Afkeer van een warenhuis; Jaarboek Haags Gemeentemuseum over de tempel der kunst

Het Jaarboek Haags Gemeentemuseum is verkrijgbaar in de museumwinkel. 124 blz. Prijs ƒ 35,-

In de jaren vijftig en zestig publiceerde Elsevier's Weekblad een groot aantal modetekeningen van de nu 74-jarige beeldhouwster Constance Wibaut. Prachtige tekeningen zijn het. Met een ongelooflijke trefzekerheid schetste ze in de luttele minuten die haar gegeven waren (de mannequins poseerden maximaal tien minuten tijdens speciale tekensessies) de modellen en ensembles van modehuizen als Jean Patou, Alix Grès en de door haar geliefde Spaanse couturier Balenciaga.

Wibaut tekende direct met viltstift of met penseel en inkt, technieken die nauwelijks enige correctie toelaten. Die directheid, concentratie en de spanning van het moment zijn in de tekening bijna tastbaar aanwezig. Vaak combineerde Wibaut verschillende modellen op één blad tot een compositie, waar dan ook gouache en de collage-techniek aan te pas konden komen. De precisie van lijn, de grote diepte verrijkt met minimale middelen, en niet in de laatste plaats de verfijning en allure doen terugverlangen naar de tijd voordat aan het eind van de jaren zestig de modefoto definitief de tekening verdrong.

Veel van deze tekeningen, die mij onbekend waren, hebben de status van zelfstandige kunstwerken. Een aantal is gereproduceerd in het jaarboek van het Haags Gemeentemuseum (1993), dat in 1988 het totale oeuvre aan modetekeningen en illustraties van Constance Wibaut verwierf. De inventarisatie van de ruim 2100 stukken werd afgelopen november voltooid. Ietse Meij schreef hiervan een verslag.

Dit jaarboek is ongetwijfeld de weerspiegeling van het museum, zoals directeur Hans Locher het droomt. Meermalen sprak hij in de afgelopen jaren zijn afschuw uit over het museum als 'warenhuis', waarin de ene tentoonstelling de andere in hoog tempo opvolgt om maar zoveel mogelijk bezoekers te trekken. Locher staat het tegenovergestelde voor ogen. Een presentatie is in zijn optiek niet iets eenmaligs maar iets definitiefs dat een hele generatie meegaat. Het museum is in de eerste plaats een wetenschappelijk instituut, een studiecentrum dat collecties beheert. De zalen zijn er stil zodat bezoekers zich in alle rust kunnen wijden aan de beschouwing van de kunstvoorwerpen. Locher is een uitgesproken aanhanger van de oude gedachte dat het museum een opvoedende, geestverrijkende taak heeft.

Op de cover staat een foto die in dit verband een symbolische lading krijgt. Hij toont de monumentale hal van het Berlagegebouw, stil, gewijd, een tempel der kunst. De blik wordt door de hal naar een tentoonstellingszaal geleid die leeg is en bovendien voorzien van een hekje. Alleen voor wie zich ernstig wil bezig houden met de verzamelingen zal, zo lijkt de boodschap, het museum zijn geheimen prijsgeven.

Met dit jaarboek is het geen moeilijke opgave zich in de collectie te verdiepen. De bijdragen, geschreven door conservatoren van de verschillende afdelingen, zijn afwisselend en toegankelijk. Ze vertegenwoordigen de drie pijlers, zoals Locher het ooit noemde, van de collectie van het Gemeentemuseum: de chronologisch geordende verzameling 19de en 20ste eeuwse beeldende kunst; de verzameling Euro-aziatische kunstnijverheid; en de verzameling muziekinstrumenten, met een nadruk op de overgang van het traditionele instrumentarium naar de elektronica. De elf detailstudies variëren van een verslag van de inventarisatie van dertig Koptische weefsels die in 1991 door het Tilburgs Textielmuseum aan het gemeentemuseum werden geschonken, tot een introductie van het tekenwerk van Marcel van Eeden (29), in 1993 verworven voor de Haagse Stadscollectie.

Wonderbaarlijk is het verhaal van de 'Theremin' en zijn maker, de vorig jaar november op 97-jarige leeftijd overleden Lev Sergeyevich Termèn. De Theremin, vervaardigd in 1928, is het vroegst te dateren elektronische instrument van de collectie, dat een klank produceerde die 'door de bespeler in toonhoogte en geluidssterkte kon worden beïnvloed zonder dat hij het instrument zelfs maar raakte; wel stond de bespeler met armen en handen in de lucht te gebaren alsof hij dirigeerde', aldus het artikel van Onno Mensink. Een illustratie toont een jonge vrouw, gekleed in een nauwsluitende fluwelen japon met pofmouwen, die met haar lange armen elegante, dansachtige, maar toch bevreemdende gebaren maakt. Zij staat voor een raadselachtige glimmende kist waar een metalen pijp uit steekt. De vrouw is de Amerikaanse Lucie Bigelow Rosen, ooit een beroemde Thereministe, geportretteerd in 1936.

Franz Kaiser schreef een opmerkelijke bijdrage over vijf tentoonstellingen in de 'Projectruimte' van het museum. Deze zaal op de eerste verdieping, die door Berlage was ontworpen als beeldenzaal, is gereserveerd voor experimentele hedendaagse tentoonstellingen van speciaal voor deze ruimte ontworpen kunstwerken of arrangementen. Het artikel van Kaiser is opmerkelijk, omdat hij zich, als museumman gespecialiseerd in de hedendaagse kunst, op het standpunt stelt dat hedendaagse kunst niet thuishoort in het museum. Het museum doet als instituut aanspraken op een objectief kwaliteitsoordeel, en dergelijke oordelen kunnen over contemporaine kunst niet worden geveld.

De projecten die Kaiser voor ogen heeft zijn volgens hem de neerslag van het steeds voortgaande denkproces van een kunstenaar in relatie tot de museale situatie. Op deze manier kan het museum zijn klassieke functie als toetssteen of maatstaf voor de contemporaine kunst waarmaken.

Er is voor dit standpunt veel te zeggen. Misschien is dit ook wel de gedaante die het beste past bij het Haagse Berlagemuseum. Na de perikelen van de afgelopen jaren, de extreme budgetoverschrijdingen van de vorige directeur Rudi Fuchs, en zijn provocerende voorstellen tot verkoop van topstukken, is het museum bovendien gebaat bij rust, al staat er dan nog een grondige renovatie voor deur. In ieder geval kan Locher geen betere reclame maken voor zijn ideeën dan met dit zowel naar inhoud als vorm prachtige jaarboek.