W.C.L. VAN DER GRINTEN 1913-1994; Sterk vanaf de zijlijn

Wie zegt Van der Grinten, zegt kabinet Van Agt. De vorming van dat kabinet eind 1977 na een tumultueuze kabinetsformatie is onlosmakelijk verbonden met de naam van de gisteren op 80-jarige leeftijd overleden professor mr. W.C.L. Van der Grinten. De man die er voor zorgde dat dat tweede kabinet Den Uyl er toch niet kwam. Vanaf de verkiezingen van 25 mei van dat jaar was gepoogd het kabinet Den Uyl op de een of andere manier te prolongeren. Het wederzijds wantrouwen tussen PvdA en CDA was echter zo groot dat na ruim vijf maanden het doek viel. Daarop droeg CDA-onderhandelaar Van Agt de uit zijn woonplaats Nijmegen afkomstige professor Van der Grinten voor als informateur bij de koningin. Niet meer dan 29 dagen kostte het hem om CDA en VVD bij elkaar te brengen.

“Een schrale man. Niet gewend aan publiciteit, wel aan invloed. Meer een regisseur dan een acteur”, schreef de PvdA-er Ed van Thijn in zijn 'Dagboek van een onderhandelaar' over Van der Grinten. Het is een perfecte omschrijving van de man die kon worden gerekend tot het informele maar uiterst belangrijke circuit, eerst in de KVP en later in het CDA. Een circuit dat volop actief was in de laatste fase van de kabinetsformatie van 1977. De benoeming van Van der Grinten was de zoveelste verrassing van die bizarre kabinetsformatie.

“Een laatste poging om het tweede kabinet Den Uyl tot stand te brengen”, schreven de kranten toen de benoeming bekend was geworden. Nog enkele dagen heeft Van der Grinten gespendeerd aan het alsnog bij elkaar brengen van PvdA, CDA en D66. Toen dit onmogelijk bleek, richtte hij zich op een coalitie tussen CDA en VVD. Het leidde tot het kabinet Van Agt-Wiegel. Uit maatschappelijk oogpunt een tweede keus, verklaarde Van der Grinten achteraf, maar hij had wel de overtuiging zeker te zullen slagen. Niet verwonderlijk, want er was, toen PvdA en CDA nog volop met elkaar in gesprek waren, al het nodige voorwerk bij de VVD verricht door de eveneens uit Nijmegen afkomstige en tot het informele circuit behorende professor Duynstee. Die belde op zijn beurt Van der Grinten weer op om hem van zijn verrichtingen op de hoogte te houden. “Voorbedachte rade” zei Van Thijn, nadat na enkele dagen bleek dat Van der Grinten zich ging richten op een CDA-VVD kabinet.

Zo veel waardering Van der Grinten had voor Van Agt zo weinig had hij dat voor Lubbers. Vanuit Nijmegen zag hij hoe Lubbers als fractieleider van het CDA 'zijn' kabinet bestookte. In 1981 verklaarde Van der Grinten tegenover Elsevier: “Het is jammer, maar je kan nooit op Lubbers bouwen. Er zit in deze man geen consistentie. Dat is ook de moeilijkheid met zijn voorzitterschap van de CDA-fractie.” Drie jaar later, nadat Lubbers zich had geprofileerd als no nonsense premier nuanceerde Van der Grinten zijn mening: “Wij katholieken hebben daar een mooie uitdrukking voor. Wij spreken dan over de staat van genade. Ik denk dat Lubbers die staat van genade in hoge mate heeft gekregen.”

In 1949 werd Van der Grinten de eerste staatssecretaris van het land. De grondwetswijziging van 1948 had de mogelijkheid van een 'onderminister' geschapen. Minister Van den Brink van economische zaken trok de jurist Van der Grinten aan als staatssecretaris om de wet op de bedrijfsorganisatie tot stand te brengen. Het is de wet waarop een instituut als de Sociaal-Economische Raad is gegrondvest. Een orgaan waarvan Van der Grinten als kroonlid vanaf 1952 tot 1984 deel van uitmaakte. Van binnenuit kon hij zodoende zien dat de SER niet werd wat hij er in 1950 van verwachtte. De publieksrechtelijke bedrijfsorganisatie, belangijk onderdeel van de katholieke staatkunde in de jaren vijftig, is niet echt van de grond gekomen.

Na zijn kortstondige staatssecretariaat dat in 1951 eindigde, ging Van der Grinten de wetenschap in. Eerst als hoogleraar burgerlijk recht en handelsrecht in Tilburg, vanaf 1957 tot zijn emeritaat in 1983 als hoogleraar burgerlijk recht aan de katholieke universiteit van Nijmegen. In die tijd maakte hij naam als kenner van het vennootschapsrecht. Daarnaast bekleedde Van der Grinten diverse commissariaten.

Politiek speelde hij binnen de KVP een rol op de achtergrond. In 1953 was hij voorzitter van een commissie die de teleurstellende verkiezingsuitslag van de partij in 1952 moest onderzoeken. Ten tijde van de eerste discussies over een eventueel samengaan van KVP, ARP en CHU ontpopte Van der Grinten zich als een groot voorstander van een zelfstandige katholieke partij. Omdat, zo zei hij in 1966 op een door de Volkskrant georganiseerde conferentie “het geestelijk klimaat van het katholieke bevolkingsdeel grotelijk verschilt van dat van de reformatorische christenen”. Een opvatting die Van der Grinten overigens in 1975 had verlaten. Toen behoorde hij tot de ondertekenaars van een nationaal manifest waarin de drie grote confessionele partijen werden opgeroepen “met overtuiging” voor het CDA te kiezen.

Kenner van de politieke verhoudingen is Van der Grinten al die tijd gebleven. Zijn observaties vanaf de zijlijn waren meestal raak. Vlak voor de verkiezingen van mei 1981 zei hij al dat Van Agt en Den Uyl nooit samen in een kabinet zouden moeten gaan zitten. Het was 'asking for trouble', zo waarschuwde hij enkele maanden later. Dat kabinet kwam er, net als de moeilijkheden. Afgelopen maand, enkele dagen na de verkiezingen, werd Van der Grinten nog door de EO-radio geïnterviewd. Toen sprak hij de verwachting uit dat er een kabinet van PvdA, CDA en D66 zou komen. Een paarse coalitie achtte Van de Grinten wegens de verschillen tussen PvdA en VVD onwaarschijnlijk. Mocht die coalitie er desondanks toch komen, dan zou dat “binnen afzienbare tijd” tot de val van het kabinet leiden, voorspelde hij.