Minderheden

De Westerse mogendheden hebben door hun bemoeienissen met de minderheidsproblemen in Oost-Europa al eerder de stelling geïllustreerd dat de wereld aan vlijt ten onder gaat. Enige vraagtekens bij het 'document voor goed nabuurschap in Midden- en Oost-Europa' dat werd aangenomen door de Parijse Conferentie voor Stabiliteit in Europa (NRC Handelsblad, 27 mei) zijn daarom op hun plaats. Na de Eerste Wereldoorlog werden op de vredesconferentie van Versailles op initiatief van de Amerikaanse president Wilson en de Engelse premier Lloyd George verdragen opgesteld die de positie van minderheden in deze regio moesten beschermen. De regeringen van de landen in Centraal- en Oost-Europa werden verplicht deze verdragen te ondertekenen. Zij waren zeer gegriefd door deze inbreuk op hun soevereiniteit, een gevoelig punt in landen die net onafhankelijk waren geworden na eeuwenlang onderdeel te zijn geweest van het Russische en Habsburgse imperium. Polen, Hongaren en Tsjechen zagen de verdragen als een bevestiging van de tweederangs status van hun landen. Het werd als een daad van patriottisme beschouwd om de verdragen niet na te leven, waardoor de positie van minderheden juist verder verslechterde.

Door het initiatief van de Franse premier Balladur kan weer de indruk ontstaan dat er in Europa twee soorten staten zijn. In Parijs is geen verklaring aangenomen over de minderheidsproblemen van West-Europa, terwijl bijvoorbeeld aan de burgerrechten van minderheden in Duitsland ook nog wel wat schort. Duitsland zou een dergelijke inbreuk op zijn soevereiniteit ook niet accepteren. Dit mogen we ook niet verwachten van de landen van Centraal-Europa, die op dit punt overgevoelig zijn. Westerse mogendheden zullen 'de wortel' en vooral 'de stok' met grote voorzichtigheid moeten hanteren in minderhedenkwesties. Om een historicus te parafraseren: alleen Oost-Europa kan de minderhedenproblemen van Oost-Europa oplossen.