke wooncomplexen en grauwe Chinese arbeiderswoningen, luxe fel verlichte restaurants en geïmproviseerde gaarkeukens waarbij Chinezen hun plastic bakjes staan leeg te slurpen.

Overdag zitten de mensen zij aan zij in twee rijen op het trottoir hun handelswaar aan te prijzen. Het is een krioelende bazaar, één grote dieven- en vlooienmarkt. Alle denkbare kitsch is te koop, Mao-souvenirs, snuisterijen, glazen, potten en pannen, zijde, schilderijen, nep-antiek, oude munten, fietsbellen, massage-ballen.

De meeste 'kooplieden' zijn arbeiders in staatsbedrijven die nog slechts part-time werken omdat er geen grondstoffen, energie of geld voor lonen meer is. Enkele keren moet men kringetjes wandelen om mismaakte bedelaars heen, maar dit voorjaar zijn er ook nog agressief bedelende kinderen bij gekomen. Zij worden gedirigeerd door haveloze boerinnen, die ze met name op buitenlanders afsturen. Zo'n kind van drie tot vijf jaar springt frontaal op je toe en als je niet uitwijkt moet je stoppen of het ondersteboven lopen. Het grijpt je benen of kleren: 'Money, money, xie xie, xie xie' (dank u), en dat wordt herhaald tot je iets geeft of het boos afschudt. Tijdens de zeven minuten durende wandeling van mijn flat in het diplomatieke complex naar het China World Hotel gebeurt het gemiddeld vijf keer.

Bij de uitrit van het hotel, waar de goedkoopste kamer meer dan 200 dollar kost, staan tientallen verpauperde mannen en vrouwen met vodden te zwaaien om je auto te 'wassen'. Ze steken hun andere hand op om de prijs van vijf of tien yuan (een tot twee gulden) aan te geven. 's Avonds laat sjouwen de zwervers met zware tassen en zakken langs de straten van de Chinese hoofdstad. Overdag is dat nog riskant, want ze zijn illegaal en kunnen door de politie worden aangehouden. Net als de bedelaars en auto-wassers zijn ze van heinde en verre gekomen op zoek naar een beter leven. Geld voor een huis of bakfiets hebben ze niet en ze zeulen hun bagage van of naar bouwprojecten waar dag en nacht gewerkt wordt.

Een jongen van zeventien vertelt dat hij uit Henan, een achtergebleven provincie op 600 kilometer ten zuiden van Peking, is gekomen met zijn zus van vijftien. “Die is met mij meegekomen om voor mij te zorgen. Misschien kan zij eten koken in de bouwput of hulp in de huishouding worden en kan ik daar ook in de kost als huisknecht (...) Alles is beter dan terug naar ons dorp in Henan. Er is geen eten en de partijkaders zijn te boosaardig, te in-en-in-slecht. Het zijn dorps-warlords, mafia-bazen. Ze stelen alles, kidnappen onschuldige boerenmeisjes en verkopen die om hun eigen zakken te vullen.”

Pag.12: Crisisverschijnselen dwingen tot een soberder beeld

Officiële cijfers over de nieuwkomers van het platteland bestaan er niet, maar naar schatting zijn het er in Peking anderhalf tot twee miljoen (op een totale bevolking van elf miljoen). In het zuiden is het veel erger. Een stad als Kanton heeft vier miljoen legale en vier miljoen illegale ingezetenen. Over het hele land wordt de zwervende bevolking op 65 tot 100 miljoen geraamd. In het zuiden werkt dit zwervende Lumpenproletariat zevendaagse, honderdurige werkweken in onmenselijke, onveilige fabriekjes van China's nieuwe rijken, of Hongkong- en Taiwan-bazen en slaapt met 30 in een kamer op beschimmelde matrassen. Volgens arbeidsactivisten in Hongkong zijn er de laatste drie jaar 65.000 omgekomen in branden en andere ongelukken en miljoenen liepen verwondingen op.

China's bekendste activist voor arbeidersrechten, Han Dongfang, probeerde in 1989 een onafhankelijke vakbond op te richten. In de gevangenis kreeg hij tuberculose en onder Amerikaanse druk mocht hij het land verlaten voor medische behandeling. Toen hij in 1993 wilde terugkeren versperde de politie hem de weg aan de grens tussen Hongkong en Guangdong. Dissidenten die zich sinds vorig jaar op arbeidersrechten zijn gaan concentreren zijn sindsdien in groten getale gearresteerd. Het is onduidelijk welk probleem het grootste is, dat van het nieuwe zwervende Lumpenproletariat in de vrije sector of dat van het oude, in toenemende mate ontrechte 'establishment-proletariaat' in de verlieslijdende staatsbedrijven.

De snel groeiende kloof tussen arm en nieuw-rijk en tussen arme en rijke regio's, alomtegenwoordige corruptie, hoge inflatie en politieke spanning als gevolg van de verwachte dood van Deng Xiaoping en een nieuw getij van dissidenten-activisme zijn de andere (potentiële) crisisverschijnselen die na twee jaar euforie over China's hypergroei anno 1994 tot een soberder China-beeld dwingen.

China heeft er vanaf het begin van de economische hervormingen in 1978 steeds gunstiger voorgestaan dan het Sovjet-blok. Van 1979 tot 1992 had het gemiddeld 9,9 procent per jaar groei, maar de groei kwam hoofdzakelijk en de laatste jaren vrijwel uitsluitend van de nieuwe economische sectoren, gemengde collectieven, joint ventures met het buitenland en privé-ondernemingen. Aan de jaarlijks slinkende staatssector werd sinds 1984 wel wat gesleuteld, maar hij bleef fundamenteel onhervormd, produceerde goederen waarvoor geen markt was en werd geleid door politiek invloedrijke, maar commercieel incompetente en veelal corrupte bureaucraten. Alleen dankzij gesubsidieerde grondstoffenprijzen, bankleningen en privileges voor het bedrijfskader konden zij blijven draaien. Pas in november vorig jaar werd in de 'blauwdruk voor de transformatie naar de socialistische markteconomie' bevolen dat er nu eindelijk ernst moest worden gemaakt met de sanering van de staatssector, die gelukkig nog maar iets minder dan de helft van de nationale industriële omzet produceert, maar er even belabberd voorstaat als die in Rusland.

De woordvoerder van het Staatsbureau voor de Statistiek, Yo Zhen, maakte eind april bekend dat de economische groei gedurende het eerste kwartaal van dit jaar 12,7 procent was (13,5 procent over heel 1993). De staatssector groeide echter slechts 2,2 procent, de collectieve met 32,1 procent en de 'andere' (privé- en joint-ventures) met 79,1. Vorig jaar werd het aantal staatsbedrijven dat verliezen leed op eenderde gesteld. Volgens een nieuwe berekeningsmethode is het nu 49,6 procent. Deels is dit te wijten aan het feit dat op bevel van de economische tsaar, vice-premier Zhu Rongji, de automatische geldkraan van de banken naar de bedrijven is dichtgedraaid. Als gevolg daarvan konden vele bedrijven de lonen voor hun arbeiders niet meer betalen.

Dagelijks gonst het van de geruchten over stakingen en onrust in grote staatsbedrijven, in de 'zweet-fabriekjes' en zelfs in Japanse joint ventures die tot de betere betalers behoren. Uit angst voor massale instabiliteit stroomt het dan ook weer leningen. Zelfs bedrijven die winst maken moeten die lenen aan zieke bedrijven en zo wordt er voortgemodderd. Van geen enkel probleem weet je hoe ernstig het precies is, want over gevoelige kwesties is er alleen zwaar gecensureerde publieke discussie.

Volgens de 'blauwdruk' van eind vorig jaar moest niet privatisering, maar 'corporatisering' het redmiddel voor de staatsbedrijven worden, dat wil zeggen omvorming tot vennootschappen met de staat als meerderheids-aandeelhouder. Maar het gemakzuchtige optimisme daarover is ook voorbij. De twee Chinese beurzen in Shenzhen en Shanghai zijn te zwak gereguleerd, te weinig professioneel en er is een extreem overaanbod aan emissies gedaan. Medio mei liet de regering een decreet uitgaan dat alle nieuwe emissies van gewone A-aandelen in locale valuta moeten worden uitgesteld tot 1995. De beide indexen zijn in 1993, al lang voor de wereldwijde neergang in de geldmarkten met 70 procent gedaald en de trend gaat nog steeds door. B-aandelen in buitenlandse valuta zijn sinds begin dit jaar met 40 procent gedaald. Negen bedrijven hebben inmiddels emissies van zogenaamde H-aandelen in Hongkong gedaan, maar de euforie van vorig jaar is verdwenen. Zij hebben hun luister verloren. De laatste Chinese emissie aan de beurs van Hongkong, door 'Tianjin Bobai Chemical Industry Group', werd niet eens volgeboekt en de koers kelderde acht procent op de openingsdag. De beurs van Hongkong weerspiegelt de nieuwe scepsis over China's stabiliteit en een nieuwe vlaag van doemdenken over 1997.

Investeringen uit Taiwan, een van de belangrijke bronnen voor China's exportgroei, zijn het eerste kwartaal van dit jaar met slechts 4,4 procent gegroeid tegen 30 procent vorig jaar. De neerwaartse trend was er al, maar is verder versterkt door de roofmoord op 24 Taiwanese toeristen tijdens een boottocht op een meertje in de provincie Zhejiang, op 31 maart. China probeerde aanvankelijk de tragedie in de doofpot te stoppen en die als een gewoon ongeluk te presenteren. Later heeft het drie gangsters gearresteerd, maar Taiwan houdt vol dat een muitende legereenheid verantwoordelijk was. Escalerende georganiseerde misdaad, waarbij onderwereld, politie en leger samenspannen is een extra bedreiging voor de openbare orde en stabiliteit.

Maar wat alle Chinezen, arm en rijk, in de stad en op het platteland, parten speelt zijn de voortdurende prijsstijgingen en inflatie. Prijzen zijn gemiddeld ruim 25 procent hoger dan vorig jaar en ondanks de transformatie naar de markteconomie zijn er opnieuw prijscontroles ingevoerd op dagelijkse levensbehoeften als graan, olie, vlees, vis en groenten. De inflatie beliep gedurende het eerste kwartaal in het hele land 20,1 procent en in de grote steden 26 tot 30 procent. De belangrijkste economische doelstellingen dit jaar waren de economische groei terug te brengen tot onder de 10 procent en evenzo de inflatie, maar aangezien de groei boven de 12 procent blijft is het onmogelijk om de inflatie onder controle te krijgen, ondanks de prijsmaatregelen.

De directeur van een nieuw partijorgaan, het 'Centrale Comité voor Openbare Veiligheid', Ren Jianxin, waarschuwde vorige week dat de corruptie en apathie onder partijkaders sterk waren toegenomen en de destabiliserende effecten van werkloosheid, armoede en inflatie hadden verergerd. Ren zei dat de partij haar gezag over grote delen van het platteland had verloren.

Als men op de alarmerende taal van de Chinese leiders, met name die van politie en veiligheidsdiensten, afgaat, kan de sociale opstand elke dag uitbreken, vooral nu ook de jaarlijkse 'paniekfactor', de verjaardag van de militaire onderdrukking van het studentenverzet op 3 en 4 juni 1989, actief aan het werk is. Maar ondanks alle sociaal-destabiliserende factoren zijn er een aantal positieve financieel-economische indicatoren.

China's hoge groei is voor alles het resultaat van een niet aflatende (binnenlandse) investeringshausse. Het persbureau Nieuw China maakte dezer dagen bekend dat de investeringskoorts is afgekoeld en er het eerste kwartaal slechts een groei van 38,4 procent was, 30 procent minder dan vorig jaar. “De investeringsstructuur is evenwichtiger geworden. Meer geld wordt besteed aan projecten die met grondstoffenwinning, transport en telecommunicatie te maken hebben. De investeringskoorts in ontwikkelingszones, vakantieoorden, villa's en onroerend goed is drastisch bekoeld”, aldus Nieuw China. Het bijkomende voordeel daarvan is het deflatoire effect, dat wellicht toch later dit jaar een vermindering van inflatie tot dichtbij de 10 procent te zien zal geven.

Het beste nieuws gaf minister van financiën Liu Zhongli eerder deze week, namelijk dat de nieuwe belastingwetgeving gedurende het eerste kwartaal een stijging van het centrale staatsinkomen met 29,2 procent had opgeleverd. Op grond daarvan nemen economen in de hele regio aan dat 1994 wel een kritiek jaar zal zijn, maar dat de kans op een zachte landing voor de nog steeds oververhitte Chinese economie in 1995 meer dan 50 procent is - als de preventieve repressie tenminste effectief genoeg zal blijken om de gevreesde sociale explosie te voorkomen.