VN roeien tegen de wapenstroom op

Bosnië, Somalië, Rwanda - een trieste reeks van 'failed states', van mislukte staten, verscheurd door burgeroorlogen. In alle drie staten hebben de Verenigde Naties blauwhelmen gestationeerd met de opdracht humanitaire hulp aan de slachtoffers te verlenen en, waar mogelijk, de strijd en het bloedvergieten tot een einde te brengen. In Bosnië en Somalië zijn pogingen gewaagd om nieuwe politieke constructies op te zetten die een minimum aan normaal bestuur zouden herstellen. Tot dusver zonder beslissend resultaat. In Rwanda gaat het er voorlopig alleen maar om het geweld enigszins in te tomen nadat de eerdere, als preventief bedoelde aanwezigheid van de vredessoldaten op een volslagen mislukking was uitgelopen.

Vorige week beklaagde de secretaris-generaal van de Volkerenorganisatie, Boutros Boutros-Ghali, zich tegenover journalisten over de geringe armslag die hem is gelaten om deze problemen te lijf te gaan. Hij noemde dat een schandaal, een kwalificatie waarop de aangesproken lidstaten in het openbaar niet hebben gereageerd. In de eerste plaats doelde de hoogste VN-ambtenaar op het beperkte budget dat hem ten dienste staat en op de terughoudendheid bij het beschikbaarstellen van blauwhelmen en ander personeel. Maar bovendien gaf hij uiting aan zijn frustratie over de diepe stilte die is gevolgd op zijn voorstellen voor een sterk verbeterde aanpak van de vredesoperaties, zoals bijvoorbeeld voor een staand VN-leger dat voor zijn taak is opgeleid en geoefend.

In een essay in de New York Review of Books van 12 mei volgt de voormalige vice-secretaris-generaal van de VN, Brian Urquhart, de weg die de Volkerenorganisatie sinds haar oprichting is gegaan. Tijdens de Koude Oorlog, schrijft Urquhart, dienden de VN als een bruikbaar forum, als een laatste toevlucht om het gevaar van een atoomoorlog af te wenden. In de Suez-crisis van 1956, in Libanon in 1958, in Kongo (Zaïre) in 1960, op het Indische subcontinent in 1965, en opnieuw in het Midden-Oosten in 1973 hielpen de VN conflicten beheersbaar te houden die een confrontatie dreigden te ontketenen tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie.

“Maar”, schrijft Urquhart, “in de wereld van na de Koude Oorlog heeft de oude idee van de solidariteit der volken, tot uitdrukking gebracht in de VN, veel van haar kracht verloren.” Na de overval op Koeweit wist de Veiligheidsraad nog snel tot een beslissing te komen, maar, meent hij, in de meeste situaties slaagde de raad er niet in zijn beslissingen tot uitvoering te brengen. Het bleek bijzonder moeilijk vredessoldaten in te zetten in een toestand van burgeroorlog, onuitgenodigd door welke regering dan ook, tegen de wens van de strijdende groepen in en met zeer bescheiden mogelijkheden om druk op die groepen uit te oefenen. In de balans wegen de “ontmoedigende ervaringen” in Somalië, Bosnië, Haïti, Angola en Rwanda op tegen de “relatieve successen” in Namibië, El Salvador en Cambodja.

Zowel Boutros-Ghali als Urquhart raakt de kern van het probleem: de VN zijn zo sterk of zo zwak als de samenstellende delen, de lidstaten, de organisatie toestaan. Maar het resultaat van ingrijpen wordt ook bepaald door de krachten die de VN trachten te bedwingen. Waarom bijvoorbeeld slaagde de Volkerenorganisatie in Namibië, waar een functionerende staat is ontstaan in een door burgeroorlog en buitenlandse interventie stuurloos geworden voormalig mandaatgebied, en mislukte zij in het buurland Angola? Wellicht waren de bescheiden middelen van de VN net voldoende voor Namibi¨ e en schoten zij volslagen tekort om de oorlogskrachten in Angola te bezweren.

Iedere interventie kent haar eigen geschiedenis. In Cambodja zouden de bevolking en de elkaar bestrijdende partijen zo oorlogsmoe zijn geweest dat een succesvol VN-ingrijpen mogelijk werd. Ook wordt de moed van de Cambodjaanse kiezers genoemd om ondanks de waarschuwingen van de Rode Khmer naar de stembus te gaan. Maar beslissend voor de uitkomst was dat diezelfde Rode Khmer het tijdens de verkiezingen zelf heeft laten afweten.

Het klinkt aannemelijk dat de VN betere kansen kregen naarmate bepaalde grote mogendheden zich meer op afstand hielden (of noodgedwongen moesten houden). Dat geldt zeker voor de slagvelden uit de Koude Oorlog, Namibië, Cambodja en El Salvador. Maar in Angola ging die redenering niet op.

Somalië toont overeenkomsten met Joegoslavië: het land werd sterk beïnvloed door de Koude Oorlog, maar het bloedvergieten begon erna. De reusachtige wapenvoorraden in Somalië waren beurtelings door Russen en Amerikanen aangelegd, het regime van Mohamed Siad Barre was achtereenvolgens door Moskou en door Washington in het zadel gehouden. Maar eenmaal in de steek gelaten door zijn sponsors moest Barre in 1991 het onderspit delven tegen het gewapende verzet van zijn rivalen waarna een verwoestende burgeroorlog uitbrak van allen tegen allen. De Amerikaanse komst eind 1992 bracht geen oplossing.

De Joegoslavische kwestie staat evenmin los van de voorgaande periode. Het land wist zich te handhaven in een gebied, de Balkan, dat doorsneden was door de frontlijn tussen Oost en West. Het had zich daartoe tot de tanden bewapend. De toenemende economische oriëntatie op het Westen bevoordeelde de ene deelrepubliek boven de andere, waarmee de aanleiding ontstond voor de haatcampagnes die drie jaar geleden tot een uitbarsting leidden.

Het bloedvergieten in Rwanda heeft daarentegen niets te maken met de Koude Oorlog. Rwanda, deel van een voormalige Duitse kolonie, werd in 1916 als mandaatgebied toegewezen aan België. Sinds de onafhankelijkheid in 1962 hebben de Belgen er nog wel eens de orde hersteld als de twee bevolkingsgroepen, Tutsi en Hutu, in een handgemeen raakten en eigen burgers in het gedrang kwamen, maar de afgelopen jaren is die rol meer en meer overgenomen door Frankrijk. De recente moord op tien Belgische blauwhelmen, vermoedelijk door aanhangers van de vervolgens in moeilijkheden geraakte regering, zou moeten worden verklaard uit de toegenomen reserve van België tegenover dat bewind.

Intussen wordt een beslissende factor in de onhandelbaarheid van de conflicten waarmee de VN worden geconfronteerd, de overbewapening ter plaatse, veronachtzaamd. Het werk der blauwhelmen zou in de toekomst aanzienlijk eenvoudiger en veiliger worden, als de wapenstromen onder internationale controle zouden worden gebracht. Het schandaal waarvan Boutros-Ghali sprak, zou dan toch minder groot zijn.