Speerdansen tegen de demonen

Kindermuseum TMjunior maakt deel uit van het Koninklijk Instituut voor de Tropen te Amsterdam. Tot de herfstvakantie (najaar 1994) kan de tentoonstelling Onzichtbare Gasten alleen nog op woensdagmiddag, zaterdag/zondag en tijdens de schoolvakanties worden bezocht door kinderen van zes tot twaalf jaar. Informatie: 020-5688233

De schilderijen van meneer Raka kennen de kinderen al. Die staan afgebeeld in het boek dat ze hebben doorgenomen in de weken voor hun schoolreisje naar het Kindermuseum van het Amsterdamse Tropeninstituut. Zo weten ze wie de heks Rangda is. Zij bezit witte en zwarte toverkracht. En ze kennen de uit de godenwereld afkomstige Twalen en Merdah, die voor de poorten van tempels op Bali staan. Ook hebben ze al iets gehoord over de orde in de wereld en hoe die in de war kan raken als je de goden beledigt of de demonen niet tevreden stelt met lekkere pittige spijzen.

“En dit is de kaart van Bali”, wijst Babette, medewerkster van het Kindermuseum. “Je denkt misschien dat het een rustig en groen eiland is, maar het is er hartstikke druk. Er rijden honderden taxi's, schoolbussen en brommers. Maar jullie weten waarom het er eigenlijk nog veel drukker is.” De kinderen knikken als Babette haar stem laat zakken en op geheimzinnige toon vervolgt: “In de hoge bergen wonen de onzichtbare bewoners, de goden, en in de zee wonen de demonen en boven de hoofden van de mensen zweven - onzichtbaar - hun voorouders.”

Dan schuift ze het zwarte gordijn opzij en de zesdegroepers van basisschool Aerestein uit Langeraar stappen verrast de even kleurrijke als raadselachtige wereld van Bali binnen. De beelden, de maskers, de barongtijger, de tempel, de vaandels, bloemen, kleren, etenswaren, de gamelaninstrumenten, de geschenken voor de goden en de demonen, alles wat het Kindermuseum heeft uitgestald voor de tentoonstelling 'Onzichtbare Gasten' is van Bali afkomstig.

De acht- en negenjarigen uit het Zuid-Hollandse dorpje zijn niet gekomen om al deze spullen met de handen op de rug te bekijken, maar om er zelf deel van uit te maken. Ze vieren deze ochtend het feest van de jarige tempel. Er is muziek!

En daar komt de barongtijger binnen, elegant en angstaanjagend, klapperend met zijn masker. De kinderen deinzen naar achteren, zenuwachtige gilletjes uitslaand. “Wie was er bang?”, vraagt Babette als de tijger uit het zicht is verdwenen. Een paar meisjes steken hun vinger op, een jongen zegt: “ik was niet bang, maar ik schrok wel.”

Boven hen bevindt zich de tempel waar alles klaar staat om de onzichtbare gasten vriendelijk te stemmen. Sterke drank om de demonen te vriend te houden, geurende bloemen, schone kleren en lekker eten om de voorouders te eren en de goden te bedanken. Ook het hert staat al op het hoogste punt van de tempel klaar voor de afdalende goden.

“Maar zien jullie wat ik zie?”, vraagt Babette geschrokken aan de zichtbare gasten van het feest. Een zucht van verontwaardiging gaat door de groep kinderen: de gouden beeldjes zijn weg. Een meisje in een roze trainingspak mag voorzichtig tussen de spulletjes kruipen om te kijken of de gouden beeldjes misschien achter het hert zijn gevallen. Ze schudt haar hoofd en Babette sprint weg om dit geval van verdwijning - die beeldjes behoren tot de topcollectie! - te melden bij de directie. Er gaat meteen een fax naar Bali, veertien seconden doet die erover. Nog geen tien minuten later ligt er een antwoord.

Babette leest het voor. Misschien hebben de beeldjes heimwee gekregen naar Bali. Hangen er wel voldoende vaandels, zijn er zetels voor de goden, worden de onzichtbare gasten wel echt als gasten behandeld, zijn er voldoende offers, is er muziek, wordt er gedanst?

Op dat moment wordt de klas razendsnel in drie groepen verdeeld. Acht jongens gaan met Sonja een speerdans instuderen waar de demonen van op de vlucht moeten slaan. Een zelfde aantal meisjes wordt door Paula gekleed in gele kanten bloesjes en lange sarongs. In hun haar hebben ze bloemen gestoken. Op een rieten mat gezeten maken ze offers voor de goden. Daarna oefenen ze een sierlijke dans om de offers aan te bieden.

Een derde groep loopt naar de ruimte waar onder rode pyjama's de gamelaninstrumenten staan. Binnen driekwartier is het feest voor de jarige tempel voorbereid. De kinderen voeren Balinese dansen uit en maken gamelanmuziek, de wierook brandt en de schalen met offers staan klaar. Jeroen en Peter mogen het hert - zonder de gouden beeldjes - op hun schouders naar de tempel dragen. Iedereen is in Balinese kleding gestoken. Zelfs Bas, die bij binnenkomst weerbarstig riep dat hij voor geen goud in een rokje zou gaan lopen. De hele busreis besteedde hij aan stemmingmakerij. Niemand - en zeker geen jongen - zou zich verkleden.

Als het gamelanorkest zijn laatste zware gongslagen laat horen, komt museummedewerkster Lisa in een lange witte stofjas binnenlopen. In haar hand heeft ze de gouden beeldjes. De kinderen herkennen hun eigen juf, Janny Kor, maar lijken dat evensnel weer te vergeten: ze speelt haar gastrol met verve. De beeldjes lagen in de restauratiewerkplaats van het museum, vertelt Lisa, wat moet ze ermee? Als de sarongs en de bloesjes zijn opgeborgen en de gymschoenen weer zijn dichtgeknoopt, kijken de kinderen naar diabeelden uit Bali. Het feest van de tempel is een herkenbaar en begrijpelijk feest geworden. Ze zien de barongtijger en meisjes met precies dezelfde gele kanten bloesjes, ze luisteren naar het gamalanorkest en ze herkennen de offers en de dansen. De twee jongetjes die zich maar met moeite konden inleven in hun speerdans en zojuist nog klaagden dat het schoolreisje naar Blijdorp vorig jaar veel leuker was, roepen enthousiast: “Kijk, de speren, dat zijn wij!”

Maar ze blijven nuchter: goden en demonen bestaan hier niet. Het meisje in het roze trainingspak en de witte gympen denkt daar heel anders over. “Ze zijn er wel”, zegt ze zachtjes.