Parijs en Londen kortzichtig over integratie Oost-Europa

De keus is simpel. Of de Europese Unie helpt mee om de problemen van Oost-Europa op te lossen, of zij verliest alle nut voor haar belangrijkste lidstaat, Duitsland. Volgens Jonathan Eyal wordt het tijd dat landen als Frankrijk en Groot-Brittannië zich realiseren dat zij de problemen veroorzaken en niet de landen in het Oosten.

De Franse minister voor Europese aangelegenheden Alain Lamassoure heeft het eerste schot gelost in wat een langdurige veldslag om de hervorming van de Europese instellingen belooft te worden. De kern van Lamassoure's betoog, afgedrukt in deze krant van 31 mei, is duidelijk: het debat over de vraag of de samenwerking binnen de Europese Unie moet worden verdiept, dan wel of Unie naar het oosten moet worden uitgebreid, creëert een zinloze tweedeling, want beide kunnen vrijwel gelijktijdig worden gerealiseerd. Maar in de kleine lettertjes bevat het voorstel van Lamassoure een scherpere mededeling: ondanks alle vriendelijke woorden en warme beloften is eenwording van de Oosteuropeanen met het Westen de komende tientallen jaren nog uitgesloten.

Lamassoure's plan is gebaseerd op de veronderstelling dat de kwestie van de oostwaartse uitbreiding van de EU voor oneigenlijke doeleinden wordt uitgebuit door bijvoorbeeld Groot-Brittannië, om de bestaande Unie te verzwakken. In plaats van zich tegen dergelijke tendenzen te verzetten komt Lamassoure met een voorstel om de argumenten van Londen op hun kop te zetten: een kern te vormen van landen in een hechte Unie en een 'zachtere' buitenrand van EU-leden die niet bereid of in staat zijn om aan alle activiteiten van Brussel deel te nemen. De 'kernleden' van de Unie zullen dan alle bepalingen van Maastricht uitvoeren, terwijl de 'buitenleden' het recht verliezen om mee te stemmen over zaken waaraan ze geen deel hebben. Merkwaardigerwijs heeft de Britse premier John Major nu, zij het slechts indirect, ingestemd met deze strategie. De boodschap is duidelijk. Om een Oosteuropees spreekwoord te parafraseren: de Fransen en de Britten stellen voor (om uiteenlopende redenen) de schalen vol westerse welvaart dichter bij de mond te brengen van de voormalig communistische landen, maar er een kortere lepel bij te geven.

Juist toen Parijs en Londen hun voorstellen bekendmaakten, bleek op een deze week gehouden congres onder auspiciën van de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie in Den Haag dat een andere oplossing voor het dilemma 'uitbreiden dan wel uitdiepen' nog steeds mogelijk is. Gezien de aanstaande Europese parlementsverkiezingen had het besluit van de internationaal secretaris van de VVD, dr. J.C. van Baalen, om vertegenwoordigers van liberale partijen uit Oost en West bijeen te brengen om over de toekomst van de Europese integratie te discussiëren, duidelijk de bedoeling een partijpolitieke boodschap uit te dragen. De VVD heeft in Nederland weliswaar stemmen gewonnen, maar met de liberalen in het Oosten gaat het niet zo heel goed. Zo werden de Hongaarse liberale partijen het vorig weekeinde in de stemhokjes vermorzeld. Niettemin had de bijeenkomst in Den Haag een tweeledige boodschap: er bestaan levendige contacten tussen politieke partijen in Europa en aan weerskanten van de oude scheidslijn tussen Oost en West leeft nog altijd krachtig het verlangen naar integratie.

Sinds de val van de Berlijnse muur heeft het Westen zijn beleid gebaseerd op twee fundamentele uitgangspunten: ten eerste dat alleen het Oosten en niet het Westen moest veranderen, en ten tweede dat over het integratieproces in Brussel kon worden beslist. Beide uitgangspunten zijn gelogenstraft. Met het eind van de Koude Oorlog dreigen alle Europese instellingen weg te smelten, en Joegoslavië heeft laten zien dat het Westen niet in alle rust kan besluiten hoe en wanneer het de Oosteuropese staten laat integreren. Een unie die zichzelf Europees noemt, kan niet van lange duur zijn als ze bestaat uit slechts twaalf rijke landen aan de rand van het continent, aan alle kanten omringd door oorlogen en sociale desintegratie.

Na lang aarzelen heeft het Westen de landen van Midden-Europa eindelijk geaccepteerd als serieuze kandidaten voor het EU-lidmaatschap. Maar zoals enkele deelnemers aan het VVD-congres stelden, is het optreden van de Unie nog altijd niet conform haar beloften. Bijna alle produkten waarmee de Oosteuropeanen kunnen concurreren zijn door Brussel aan quota of torenhoge tarieven gebonden. Van de Oosteuropeanen wordt wel verwacht dat zij markteconomische hervormingen aanbrengen, maar niet door op een vrije Europese markt te opereren.

En achter de schermen wordt een nog cynischer spelletje gespeeld. Na het eind van de Koude Oorlog werd Frankrijk geobsedeerd door de wens de Duitse reus te verankeren in een hecht verenigd Europa, en voordat dat bereikt was, wilde Parijs niet van enige uitbreiding van de Unie weten. Intussen sprongen de Britten voor de Oosteuropeanen in de bres, voornamelijk om de samenhang binnen de Unie losser te maken. Maar over één ding waren beide landen het eens: de Oosteuropese landen zelf deden niet ter zake, en hun integratie kon alleen maar tot narigheid leiden.

Het omgekeerde zou wel eens waar kunnen zijn. Weliswaar zal Oost-Europa nog jarenlang armer blijven dan het Westen, de economische resultaten van Polen en Tsjechië zijn nu al beter dan die van sommige zuidelijke EU-leden. Daarnaast gaan de Oosteuropeanen tot dusverre op een verantwoordelijke wijze met hun minderheden- en grensproblemen om, en nergens dreigt gevaar van afsplitsing. De bommen in Europa exploderen thans in Noord-Ierland, in Baskenland of op Corsica, niet in Slowakije of Transsylvanië. Het succes van voormalige communisten bij verkiezingen is teleurstellend, maar vormt overigens slechts een bewijs dat de democratieën ter plaatse naar behoren functioneren.

Het belangrijkste argument voor integratie blijft echter de strategische noodzaak. Londen en Parijs kunnen realiteiten blijven negeren zolang ze willen, maar Duitsland, nu een frontlijnstaat die gevaar te duchten heeft van potentiële instabiliteit in het Oosten, kan dat niet. De keus ligt dus heel simpel: ofwel de EU helpt mee om gezamenlijk de problemen van Oost-Europa op te lossen, ofwel de Unie verliest alle nut voor haar belangrijkste lidstaat, Duitsland. Zowel de huidige als de toekomstige partijen in het Nederlandse kabinet zijn hiervan terdege doordrongen, en zij staan dan ook vierkant achter de Duitse initiatieven in het Oosten. De Franse politici bezien alle Europese kwesties uit hun obsessie om Duitsland in toom te houden, maar laten daarmee alleen blijken dat zij, net als hun vroegere koningen, niets kunnen vergeten en evenmin iets kunnen leren.

De Unie die een oorlog tussen Duitsland en Frankrijk ondenkbaar maakte, zou datzelfde kunnen doen in het Oosten - maar pas nádat de Oosteuropeanen zich hebben mogen aansluiten. Als minister Lamassoure enerzijds volledig lidmaatschap belooft en anderzijds barrières wil oprichten die dat lidmaatschap waardeloos maken, en dat lijkt impliciet in zijn voorstellen, dan is daarmee niemands veiligheidsbelang gediend. Parijs en Londen komen, uit verschillende richtingen, tot een standpunt dat berust op foute veronderstellingen. De Oosteuropeanen zijn gebrand op de verdieping, en niet de verwatering, van de bestaande structuren. En als men wil dat de Duitsers hecht betrokken blijven bij de huidige instellingen, dan kan men dat het best bereiken door die zo snel mogelijk uit te breiden.

Zoals een liberaal uit Tsjechië tijdens het VVD-congres opmerkte hebben de criminelen in zijn land de vrije Europese binnenmarkt al gerealiseerd: zij verplaatsen zich vrij en met opvallend gemak van het ene land naar het andere. Het aanpakken van de criminaliteit is thans ondenkbaar zonder de actieve medewerking van de Oosteuropeanen. Natuurlijk blijven kwesties zoals de stemverhoudingen, subsidies en concurrentie bestaan. Maar het uitbreidingsproces is geen bureaucratische opgave: het is als voorheen een kwestie van politieke visie en wil. Een verenigd, vrij Europa is mogelijk, maar pas wanneer landen zoals Frankrijk en Groot-Brittannië accepteren dat ook hun rol in zo'n verenigd Europa zal moeten veranderen. De problemen van Europa liggen thans dus eerder in het Westen dan in het Oosten.