Smalle basisarts

Onlangs verscheen het 'Raamplan 1994 Artsopleiding', waarin de gemeenschappelijke eindtermen (opleidingseisen) voor de artsopleiding zijn geformuleerd. In W&O van 21 april worden enkele opvattingen weergegeven van de emeritus hoogleraar Verbeek, als lid van de begeleidingscommissie nauw bij de totstandkoming van het Raamplan betrokken, die niet stroken met die van de overige leden van de commissie.

Collega Verbeek meent dat geen arts meer volledig zijn eigen specialisme kan overzien, laat staan de hele geneeskunde. Hij pleit daarom voor een vroege differentiatie in de artsopleiding in een drietal hoofdrichtingen. De overige leden van de commissie menen dat juist voorkomen moet worden dat in het dagelijks functioneren van de arts de geneeskunde wordt opgesplitst in afzonderlijke specialismen omdat daarmee ook de zieke mens als totale persoon uit het oog wordt verloren. Elke arts zal bij de behandeling van patienten ook vroeg of laat met onderwerpen in de geneeskunde in aanraking komen die niet direct zijn eigen specialisme raken. De commissie heeft dan ook gekozen voor de opleiding tot een volwaardige arts die aan het begin van zijn vervolgopleiding de basisprincipes van de gehele geneeskunde heeft leren kennen en daarvoor ook verantwoordelijkheid kan dragen.

De eindtermen bestaan nu uit: (1) een profiel van de arts gebaseerd op bovengenoemd uitgangspunt, (2) een daaruitvoortvloeiend overzicht van de algemene eindtermen waarmee de arts kennis moet hebben gemaakt of die hij moet kunnen beheersen en (3) een overzicht van de problemen waarmee iedere arts moet kunnen omgaan. Deze overzichten zijn discipline-onafhankelijk geformuleerd. Bij de opstelling ervan zijn de hoogleraren, in tegenstelling tot wat Verbeek meent, niet betrokken geweest.

Om deze eindtermen echter niet te laten 'zweven', zijn als bijlagen bij het rapport overzichten opgenomen van kennis en vaardigheden waarover elke arts dient te beschikken om dit alles te kunnen waarmaken. Iedere arts moet raad weten met het probleem 'bloedarmoede', maar om te voorkomen dat aan afstuderende artsen te subspecialistische eisen worden gesteld, wordt aangeduid aan welke ziektebeelden in dat geval gedacht moet worden en welke handelingen daarbij uitgevoerd moeten worden. Voor de samenstelling van deze bijlagen is wel een beroep gedaan op de hoogleraren van de grote specialismen (uitdrukkelijk niet van de subspecialismen), omdat zij de verantwoordelijkheid voor het onderwijs op dat gebied dragen. Om evenwel te voorkomen dat hierdoor een eenzijdig beeld zou ontstaan, hebben leden van de commissie alle onderdelen zelf kritisch beoordeeld. Bovendien zijn de oordelen verwerkt van een panel van 250 artsen over de toen nog als concept geformuleerde eindtermen, waarbij het eigen vakgebied van deze consulenten met opzet buiten beschouwing is gelaten.

De commissie was er zich natuurlijk van bewust, dat een arts niet alles zelf zal weten of kunnen. Tot de basiskennis behoort niet de 'ver uitgewerkte anatomie van de enkel' (zoals Verbeek stelt), maar wel zoveel anatomie, dat zonodig symptomen kunnen worden herkend en eerste hulp kan worden verleend. De gedetailleerde anatomie zal dan in de vervolgopleiding tot chirurg of orthopeed geleerd moeten worden. Het onderwijs dient gericht te zijn op het aanleren van het medisch denkproces, waardoor de arts - ook in situaties die in de opleiding niet nadrukkelijk aan de orde zijn geweest - op de juiste wijze kan handelen. Alleen dan zal hij zich terecht arts mogen noemen, die in staat is om elke vervolgopleiding in te gaan.